Zoekresultaten 9401-9450 van de 48550 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:31 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-364/DH/DH

    Klacht tegen de advocaat van de wederpartij over het gebruik van confraternele correspondentie gegrond. De brief komt uit een andere zaak, tussen klager en een andere wederpartij. Die andere wederpartij werd bijgestaan door een kantoorgenoot van verweerder. Het stond verweerder niet vrij gebruik te maken van deze brief. De klacht is in zoverre gegrond. Het stond verweerder en zijn kantoorgenoot wel vrij om informatie over dossier uit te wisselen. Klacht in zoverre ongegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:382 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-881/AL/OV

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:17 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-883/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. Klacht gedeeltelijk niet ontvankelijk omdat er eerder over het onderwerp is geklaagd (ne bis in idem) en gedeeltelijk kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:27 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-367/DH/DH

    verzet ongegrond

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:18 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-220/AL/OV

    Verzetbeslissing. Geen aanleiding om aan de juistheid van de beslissing van de voorzitter te twijfelen. De voorzitter heeft de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:378 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-854/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. Klacht niet-ontvankelijk omdat deze is ingediend na het verstrijken van de driejaarstermijn.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:28 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-496/DH/DH

    verzet ongegrond

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:19 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-305/AL/GLD

    De raad verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij in alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:379 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-810/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart de klacht tegen de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:29 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-604/DH/RO

    verzet ongegrond

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:20 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-285/AL/MN

    Raadsbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij. Gelet op het verweer van verweerder, waarin hij heeft aangegeven op welke door zijn cliënt aangedragen feiten hij zijn stellingnames heeft gebaseerd, hoefde verweerder naar het oordeel van de raad deze niet op voorhand aan te merken als zodanig onaannemelijk dat hij daarvan zonder verder onderzoek niet mocht uitgaan. Als partijdige belangenbehartiger mocht verweerder op basis van het door zijn cliënt aangeleverde feitenmateriaal de standpunten in het verweerschrift innemen zoals hij heeft gedaan. Het is vervolgens aan de advocaat van klaagster om in de procedure deze standpunten te weerspreken. Klacht deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:380 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-304/AL/OV

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat van de wederpartij. Het stond verweerder vrij om klager een procedure in het vooruitzicht te stellen. Dat verweerder te hoge bedragen heeft gevorderd en deze zonder grond heeft verhoogd is voorts niet gebleken. In de klacht dat verweerder jegens klagers voormalig advocaat heeft gedreigd met indiening van een klacht kan klager niet worden ontvangen, omdat niet is gebleken door dit verweten handelen rechtstreeks in zijn eigen belang is getroffen. Klacht deels kennelijk ongegrond, deels kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:19 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-899/DB/LI/D

    Dekenbezwaar. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit doordat zij bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst met mr. J niet de Beleidsregel Stage en Patronaat heeft gevolgd en daarover onjuiste informatie heeft verstrekt aan de raad van de orde Limburg. Verweerster heeft met haar handelen het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Dekenbezwaar gegrond. Schorsing van vier weken, waarvan twee voorwaardelijk.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:30 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-618/DH/RO

    verzet ongegrond

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:381 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-920/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht tegen de deken kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:33 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1202

    Klacht tegen een neuroloog. Klaagster heeft bij de neuroloog een lumbaalpunctie ondergaan om een neuroborreliose uit te sluiten. In de uren na de punctie bleek ze geen aandrang te hebben voor mictie en ontbrak het passagegevoel bij mictie. Ook gaf ze pijn aan in de rug en doofheid van het linkerbeen. Een andere neuroloog (eveneens aangeklaagd: C2022/1203) heeft een (spoed)MRI verricht. Op de (spoed)MRI werd een stenose gezien op de niveaus L3-L4 en L4-L5. De volgende ochtend was de uitval van de sensibiliteit toegenomen en is klaagster na overleg doorgestuurd naar een neurochirurg (eveneens aangeklaagd: C2021/1186) voor een operatie om de zenuw meer ruimte te geven. Klaagster verwijt de neuroloog dat hij geen informatie heeft gegeven over de lumbaalpunctie en de eventuele risico’s daarvan, geen informatie heeft gegeven over de ziekte van Lyme en de behandeling daarvan, en dat hij geen duidelijkheid heeft gegeven hoe het nu verder moet en niets heeft gedaan met de klachten van klaagster van dubbelzien en het niet op woorden kunnen komen. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:27 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1237

    Klacht tegen gz-psycholoog. Klager en zijn echtgenote waren weekendpleegouders van een jeugdig meisje. Verweerster was betrokken bij de begeleiding van de (week)pleegouders. Op enig moment heeft het meisje aangegeven vanwege een voorval met klager niet meer naar haar weekendpleegouders te willen. Hoewel klager niet als verdachte werd beschouwd is de weekendpleegzorg beëindigd. Klager verwijt verweerster in de kern dat zij onzorgvuldig is geweest in haar contacten met klager waardoor hij zich beschuldigd heeft gevoeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:34 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1203

    Klacht tegen een neuroloog. Klaagster heeft (bij een andere neuroloog/ eveneens aangeklaagd: C2022/1202) een lumbaalpunctie ondergaan om een neuroborreliose uit te sluiten. Na deze punctie had klaagster geen aandrang voor mictie en ook geen passagegevoel bij mictie. Daarnaast gaf ze pijn aan in de rug en toenemende doofheid van het linkerbeen. De beklaagde neuroloog heeft een (spoed)MRI laten maken. Hierop werd een stenose gezien op de niveaus L3-L4 en L4-L5. De volgende ochtend was de uitval van de sensibiliteit toegenomen. De neuroloog heeft overleg gevoerd met een neurochirurg in een ander ziekenhuis (eveneens aangeklaagd: C2021/1186) over een operatie om de zenuw meer ruimte te geven. De neuroloog heeft hier vervolgens met klaagster over gesproken. Klaagster is uiteindelijk overgeplaatst naar het andere ziekenhuis en daar geopereerd.Klaagster verwijt de neuroloog dat zij geen informatie heeft gegeven over de voor- en nadelen en risico’s van de operatie, en dat zij klaagster een verkeerd beeld heeft gegeven over de noodzaak daarvan. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:28 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1392

    Klacht tegen anesthesioloog. Klager is begin 2020 geopereerd aan een beknelde zenuw in de buikwand. Omdat hij na de operatie meer pijn had dan daarvoor is aan hem oxycodon voorgeschreven. Een half jaar na de operatie is klager op consult geweest bij de anesthesioloog op de pijnpoli. De door de anesthesioloog voorgestelde behandeling bestond uit pijnstilling via een zenuwblokkade en voor de langere termijn pijnvermindering door middel van interdisciplinaire pijnrevalidatie. Klager verwijt de anesthesioloog onder meer dat (1) het te lang heeft geduurd voordat klager door haar werd gezien en (2) zij klager het verslavende middel oxycodon liet gebruiken zonder alternatieve medicatie voor te stellen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:35 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1283

    Klacht tegen huisarts. Klaagster is bekend met hart- en vaatziekten en is bij de huisarts op consult geweest voor een wond aan haar onderbeen. De huisarts heeft klaagster daarop verwezen naar de poli dermatologie en de poli chirurgie. Twee weken daarna komt klaagster nogmaals op consult vanwege een verergering van de klachten aan haar been. De wond van klaagster is toen door de huisarts en verschillende doktersassistenten ambulant behandeld. Twee weken daarna ziet de huisarts klaagster opnieuw, waarna hij haar met spoed doorverwijst naar de dermatoloog in het ziekenhuis. Klaagster is diezelfde dag door de dermatoloog gezien en is daarna diverse keren bij de dermatoloog op consult geweest. Klaagster is uiteindelijk een periode in het ziekenhuis opgenomen en heeft een huidtransplantatie aan de het onderbeen ondergaan. Klaagster verwijt de huisarts het niet met spoed raadplegen van een specialist na het tweede consult, het onvoldoende supervisie houden op zijn medewerkers en het onvoldoende monitoren van de aandoening van klaagster en onzorgvuldige communicatie. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:29 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1415

    Klacht tegen gz-psycholoog. De moeder van klaagster is onder behandeling (geweest) bij verweerster vanwege verstoorde relaties in het ouderlijk gezin van klaagster. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster in het deel van de klacht dat betrekking heeft op de behandeling van de moeder niet-ontvankelijk verklaard. Van de door klaagster geformuleerde klachtonderdelen die betrekking hebben op het contact tussen verweerster en klaagster zelf heeft het Regionaal Tuchtcollege drie klachtonderdelen gegrond verklaard en aan verweerster een berisping opgelegd. Verweerster heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing maar klaagster wel. Het beroep van klaagster richt zich tegen de gedeeltelijke niet-ontvankelijk verklaring en tegen de ongegrondverklaring van het vierde klachtonderdeel, waarmee zij verweerster verwijt dat die haar een mail heeft gestuurd met het verzoek voorlopig geen contact op te nemen met haar moeder. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:36 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1561

    Klacht tegen huisarts. Klaagster heeft gedurende een aantal jaren het middel paroxetine gebruikt, in een dosering van 10 mg per dag. Tijdens een consult begin 2016 heeft de huisarts met haar gesproken over het staken van het gebruik van dit middel. Nadat klaagster met het gebruik van dit middel was gestopt, kreeg zij verschillende klachten. Klaagster verwijt de huisarts in de kern - onder meer - dat hij, tegen het uitdrukkelijke verzoek van klaagster in, heeft geadviseerd om zonder afbouwschema te stoppen met het gebruik van paroxetine en dat hij geen begrip heeft getoond en geen nazorg heeft geboden. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:30 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1186

    Klacht tegen een neurochirurg. Klaagster heeft bij een neuroloog in een ander ziekenhuis (C2022/1202) een lumbaalpunctie ondergaan om een neuroborreliose uit te sluiten. In de uren na de punctie bleek ze geen aandrang te hebben voor mictie en ontbrak het passagegevoel bij mictie. Ook gaf ze pijn aan in de rug en doofheid van het linkerbeen. Weer een andere neuroloog (eveneens aangeklaagd: C2022/1203) heeft een (spoed)MRI verricht. Op de (spoed)MRI werd een degeneratieve stenose gezien op de niveaus L3-L4 en L4-L5. Overleg dezelfde avond met de vraag of er een acute operatie indicatie bestond met een neurochirurg van een ander centrum leidde tot het advies om een afwachtend beleid te voeren. De volgende ochtend was de uitval van de sensibiliteit toegenomen en is klaagster na overleg doorgestuurd naar de beklaagde neurochirurg voor een operatie om de zenuw meer ruimte te geven. De neurochirurg werkt in een ander ziekenhuis. Klaagster verwijt de beklaagde neurochirurg dat hij geen informatie heeft gegeven over de voor- en nadelen en risico’s van de operatie, en dat hij een operatie heeft uitgevoerd die hij zelf onnodig vond. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt die beslissing voor zover de klacht over het informed consent ongegrond is verklaard, verklaart dat klachtonderdeel alsnog gegrond en legt daarvoor aan de neurochirurg de maatregel van waarschuwing op. Voor het overige verwerpt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:37 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1193

    .

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:31 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1191

    Klacht tegen klinisch geriater. De klacht betreft de behandeling van de overleden moeder van klagers. Patiënte was bekend met gevorderde Alzheimer, epilepsie en hypertensie en inwonend bij een van klagers. Na een val thuis bleek sprake van een heupfractuur waaraan patiënte is geopereerd. Na de operatie is patiënte opgenomen op de afdeling geriatrie waar zij een week later is overleden. Klagers verwijten verweerster – samengevat – dat zij onvoldoende zorg en behandeling heeft verleend, het medisch dossier in een later stadium heeft aangepast en inzage heeft gevraagd in een door klagers bij de geschillencommissie ingediende klacht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:32 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1192

    Klacht tegen arts, thans klinisch geriater. De klacht betreft de behandeling van de overleden moeder van klagers. Patiënte was bekend met gevorderde Alzheimer, epilepsie en hypertensie en inwonend bij een van klagers. Na een val thuis bleek sprake van een heupfractuur waaraan patiënte is geopereerd. Na de operatie is patiënte opgenomen op de afdeling geriatrie waar zij een week later is overleden. Klagers verwijten verweerster – samengevat – dat zij onvoldoende zorg en behandeling heeft verleend, het medisch dossier in een later stadium heeft aangepast en inzage heeft gevraagd in een door klagers bij de geschillencommissie ingediende klacht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:37 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/5130

    Klaagsters moeder behoeft aansluitend op ziekenhuisopname zorg in een zorginstelling. Klager stelt dat de verpleegkundige die vanuit het ziekenhuis verantwoordelijk was voor het zoeken van een zorginstelling die op korte termijn plek had hem onheus heeft bejegend door te zeggen dat er een vervelende situatie zou ontstaan als zijn moeder de de aangeboden plek (die niet haar voorkeur had) zou weigeren. De voorzitter oordeelt dat verpleegkundige heeft uitgelegd hoe het systeem feitelijk werkt. Moeder kon niet in het ziekenhuis blijven. Dat klager zich daardoor onder druk gezet voelde, maakt de bejegening niet onheus. De klacht is “kennelijk ongegrond”. De klacht is “kennelijk niet-ontvankelijk” voor zover klager namens zijn moeder klaagt. Moeder heeft de klacht niet meegetekend en is wilsbekwaam.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:24 Raad van Discipline Amsterdam 22-717/A/A 22-718/A/A

    Raadbeslissing; Betreft een klacht over de advocaat wederpartij en zijn kantoor. De klacht over verweerster, het kantoor, is enkel ontvankelijk waar het gaat over het starten van een incassoprocedure vanwege het door klagers onbetaald laten van declaraties. Dit verwijt betreft immers de organisatie van het kantoor. De overige klachtonderdelen over het kantoor zijn niet-ontvankelijk. De klachten over verweerder zijn ongegrond. Niet gebleken is dat verweerder stellingen heeft ingenomen die in strijd zijn met de waarheid. Evenmin zijn verweerders uitlatingen in Quote over het onbetaald laten van de declaraties door klagers in de gegeven context niet onnodig grievend.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:18 Raad van Discipline Amsterdam 22-665/A/NH

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:38 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/3956

    Klacht tegen een psychiater over haar handelen bij het opstellen van de “bevindingen geneesheer-directeur” in het kader van de voorbereiding van een verzoek voor een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Beklaagde heeft bij haar bevindingen de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater en de door deze noodzakelijk geachte zorgvormen gevolgd. Klager is het met de in de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater opgenomen (voorlopige) diagnose niet eens. Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Beklaagde heeft niet zelf de (voorlopige) diagnose “manifest psychotisch toestandsbeeld, waarschijnlijk in het kader van schizofrenie” gesteld. Het verwijt dat zij een onjuiste diagnose heeft gesteld kan alleen al daarom niet slagen. Voor zover het verwijt betrekking heeft op het volgen van de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater, met de daarin opgenomen diagnose, slaagt ook dat verwijt niet. De in de medische verklaring opgenomen diagnose kon op goede gronden worden gevolgd door beklaagde.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:19 Raad van Discipline Amsterdam 22-353/A/NH

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:39 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4214

    Klacht over het handelen van een psychiater bij de behandeling van klager, die met een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) was opgenomen. Klager is het niet eens met de in het traject tot het verkrijgen van een zorgmachtiging gestelde (voorlopige) diagnose en meent dat beklaagde bij zijn behandeling onterecht uitgaat van deze diagnose. Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Met de bekende gegevens over de voorgeschiedenis van klager, het beschikbare dossier en het gesprek dat beklaagde zelf met klager had, was er voor beklaagde geen aanleiding voor twijfel aan de eerder door een collega-psychiater gestelde (voorlopige) diagnose “manifest psychotisch toestandsbeeld, waarschijnlijk in het kader van schizofrenie”. Beklaagde heeft terecht geen aanleiding gezien de (voorlopige) diagnose bij te stellen. Een behandeling met antipsychotica was daarmee geïndiceerd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:20 Raad van Discipline Amsterdam 22-755/A/NH

    Klacht tegen eigen advocaat. De klacht bestaat uit diverse klachtonderdelen, waaronder de klacht dat klager zich niet als advocaat aan de zaak had mogen onttrekken. Klager wordt daarin door de raad niet gevolgd. Het was klager bekend dat verweerder de zaak niet wilde voorzetten als klager de voorschotnota van verweerder niet zou voldoen. Wel is gegrond de klacht dat verweerder heeft verzuimd in de memorie van grieven een grief te richten tegen de veroordeling dat klager de wettelijke handelsrente is verschuldigd. Nu alleen de laatst genoemde klacht gegrond is en de overige klachten ongegrond en verweerder niet eerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, ziet de raad daarin aanleiding om geen maatregel op te leggen.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:40 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/3957

    Klacht over het handelen van een psychiater bij het opstellen van een medische verklaring als bedoeld in artikel 5:8 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Klager is het met de in de verklaring opgenomen (voorlopige) diagnose niet eens. Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Met de haar bekende gegevens over de voorgeschiedenis van klager en wat klager tijdens het gesprek met de psychiater zelf naar voren heeft gebracht, heeft de psychiater de (voorlopige) diagnose “manifest psychotisch toestandsbeeld, waarschijnlijk in het kader van schizofrenie” op goede gronden kunnen stellen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:14 Raad van Discipline Amsterdam 22-994/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over dienstverlening van de eigen advocaat. Verweerder heeft genoegzaam toegelicht dat hij die werkzaamheden voor klager heeft verricht die in een arbeidsrechtelijk geschil van hem verwacht mochten worden. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:21 Raad van Discipline Amsterdam 22-701/A/A

    Klacht tegen eigen advocaat. Verweerster heeft de termijn voor het instellen van hoger beroep ongebruikt laten verstrijken. Dit wordt door haar ook erkend. Daarnaast wordt het verweerster verweten dat zij voor klager onbereikbaar is geweest. Ook dat klachtonderdeel is gegrond. Verweerster heeft weliswaar op enig moment een oogoperatie ondergaan, maar zij had in die periode geen waarnemer aangesteld. Dat had van haar wel mogen worden verwacht. De maatregel van berisping wordt opgelegd.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:41 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4215

    Klacht over het handelen van een psychiater bij de behandeling van klager, die met een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) was opgenomen. Klager is het niet eens met de in het traject tot het verkrijgen van een zorgmachtiging gestelde (voorlopige) diagnose en meent dat beklaagde bij haar behandeling onterecht uitgaat van deze diagnose. Ook meent klager dat beklaagde nader onderzoek had moeten doen naar aanleiding van lichamelijke klachten. Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Met de bekende gegevens over de voorgeschiedenis van klager, het beschikbare dossier en het gesprek dat beklaagde zelf met klager had, was er voor beklaagde geen aanleiding voor twijfel aan de eerder door een collega-psychiater gestelde (voorlopige) diagnose “manifest psychotisch toestandsbeeld, waarschijnlijk in het kader van schizofrenie”. Beklaagde heeft terecht geen aanleiding gezien de (voorlopige) diagnose bij te stellen. Een behandeling met antipsychotica was daarmee geïndiceerd. Verder waren er geen aanwijzingen voor cardiale problematiek die voorafgaand aan de start met antipsychotica had moeten worden uitgesloten en heeft beklaagde voldoende adequaat gereageerd op de door klager gemelde lichamelijke klachten.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:15 Raad van Discipline Amsterdam 22-992/A/A

    Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij. Het stond verweerster vrij namens haar cliënten conservatoir beslag te leggen. Zij heeft de belangen van klaagster hiermee niet onnodig of onevenredig geschaad.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:22 Raad van Discipline Amsterdam 22-601/A/A

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:42 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022-4184

    Klacht tegen anesthesioloog kennelijk ongegrond. Klaagster, geboren in 1963, is op verzoek van de specialist ouderengeneeskunde van het expertisecentrum euthanasie door de huisarts verwezen naar ziekenhuis Rijnstate voor een beoordeling. De specialist ouderengeneeskunde had een aantal vragen gelet op de uitgebreide orthopedische voorgeschiedenis van klaagster en haar wens tot euthanasie. Die vragen zijn bij de anesthesioloog terechtgekomen die klaagster heeft gezien en onderzoek heeft gedaan. Het college is van oordeel dat de anesthesioloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:16 Raad van Discipline Amsterdam 22-989/A/A 22-990/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over advocaat wederpartij niet-ontvankelijk vanwege het overschrijden van de driejaarstermijn; beroep op artikel 46g lid 2 Advocatenwet slaagt niet.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:23 Raad van Discipline Amsterdam 22-794/A/NH

    Raadbeslissing; klacht over de advocaat van de wederpartij in alle onderdelen ongegrond; Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen wegens strijd met gedragsregels 20 en 25 is geen sprake. Ook mocht verweerster uitgaan van het feitenmateriaal dat haar cliënt haar verschafte.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:17 Raad van Discipline Amsterdam 22-661/A/NH

    Klacht tegen eigen advocaat. Verweerder wordt verweten dat hij negen maanden niets aan de zaak heeft gedaan en vervolgens een toezegging om een inschatting van de zaak te geven niet is nagekomen. De klacht is gegrond. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat verweerder het geven van een inschatting van de zaak steeds voor zich uit heeft geschoven. Dat heeft verweerder ook gedaan nadat hij een toezegging had gedaan om die inschatting alsnog binnen twee weken te geven. De maatregel van een waarschuwing wordt opgelegd. Een proceskostenveroordeling wordt achterwege gelaten nu verweerder geen kosten in rekening heeft gebracht bij klager

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:9 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/4114

    Deels gegronde klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde (hierna ook arts). Waarschuwing. Klager is de zoon van een patiënt, geboren in 1919, die sinds 28 november 2019 opgenomen was op de afdeling geriatrische revalidatiezorg van de instelling waarin verweerder werkzaam was. Patiënt was opgenomen om te revalideren na een longontsteking. Na opname verslechterde de situatie van patiënt, die op 8 december 2019 is overleden. Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde dat hij naar aanleiding van het tweede telefonisch contact met de instelling patiënt op 8 december 2019 niet persoonlijk is komen beoordelen ondanks het verzoek van patiënt daartoe. Voorts verwijt klager de arts een gebrek aan empathie en communicatie bij de schouwing. Vast staat dat de specialist ouderengeneeskunde twee keer in een tijdspanne van drie uur over een hem onbekende, ernstig zieke en hoogbejaarde patiënt is gebeld en dat tijdens het tweede telefoongesprek het verzoek tot palliatieve sedatie van de familie aan hem is overgebracht. Het college is van oordeel dat de arts ten minste telefonisch extra informatie had moeten opvragen over de reden van het verzoek tot palliatieve sedatie, ófwel bij de verpleegkundige, ter plaatse bij de patiënt of rechtstreeks bij de familie en/of de patiënt zelf. Dit klachtonderdeel is gegrond. Niet kan worden vastgesteld dat de arts ten aanzien van het tweede klachtonderdeel klachtwaardig heeft gehandeld. Klacht deels gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:21 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1421

    Klacht tegen een klinisch geriater. De klacht betreft de behandeling van en de zorg voor klaagster. Klaagster bezocht in oktober 2017 de polikliniek klinische geriatrie van het ziekenhuis waar de klinisch geriater op dat moment werkte. Een collega klinisch geriater (beklaagde in C2022/1420) concludeerde dat sprake was van een Mild Cognitive Impairment (MCI). Bij een consult in april 2018 bij de eerder genoemde collega meldde de dochter van klaagster dat klaagster in het ziekenhuis had gelegen met buikpijn. De conclusie was dat er progressie was tot een vorm van dementie en controle na zes maanden werd afgesproken. Eind juli 2018 heeft dezelfde collega klinisch geriater, na een verzoek daartoe van de dochter van klaagster, met de cardioloog besloten de Ascal met omeprazol over te zetten naar Plavix clopidogrel met de afspraak om in oktober te evalueren. Tijdens een telefonisch consult in november 2018 met de collega klinisch geriater werd een gastroscopie afgesproken. De uitslag hiervan was dat klaagster maagzweren had. In februari 2019 noteerde de collega klinisch geriater in het dossier onder meer dat het niet goed gaat met klaagster. Begin maart 2019 is klaagster ruim een week opgenomen. De beklaagde klinisch geriater is tijdens de opname als supervisor betrokken geweest bij het opnamegesprek en twee visites op de afdeling. Na de opname is de klinisch geriater niet meer betrokken geweest bij de zorg voor klaagster. Klaagster verwijt de klinisch geriater -zakelijk weergegeven-:a) Het onjuist weergeven van de heteroanamnese en de klachten en het vervolgens uitzetten van een onjuist onderzoekstraject. Het daarbij niet serieus nemen van klaagster en haar dochter;b) Het stellen van een foute diagnose, het uitzetten van een onjuiste behandeling en het opleggen van die behandeling;c) Het uitvoeren van een onjuist onderzoek en het trekken van foutieve conclusies.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:26 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-958/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:7 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3545

    Klacht tegen tandarts; informatieplicht geschonden(a), behandelovereenkomst niet correct nagekomen(b), ondeugdelijke brug/prothese geleverd(c), niet goed gecommuniceerd(d), geen kopie dossier, implantatenpaspoort, inkoopfacturen en materialenoverzicht afgegeven(e), geen correcte facturen opgesteld(f), gefraudeerd met facturen(g), gedreigd geplaatste elementen te verwijderen als er niet werd betaald(h), geen verantwoording afgelegd voor nalatig handelen(i), niet transparant opgesteld(j), niet meegewerkt aan klachtenprocedure(k), schade toegebracht aan patiënt(l), niet als goed hulpverlener gedragen(m), onmogelijk gemaakt dat patiënt door andere tandarts goed geholpen kon worden door onvolledige/onjuiste informatie te geven over implantaten(n) lukraak restjes gebruikt bij plaatsen implantaten(o). College: A en d deels gegrond. C, e, f en h gegrond. Klacht voor het overige ongegrond. Berisping.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:24 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1172

    Klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde. De broer van klager (patiënt) is eind 2020 vanuit het ziekenhuis naar een hospice overgeplaatst. De specialist ouderengeneeskunde is werkzaam in het hospice en was voornamelijk als behandelend arts betrokken bij patiënt. Ruim een week na de opname in het hospice is patiënt mee naar huis genomen en is hij diezelfde avond overleden. Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde dat zij zich niet heeft gehouden aan gedragscodes en onvoldoende rekening heeft gehouden met de wensen van de patiënt en zijn familie door patiënt onnodig medicatie toe te dienen om hem ‘plat te leggen’ waardoor hij buiten bewustzijn was toen hij overleed en waardoor zijn leven eerder en op onnatuurlijke wijze is beëindigd, dat patiënt zijn geloofsovertuiging niet heeft kunnen uitoefenen omdat de islamitische richtlijn om nuchter te sterven niet is gehonoreerd, dat zij nalatig is geweest in de communicatie door de familie pas achteraf toestemming te vragen voor de inzet van medicatie en dat zij op eigen initiatief een beleid heeft opgestart zonder rekening te houden met wensen en geloof. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht omdat sprake is van bijzondere omstandigheden die elk op zich en tezamen aanleiding geven om niet te veronderstellen dat klager met zijn klacht de wil van zijn broer uitdrukt. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:25 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1173

    Klacht tegen een verpleegkundige. De broer van klager (patiënt) is eind 2020 vanuit het ziekenhuis naar een hospice overgeplaatst. De verpleegkundige is werkzaam in het hospice. Ruim een week na de opname in het hospice is patiënt mee naar huis genomen en is hij diezelfde avond overleden. Klager verwijt de verpleegkundige dat zij zich niet heeft gehouden aan gedragscodes en onvoldoende rekening heeft gehouden met de wensen van de patiënt en zijn familie door patiënt onnodig medicatie toe te dienen om hem ‘plat te leggen’ waardoor hij buiten bewustzijn was toen hij overleed en waardoor zijn leven eerder en op onnatuurlijke wijze is beëindigd, dat patiënt zijn geloofsovertuiging niet heeft kunnen uitoefenen omdat de islamitische richtlijn om nuchter te sterven niet is gehonoreerd en dat zij nalatig is geweest in de communicatie door de familie pas achteraf toestemming te vragen voor de inzet van medicatie. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht omdat sprake is van bijzondere omstandigheden die elk op zich en tezamen aanleiding geven om niet te veronderstellen dat klager met zijn klacht de wil van zijn broer uitdrukt. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:26 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1324

    Klacht tegen een verpleegkundige. De beklaagde verpleegkundige heeft als vrijwilliger de inmiddels overleden patiënte en haar echtgenoot op een vakantiereis begeleid. De verpleegkundige verleende zorg aan de patiënte. Met de echtgenoot heeft geen zorgrelatie bestaan. Na het overlijden van de patiënte heeft de verpleegkundige contact gehouden met de echtgenoot, is er een vriendschappelijke relatie ontstaan en heeft zij geld van hem geleend en cadeaus ontvangen. De echtgenoot heeft de verpleegkundige in zijn testament opgenomen en bij hernieuwd levenstestament o.a. de verpleegkundige als gevolmachtigde aangewezen.Na het overlijden van de echtgenoot is de eerder aan de verpleegkundige lening in de vorm van een voorschot op de erfenis omgezet in een schenking. De IGJ verwijt de verpleegkundige dat zij tekort is geschoten in de zorg jegens de echtgenoot, dat zij in strijd heeft gehandeld met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt door niet te handelen conform haar professionele verantwoordelijkheid, en dat zij blijft volhouden dat zij niet in strijd met de professionele normen heeft gehandeld. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de Inspectie niet-ontvankelijk is voor zover de klacht is gebaseerd op artikel 47 eerste lid, sub b Wet BIG, toetst het handelen van de verpleegkundige aan artikel 47 eerste lid, sub a Wet BIG en komt op andere gronden dan het Regionaal Tuchtcollege tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.