Zoekresultaten 21021-21030 van de 48312 resultaten

  • ECLI:NL:TNORAMS:2018:19 Kamer voor het notariaat Amsterdam 643905 / NT 18-10

    Naar het oordeel van de kamer kan niet worden vastgesteld dat klager de akte of een concept daarvan op 15 mei 2007 van de notaris heeft gekregen. Niet in geschil is evenwel dat klager en zijn ex-echtgenote kort na 29 mei 2007 de volmacht voor de akte op het kantoor van de notaris hebben ondertekend. Daarin heeft klager verklaard de akte te hebben ontvangen, met de inhoud daarvan bekend te zijn en op de hoogte te zijn van het gegeven dat de eigendom overgaat belast met een hypotheekrecht zoals omschreven in de akte. De kamer gaat er op basis van die door klager ondertekende volmacht vanuit dat klager de onder 1j. aangehaalde brief van 29 mei 2007, waarbij de akte als bijlage was gevoegd, moet hebben ontvangen. Dat klager en zijn vrouw niet hebben gelezen waarvoor zij hebben getekend komt de kamer niet aannemelijk voor. 5.4 Dat betekent dat de hiervoor bedoelde vervaltermijn is gaan lopen vanaf de ontvangst van de akte door klager kort na 29 mei 2007, de dag waarop de notaris de akte in elk geval per post aan klager en zijn ex-echtgenote heeft toegezonden. De kamer is van oordeel dat in ieder geval vanaf dat tijdstip voor klager de mogelijkheid bestond om kennis te nemen van de verwijten, die hij de notaris thans maakt. Dat het perceel met een enorme hypotheek was voorbelast blijkt immers meteen bij kennisname van de akte. De klacht is op 18 februari 2018 ingediend, dus ruim na het verstrijken van de vervaltermijn van drie jaren. De kamer komt dan ook niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de door klager aan het adres van de notaris gemaakte verwijten, waarbij de kamer nog wel opmerkt dat de notaris niet heeft weersproken dat hij geen invulling heeft gegeven aan zijn Belehrungspflicht.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:141 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180072

    Beroep art. 9j lid 7 Aw. Appellant wenst een aantekening te krijgen bij de Hoge Raad en heeft met dat doel de Algemene Raad verzocht hem vrijstelling te verlenen van het vereiste van onvoorwaardelijke inschrijving als advocaat (art. 9j lid 6 jo. lid 1 Aw). Appellant is niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de afwijzende beslissing van de Algemene Raad. De mogelijkheid om in beroep te gaan tegen een beslissing tot weigering van het verzoek om aantekening op het tableau als advocaat bij de Hoge Raad, en tot weigering van de vrijstelling, wordt in de wet (art. 9j lid 7 Aw) slechts toegekend aan de advocaat. Appellant is niet als advocaat ingeschreven op het tableau van de Orde. Het beroep op artikel 4.11 lid 3 Voda kan niet tot een andere conclusie leiden.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:139 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-038

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klaagster is ontvankelijk in haar klacht. De arts heeft op goede gronden betoogd dat er tussen de BMR-vaccinatie en het ontstaan van autisme geen relatie bestaat, geen aanleiding voor de arts om hierover voorafgaand aan de BMR-vaccinatie iets tegen klaagster te zeggen en er is geen enkele aanwijzing dat de BMR-prik de oorzaak kan zijn van ASS of een (andere) handicap bij de zoon van klaagster. Wat er tijdens het consult is gezegd kan het College niet vaststellen. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:236 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2016.497

    Klacht tegen gz-psycholoog en psychiater die in het kader van een tegen klager lopende strafzaak in opdracht van de rechtbank na klinische observatie in multidisciplinair verband een Pro Justitia dubbel-rapportage hebben uitgebracht over de geestvermogens van klager. De klacht behelst drie klachtonderdelen ter zake van de inhoud van de rapportage, de onderliggende rapportages en de aanpak van het onderzoek en de termijnen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege wijst hier een tussenbeslissing waarin twee van de drie klachtonderdelen worden afgewezen. Van belang is de overweging van het College dat het College het onwenselijk acht dat er binnen de forensische setting een ander invulling wordt gegeven aan het begrip ‘werkaantekeningen’ en daarmee aan de regel omtrent het medisch dossier, zonder dat daar regelgeving aan ten grondslag ligt die voor onderzochten kenbaar is. Ter zake van het derde klachtcategorie over de inhoud van de rapportage acht het College zich nog onvoldoende voorgelicht en wordt een aanvullend vooronderzoek gelast.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:133 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-027a

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een oogarts. Klaagster is geopereerd door de oogarts, een arts in opleiding tot oogarts heeft geassisteerd tijdens de operatie. Onduidelijk is gebleven of tijdens het preoperatieve gesprek onbetwistbaar is besproken dat klaagster niet door een leerling geopereerd wilde worden en dat zij ook geen leerlingen aan haar wilde. Hierover verschillen partijen van mening. Het ontbreken van verslaglegging van het preoperatieve gesprek levert in dit geval geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:179 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-789/DH/RO

    Klacht over kwaliteit van dienstverlening ongegrond. Klacht dat verweerder klager onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van de bij de rechtsbijstandsverzekeraar ingediende declaraties gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:142 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180079

    Een advocaat van een partij die wordt geconfronteerd met een derdenbeslag dat hij onjuist acht, dient zich te wenden tot de (advocaat van de) beslaglegger om in overleg de (on)juistheid van het beslag vast te stellen en, indien dat overleg niet tot overeenstemming leidt, kan de advocaat een procedure aanhangig maken jegens de beslaglegger. Verweerster had zich daarom moeten verstaan met de advocaat van de beslaglegger in plaats van met klaagster als derde-beslagene. Verweerster heeft bovendien de belangen van klaagster verontachtzaamd door klaagster er herhaaldelijk en in dwingende bewoordingen toe aan te zetten de eerder afgelegde derdenverklaring te herroepen en de beslagen goederen vrij te geven, zonder klaagster te wijzen op de risico's die dat voor klaagster zou meebrengen. Het hof verhoogt de door de raad opgelegde maatregel tot een berisping. Kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2018:20 Kamer voor het notariaat Amsterdam 645467 / NT 18-17

    De kamer overweegt het volgende. In het samenlevingscontract zijn klager en zijn ex-partner overeengekomen dat zij - als gevolg van ieders aandeel naar evenredigheid in de woning - een vordering (gelijk aan het meerdere) op elkaar verkrijgen, indien blijkt dat de ander meer heeft bijgedragen dan waartoe hij of zij op grond van dat aandeel gehouden is. Uit de door klager overgelegde stukken blijkt dat door hem in 2013 een vraag is gesteld aan de notaris met betrekking tot de mogelijke aanpassing van dit samenlevingscontract. Wat de precieze inhoud van die vraag is geweest, is evenwel niet duidelijk geworden. Evenmin kan op basis van de door klager overgelegde stukken worden vastgesteld dat klager (en zijn ex-partner) ter zake een opdracht aan de kandidaat-notaris hebben verstrekt. Daarbij is van belang dat de kandidaat-notaris per 1 maart 2016 is gedefungeerd als zogenoemde ‘zware waarnemer’ van het protocol van oud-notaris mr. [B] en dat hij sinds die datum daarom ook geen toegang tot de administratie meer heeft. Ter zitting heeft de kandidaat-notaris, net als tegenover de rechtbank, verklaard geen concrete herinnering aan deze zaak te hebben, wat de kamer, anders dan klager, niet onaannemelijk voorkomt. Niet kan dan ook worden vastgesteld dat de kandidaat-notaris (onjuist) heeft geadviseerd, nog daargelaten de vraag of de door klager gewenste wijzigingen ook conform de wens van de ex-partner van klager waren. Immers, uit de door klager overgelegde stukken blijkt niet van door zijn ex-partner zelf uitgesproken wens om het bedrag van € 50.000,- te schenken.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:156 Raad van Discipline Amsterdam 18-309/A/A

    Ongegronde klacht over advocaat wederpartij. Het stond verweerster vrij om binnen de (tweede) betaaltermijn van de factuur beslag te leggen. Klaagster verkeerde immers al in verzuim doordat de (eerste) betalingstermijn van de factuur waarvoor beslag is gelegd was verstreken althans zij de overeenkomst met de cliënte van verweerster had ontbonden.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:157 Raad van Discipline Amsterdam 18-110/A/NH

    Deels gegrond verzet. Verweerster heeft in de gegeven omstandigheden niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt door voor de minderjarige als rechtsbijstandverlener op te treden onder de in de uitspraak geschetste omstandigheden. Het verzet tegen klachtonderd elen a) en c) is gegrond en klachtonderdelen a) en c) zijn gegrond. Het verzet tegen de overige klachtonderdelen is ongegrond. Waarschuwing en proceskostenveroordeling.