Zoekresultaten 2101-2120 van de 48142 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:238 Hof van Discipline 's Gravenhage 240246

    Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de advocaat als patroon van de advocaat van de faillissementscurator. Verweerster heeft volgens klagers tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat de advocaat-stagiaire van verweerster in strijd heeft gehandeld met de kernwaarden van de pilot van de rechtbank Gelderland, team Insolventies, locatie Zutphen. Verweerster is volgens klagers als patroon verantwoordelijk voor dit handelen van de advocaat-stagiaire. Ten tweede heeft verweerster volgens klagers tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat de advocaat-stagiaire ten onrechte geen informatie/inlichtingen met betrekking tot de pilot aan klagers heeft verstrekt en verweerster daarmee niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voor haar als patroon gelden. De raad heeft klager 1 niet-ontvankelijk verklaard en de beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klagers komen hiertegen in beroep.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:251 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-296/AL/MN

    Verzetbeslissing. De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:191 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2585

    Klager heeft op 3 januari 2022 een ooglaserbehandeling ondergaan. Hij heeft twee maanden daarna last gekregen van droge ogen en pijn. Hij is ontevreden over het vooronderzoek, de informatievoorziening, de nazorg en (de verstrekking van) de verslaglegging. Ook klaagt hij over de behandeling door een niet-BIG-geregistreerde zorgverlener. Klager verwijt verweerder kort gezegd dat hij, al dan niet als medisch directeur, niet heeft gehandeld in overeenstemming met de verantwoordelijkheid die voor hem voortvloeit uit artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek (BW). Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager in een deel van de klacht niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat klager wél ontvankelijk is in klachtonderdeel d) i. Het Centraal Tuchtcollege verklaart dit klachtonderdeel vervolgens ongegrond. Voor het overige sluit het Centraal Tuchtcollege zich volledig aan bij de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en wordt het beroep van klager verworpen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:239 Hof van Discipline 's Gravenhage 250376

    Klacht tegen deken wordt niet verwezen. De klacht heeft betrekking op het onderzoek naar en het dekenstandpunt van de deken over de klacht. Deze klacht bevindt zich op dit moment in het stadium van doorgeleiding naar de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden. Uit de stukken blijkt dat de deken het door klaagster betaalde griffierecht heeft ontvangen. De aanstaande behandeling van de klacht over mr. Van der W bij de Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden is de geëigende plek om ook gerezen bezwaren tegen het dekenonderzoek naar die klacht naar voren te brengen en zonodig aan te voeren dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan verweerster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:192 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2586

    Klager heeft op 3 januari 2022 een ooglaserbehandeling ondergaan. De ingreep is uitgevoerd door een in het buitenland opgeleide arts onder supervisie van de oogarts. Na de ingreep heeft klager last gekregen van droge ogen en pijn. Volgens klager is het vooronderzoek niet juist uitgevoerd, waardoor niet duidelijk is geworden dat hij in een risicogroep viel en de operatie ten onrechte is uitgevoerd. Verder is hij ontevreden over de informatie die hij voor de operatie heeft ontvangen. De risico’s zijn daarin te rooskleurig weergegeven, als gevolg waarvan hij geen weloverwogen keuze heeft kunnen maken. Verder verwijt hij de oogarts dat zij opdracht heeft gegeven aan een onbevoegd en onbekwaam persoon om de ingreep uit te voeren. Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft twee klachtonderdelen gegrond verklaard en ter zake daarvan aan de arts de maatregel van waarschuwing opgelegd. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich aan bij de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7669

    Ongegronde klacht. Verweerder, bedrijfsarts, wordt verweten zonder basisovereenkomst tussen de arbodienst en de werkgever van klager een verzuimconsult te hebben gehouden. Er heeft geen verzuimconsult en geen vrijwillig consult in het kader van arbeidsomstandigheden plaatsgevonden.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:193 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2849

    De zaak is aangehouden.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7641

    Deels gegronde klacht met waarschuwing. Verweerder, bedrijfsarts, wordt door werknemer verweten dat verweerder onbevoegd een verzuimconsult heeft gehouden zonder basisovereenkomst tussen de arbodienst en de werkgever van klager. Ook wordt verweerder verweten een onjuiste verklaring en onvoldoende informatie over het type consult (arbeidsomstandigheden- of verzuimconsult) te hebben gegeven. Tot slot wordt verweerder verweten dat hij partijdig was en onvoldoende zorg en een onjuiste behandeling zou hebben gegeven, zonder klager te wijzen op het correctierecht en zonder klager inzage te verlenen in de basisovereenkomst.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:194 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2850

    De zaak is aangehouden.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:249 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-174/AL/GLD

    Verzetbeslissing. De raad verklaart het verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:250 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-290/AL/NN

    Raadbeslissing. Klacht tegen (voormalig) mede-advocaat. Het is voor de raad als onvoldoende betwist komen vast te staan dat verweerster geen opdracht heeft gekregen om hoger beroep in te stellen en evenmin al werkzaamheden in de zaak had verricht. Dit betekent dat de raad ervan uit moet gaan dat verweerster ten onrechte toevoegingen heeft aangevraagd en vervolgens bij klager ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op de opvolgingspunten. Ook had van verweerster in redelijkheid verwacht mogen worden dat zij op verzoek van klager haar medewerking had verleend aan het terugdraaien van de mutaties van de toevoegingen. Klacht deels gegrond. Berisping.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:212 Raad van Discipline Amsterdam 25-678/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht is in alle klachtonderdelen niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de in artikel 46g lid 1 Advocatenwet genoemde termijn.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:277 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8065

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een orthopedagoog-generalist. De 7-jarige dochter van klaagster kwam onder behandeling bij de orthopedagoog-generalist vanwege angstklachten. Tijdens het intakegesprek kwam verder naar voren dat er spanningen waren tussen klaagster en haar partner en dat zij gingen scheiden. Klaagster verwijt de orthopedagoog-generalist met name dat zij zich niet neutraal heeft opgesteld ten opzichte van klaagster en haar partner en dat het dossier niet op orde is.Het college oordeelt als volgt. Uit het dossier wordt duidelijk dat er sprake was van een complexe scheidingssituatie waarbij de orthopedagoog-generalist in een ingewikkelde positie terecht is gekomen. Uit het dossier blijkt dat de beide moeders bij voortduring afzonderlijk van elkaar hun kant van het verhaal met (uitsluitend) de orthopedagoog-generalist deelden, terwijl de orthopedagoog-generalist hen uitdrukkelijk had gevraagd om informatie ook onderling met elkaar te delen. Naar het oordeel van het college kan niet worden vastgesteld dat de orthopedagoog-generalist zich ten opzichte van de moeders niet neutraal zou hebben opgesteld.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:278 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7770

    Deels gegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klager, geboren in februari 2007, is na psychische problemen door de overgang van de lagere naar de middelbare school in april 2021 aangemeld bij de organisatie waar de psycholoog werkzaam is. Namens klager is onder andere aangevoerd dat de behandeling niet goed is verlopen omdat de gz-psycholoog te weinig regie heeft genomen.Het college oordeelt als volgt. Op basis van de informatie waarover het college in deze zaak beschikt is de gz-psycholoog te veel op de achtergrond gebleven. Hierdoor heeft de gz-psycholoog niet gezien dat de communicatie tussen de uitvoerend behandelaar en de moeder van klager niet optimaal verliep. Evenmin is door de gz-psycholoog gesignaleerd dat er het eerste jaar van de behandeling geen contact plaatsvond met de school van klager, terwijl de behandeling mede door de school was geïnitieerd. De gz-psycholoog had in haar rol van regiebehandelaar niet de plicht om die afspraken bij te wonen en al helemaal niet om die afspraken te plannen, maar ze had wel moeten zien dat de afspraken niet plaatsvonden en had daarover overleg moeten voeren met de uitvoerend behandelaar. De rest van de klacht wordt ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:279 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7872

    Deels gegronde klacht tegen een orthopedagoog-generalist. Klager, geboren in februari 2007, is na psychische problemen door de overgang van de lagere naar de middelbare school in april 2021 aangemeld bij de organisatie waar de psycholoog werkzaam is. Namens klager is onder andere aangevoerd dat de behandeling niet goed is verlopen omdat de orthopedagoog-generalist te weinig regie heeft genomen.Het college oordeelt als volgt. Op basis van de informatie waarover het college in deze zaak beschikt is de orthopedagoog-generalist te veel op de achtergrond gebleven. Hierdoor heeft de orthopedagoog-generalist niet gezien dat de communicatie tussen de uitvoerend behandelaar en de moeder van klager niet optimaal verliep. Evenmin is door de orthopedagoog-generalist gesignaleerd dat er het eerste jaar van de behandeling geen contact plaatsvond met de school van klager, terwijl de behandeling mede door de school was geïnitieerd. De orthopedagoog-generalist had in haar rol van regiebehandelaar niet de plicht om die afspraken bij te wonen en al helemaal niet om die afspraken te plannen, maar ze had wel moeten zien dat de afspraken niet plaatsvonden en had daarover overleg moeten voeren met de uitvoerend behandelaar. De rest van de klacht wordt ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:210 Raad van Discipline Amsterdam 25-693/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over privégedragingen van verweerder. Aangezien verweerder zijn posts op X heeft geplaatst met een account van zijn advocatenkantoor is er sprake van voldoende aanknopingspunten en een dusdanige verwevenheid met de praktijkuitoefening van verweerder als advocaat om de verweten gedragingen te toetsen aan het tuchtrecht voor advocaten en dus aan de maatstaven zoals genoemd in artikel 46 Advocatenwet. Hoewel verweerder zich in stevige bewoordingen over klaagster heeft uitgelaten op X, heeft verweerder op onderbouwde wijze toegelicht binnen welke context dit is gebeurd en benadrukt dat zijn uitlatingen een reactie zijn op langdurige en aanhoudende berichten van klaagster, die in haar berichten eveneens stevige bewoordingen gebruikt. Weliswaar was beter geweest als verweerder zich zoveel mogelijk had onthouden van reacties op X, maar hiermee zijn de grenzen van het toelaatbare niet overschreden. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:211 Raad van Discipline Amsterdam 25-681/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk niet-ontvankelijk. De klacht over verweerder ziet op gedragingen van verweerder op het moment dat hij nog geen advocaat was. Dit betekent dat het advocatentuchtrecht toen niet op hem van toepassing was.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2025:164 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-637/DB/OB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat in hoedanigheid van deken deels kennelijk niet-ontvankelijk, deels kennelijk ongegrond en raad deels kennelijk onbevoegd. Niet gebleken dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

  • ECLI:NL:TGDKG:2025:116 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/755589 DW RK 24/298 HE/SM

    Klacht ongegrond. De gerechtsdeurwaarder wordt verweten klager en zijn echtgenote te tergen met het bewust laten oplopen van de kosten door het leggen van bankbeslagen op zowel de rekening van klager als die van zijn echtgenote. Ingevolge het huwelijksgoederenregister heeft de gerechtsdeurwaarder niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door beslag te leggen op het inkomen van klager en de bankrekening van de echtgenote. Gesteld noch gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder buiten de beperkingen van de Wet Incassokosten en het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarder is getreden. Van het feit dat de kosten zijn opgelopen, kan de gerechtsdeurwaarder geen verwijt worden gemaakt.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:190 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2504

    Gegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts had dienst op de huisartsenpost. Het dochtertje van klaagster, had hoge koorts. Klaagster nam contact op met de huisartsenpost. De triagiste heeft de huisarts gevraagd om via de beeldbellen te beoordelen of er bij het dochtertje sprake was van sufheid. De huisarts vond dat er sprake was van een ziek meisje, maar dat er geen sprake was van sufheid bij een ernstig ziek kind. De triagiste heeft daarop de urgentie van U3 (er is een reële kans op lichamelijke schade op korte termijn, patiënt binnen enkele uren laten beoordelen) naar U5 (er is geen kans op schade op korte termijn, beoordeling door een arts is niet nodig of kan wachten) gebracht. Het dochtertje is drie dagen later overleden. Klaagster verwijt de huisarts dat hij haar dochtertje niet adequaat heeft beoordeeld en behandeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat dat de beoordeling door de huisarts via beeldbellen, waarbij alleen kortstondig een beeld van het kind te zien is, de informatie die de triagiste in het triagegesprek van klaagster had gekregen en die door de huisarts was gelezen, niet had mogen overrulen. Het kortstondig kijken naar het beeld had er aldus niet toe mogen leiden dat de urgentie werd afgeschaald van U3 naar U5. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond, maar legt de huisarts geen maatregel op.