ECLI:NL:TGZRSHE:2025:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7641

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:135
Datum uitspraak: 26-11-2025
Datum publicatie: 26-11-2025
Zaaknummer(s): H2024/7641
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht met waarschuwing. Verweerder, bedrijfsarts, wordt door werknemer verweten dat verweerder onbevoegd een verzuimconsult heeft gehouden zonder basisovereenkomst tussen de arbodienst en de werkgever van klager. Ook wordt verweerder verweten een onjuiste verklaring en onvoldoende informatie over het type consult (arbeidsomstandigheden- of verzuimconsult) te hebben gegeven. Tot slot wordt verweerder verweten dat hij partijdig was en onvoldoende zorg en een onjuiste behandeling zou hebben gegeven, zonder klager te wijzen op het correctierecht en zonder klager inzage te verlenen in de basisovereenkomst.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 26 november 2025 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager, hierna ook: de werknemer,
gemachtigde: mr. S. Buzhu, werkzaam in Utrecht,

tegen:

[C],
arts arbeid en gezondheid - bedrijfsgeneeskunde,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, werkzaam in Utrecht.


1. De zaak in het kort
1.1   Klager is na een ziekmelding door zijn werkgever (hierna: werkgever) naar de bedrijfsarts 
gestuurd. Na enkele contacten met de bedrijfsarts heeft klager om een second opinion gevraagd. 
Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij niet bevoegd was als bedrijfsarts te handelen en dat hij op 
meerdere punten onzorgvuldig heeft gehandeld.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de bedrijfsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld en legt hem de maatregel van waarschuwing op. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  Het dossier bevat de volgende stukken:
-    het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 september 2024;
-    het verweerschrift met de bijlage, ontvangen op 5 november 2024;
-    het proces-verbaal van het op 17 december 2024 gehouden mondeling vooronderzoek;
-    de brief van 18 december 2024 met de bijlage, ontvangen van de gemachtigde van verweerder;
-    de brief van 9 januari 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerder;
-    de brief van 17 januari 2025 van de secretaris aan de gemachtigden van partijen;
-    bijlage 16, ontvangen op 28 januari 2025 van de gemachtigde van klager,;
-    bijlage 17, een usb-stick met geluidsopname, ontvangen van de gemachtigde van klager op 28 januari 2025;
-    de brief van 29 januari 2025 met de bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van verweerder.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 oktober 2025. De partijen zijn verschenen. 
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten 
mondeling toegelicht. De gemachtigde van de bedrijfsarts heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan 
het college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten
3.1  Op 17 januari 2024 heeft klager zich ziek gemeld bij zijn werkgever.

3.2   Op 20 februari 2024 heeft de werkgever aan klager gemaild (alle citaten voor zover van belang 
en letterlijk weergegeven):
“(…) de bedrijfsarts heeft plek voor een consult op 1 maart (…). Dit is een fysiek gesprek op 
loactie bij de bedrijfsarts. De naam van de bedrijfsarts is (…) [verweerder] (…)”
Verweerder was niet werkzaam bij de vaste arbodienst van de werkgever.

3.3   Op 1 maart 2024 heeft klager zijn eerste consult bij de bedrijfsarts gehad. De bedrijfsarts 
heeft hierover het volgende aan de werkgever en klager bericht in de terugkoppeling:
“(…) [Klager] is momenteel niet in staat om te werken. (…) Mijn advies is een korte periode van 
enkele weken niet te werken en daarna een gesprek te hebben over re- integratie. Tijdens deze 
periode van rust/afstand is het wel goed om regelmatig
contact te hebben tussen werkgever en (…) [klager]. (…)”

3.4   Naar aanleiding van een vraag vanuit de werkgever, heeft de bedrijfsarts op 8 maart 2024 
telefonisch contact gezocht met klager en de volgende terugkoppeling verzonden:
“(…) Werkgever heeft gevraagd of er medische bezwaren zijn tegen mediation om de re-integratie te 
bevorderen. Advies: Er zijn geen medische bezwaren tegen mediation.”

3.5   De bedrijfsarts heeft op 11 maart 2024 opnieuw telefonisch contact gehad met klager en de 
volgende terugkoppeling verzonden:
“(…) Ik heb contact gehad met (….) [klager] en werkgever. Mijn advies is om eerst in gesprek te 
gaan met elkaar zonder derde partij. Werkgever en werknemer zijn daartoe beide bereid. Als dit niet 
leidt tot goede afspraken dan kan alsnog mediation ingezet worden. (…)”

3.6   Op 11 maart 2024 heeft de bedrijfsarts als volgt per e-mail gereageerd op de aanvullende 
vragen van klager:
“(…) [Klager:] “(…) Verder gaf u aan dat mijn werkgever mediation wenst. (…)
[Bedrijfsarts:] De werkgever heeft aangegeven graag mediation in te zetten. Ik heb
u de reden in ons telefoongesprek uitgelegd. (…)
[Klager:] Ik begrijp uw handelen niet: u voegt iets toe aan uw laatste advies op verzoek van uw 
opdrachtgever en mijn werkgever zonder overleg of uitleg. (…)
[Bedrijfsarts:] Ik heb u na het gesprek met werkgever gebeld en meegedeeld dat werkgever graag 
mediation wil inzetten. (…) Werkgever vroeg aan mij of er medische bezwaren zijn tegen mediation. 
Ik heb aangegeven dat die er niet zijn en heb u gebeld om u daarover te informeren.”
[Klager:] “(…) Wat is de reden dat mijn werkgever niet zonder mediation met mij in gesprek wil/kan 
in het kader van re-integratie? En wat heeft mediation met re- integratie te maken (…). Ik ben in 
staat voor mediation en dat het is omdat ik verplicht ben te re-integreren. Hoort mediation bij 
re-integratie (…)? Ik wil (…) uitleg. Anders zal ik een second opinion bij een andere arbo-arts 
vragen.
[Bedrijfsarts:] “U mag uiteraard altijd direct met uw werkgever in gesprek gaan. Ik heb ook in mijn 
advies aangegeven dat het goed is als werkgever en werknemer met elkaar in gesprek blijven. Als er 
barrieres in de re-integratie zijn kan mediation een middel zijn om de re-integratie te 
ondersteunen. (…)”
De bedrijfsarts heeft dezelfde dag aan klager gemaild:
“(…) Zie bijgaand de lijst met bedrijfsartsen waar u een second opinion kunt aanvragen (…)”

3.7   Op 13 maart 2024 heeft de bedrijfsarts telefonisch contact met de werkgever gehad. De 
bedrijfsarts heeft hierover genoteerd in het medisch dossier:
“(…) Tel (…):- geinformeerd over 2nd opinion
B/ advies bedrijf om eerst in gesprek te gaan zonder mediator Afgestemd met HR
(…)”

3.8  Op 23 maart 2024 heef heeft verweerder in het medisch dossier genoteerd:
“2nd opinion in gang gezet”

3.9  In de Probleemanalyse van 29 maart 2024 heeft de bedrijfsarts het volgende genoteerd:
“(…) 6.3 Welke mogelijkheden om te werken heeft de werknemer nog wel?
Advies: een korte periode van enkele weken niet te werken, daarna een gesprek te hebben over 
re-integratie en opbouw in werk
7.1 Welke informatie is verder nog relevant voor de Probleemanalyse?
Er is sprake van een arbeidsconflict. Bedrijfsarts heeft geadviseerd om dit te bespreken tussen 
werkgever en werknemer, en indien zij er samen niet uitkomen om een mediator in te schakelen. 
Werknemer heeft inmiddels een second opinion
aangevraagd omdat hij het niet eens is met het advies van de bedrijfsarts. (…)”

3.10  Op 7 mei 2024 heeft de bedrijfsarts teruggekoppeld aan de werkgever:
“(…) Ondergetekende [de bedrijfsarts] heeft (…) [klager] telefonisch gesproken. De second opinion 
is vertraagd omdat de betreffende second opinion arts (…) [bedrijfsarts C] aangaf geen tijd te 
hebben. Inmiddels is een nieuwe second opinion in gang gezet bij second opinion arts (…) 
[bedrijfsarts B] (…)”
Op dezelfde dag heeft de bedrijfsarts genoteerd:
“(…) Tel. contact: nieuwe 2nd opinion bij (…) [bedrijfsarts B] Betr. wil andere BA, heb aangegeven 
dat ik daar op zich geen bezwaar tegen heb, eerste 2nd opinion procedure afwerken. (…)”

3.11  Op 21 mei 2024 heeft klager aan de bedrijfsarts gemaild:
“(…) Ik wacht nog steeds op (….) een andere bedrijfsarts (…). Tot op heden heb ik echter geen 
oproep ontvangen (…). Daarnaast heb ik van mijn werkgever vernomen dat er een probleemanalyse is 
opgesteld, maar ik heb deze niet ontvangen. Ik wil hierbij aangeven dat ik mij hierin niet kan 
vinden en wil daarom ook echt de nieuwe bedrijfsarts spreken. (…)”

3.12  Op 22 mei 2024 heeft de bedrijfsarts aan klager gemaild:
“(…) Ik heb de aanvraag voor second opinion naar de arts van uw keuze gestuurd
(….) [bedrijfsarts B]. Hij zal u een uitnodiging sturen. Ik zal (…) [bedrijfsarts B] nog een 
reminder sturen (…). Ik heb u per beveiligde mail de Probleemanalyse gestuurd op 29-3 jl. Kennelijk 
heeft u deze niet ontvangen, ik heb de probleemanalyse daarom vandaag nogmaals verstuurd. (…)”

3.13  Dezelfde dag, op 22 mei 2024, heeft de juridisch adviseur van klager het volgende aan de 
bedrijfsarts gemaild:
“(…) Hierbij het (…) verzoek (….) het dossier van cliënt aan een collega arts over te dragen én hem 
op te roepen voor een nieuwe consult op korte termijn. Ten aanzien van de second opinion: deze is 
aangevraagd omdat hij zich niet geheel kon vinden in uw advies inzake de re-integratiemogelijkheden 
op lange termijn. Dit staat los van een nieuw consult om zijn verdere verloop en zijn 
arbeids(on)geschiktheid te
onderzoeken. (…) Voorts wenst (…) [klager] inzage in zijn dossier. Hetgeen betekent dat hij graag 
wil weten wat en wanneer zaken met zijn werkgever zijn besproken in het kader van zijn 
arbeids(on)geschiktheid (...)”

3.14  Op 29 mei 2024 heeft de bedrijfsarts aan de gemachtigde van klager gemaild:
“(…) De second opinion is door mij aangevraagd en (…) [klager] zal een uitnodiging ontvangen van de 
second opinion arts. Overigens heb ik in mijn terugkoppelingen aan werkgever en werknemer (nog) 
geen advies gegeven over de re-
integratiemogelijkheden op lange termijn. (…)”

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1  Volgens klager heeft de bedrijfsarts onjuist gehandeld, omdat hij:
a)   onvoldoende zorg heeft gegeven: tegenstrijdig advies, tegenhouden second opinion;
b)   niet onpartijdig is geweest;
c)   onbevoegd heeft gehandeld als bedrijfsarts;
d)   een onjuiste behandeling heeft gegeven: aansturen op einde dienstverband, belangenverstrengeling;
e)   een onjuiste verklaring/rapport heeft opgesteld: niet gewezen op correctierecht, geen inzage in 
      opdrachtovereenkomst;
f)   onvoldoende informatie heeft gegeven: niet geïnformeerd dat consult op basis van vrijwilligheid was;

4.2  De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Criteria
5.1   De vraag is of de verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Inhoudelijke beoordeling
5.2   De klachtonderdelen lenen zich deels voor gezamenlijke bespreking. Ze zien op de inhoudelijke 
kant van de advisering (klachtonderdelen a), b) en d)) en op het karakter van de contacten 
(klachtonderdelen c), e) en f)). De hoofdvraag bij die laatste klachtonderdelen gaat om welk type 
consult tussen klager en verweerder heeft plaatsgevonden. Allereerst beoordeelt het college het 
type consult dat verweerder heeft gegeven.

Klachtonderdelen c) onbevoegd gehandeld e) een onjuiste verklaring en f) onvoldoende informatie 
consult: Arbeidsomstandighedenconsult of verzuimconsult?
5.3   Een consult in het kader van de arbeidsomstandigheden betreft een vrijwillig contact op 
initiatief van de werknemer. Een consult in het kader van verzuim daarentegen betreft een voor de 
werknemer verplicht contact in opdracht van de werkgever. Dit onderscheid is onder meer van belang 
voor de aard van een (aan werknemer en/of aan werkgever gegeven) advies van de bedrijfsarts en voor 
de vraag welke gegevens de bedrijfsarts aan de werkgever mag terugkoppelen. Bij een consult in het 
kader van de arbeidsomstandigheden geldt de geheimhoudingsverplichting van de bedrijfsarts 
onverkort. Bij een verzuimconsult beoordeelt de bedrijfsarts of er sprake is van medische 
beperkingen voor de bedongen arbeid en mag de bedrijfsarts daarbij noodzakelijke gegevens voor de 
ziekteverzuimbegeleiding aan de werkgever doorgeven. Deze gegevens moeten met de werknemer zijn 
besproken, die het er overigens niet mee eens hoeft te zijn. Gezien de grote verschillen tussen beide consulten is het één van de kerntaken van de bedrijfsarts om bij een consult goed voor ogen te hebben om welk type consult het gaat.

5.4   Tussen partijen staat vast dat de bedrijfsarts het consult heeft gevoerd op aanvraag van de 
werkgever ná de ziekmelding van klager. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat hij op dat moment wist 
dat zowel de bedrijfsarts zelf als het bedrijf waarvoor hij werkzaam was, niet de vaste arbodienst 
waren van de werkgever. Ook wist de bedrijfsarts dat er geen schriftelijke overeenkomst bestond 
waarbij aan hem of aan het bedrijf waarvoor hij werkzaam was de verzuimbegeleiding was opgedragen. 
Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts niet tot het uitvoeren van het verzuimconsult had 
mogen overgaan. Dit wordt in de volgende alinea’s toegelicht.

5.5   De ziekteverzuimbegeleiding door een bedrijfsarts wordt geregeld in de 
Arbeidsomstandighedenwet. Deze wet regelt in artikel 14 dat de werkgever zich bij de begeleiding 
van zieke werknemers verplicht moet laten adviseren door een bedrijfsarts. Artikel 14, vierde lid 
van deze wet geeft aan dat die verzuimbegeleiding gebeurt op basis van een schriftelijke 
overeenkomst. Dit is niet enkel om ervoor te zorgen dat de bedrijfsarts plekken bij de werkgever 
kan betreden, zoals de bedrijfsarts ter zitting aangaf. De schriftelijke overeenkomst biedt ook de 
basis voor de bijzondere positie van de bedrijfsarts. Immers hierdoor zijn de vereisten van de 
geneeskundige behandelingsovereenkomst niet onverkort van toepassing op de verzuimconsulten en 
spreekuren in opdracht van de werkgever. De bedrijfsarts kan daardoor bepaalde informatie delen met 
de werkgever zonder dat daarvoor toestemming van de werknemer nodig is. De schriftelijke 
overeenkomst ontbrak en de bedrijfsarts was daarvan op de hoogte. Daarmee is geen sprake van 
verzuimbegeleiding in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en dient het handelen van de 
bedrijfsarts te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de geneeskundige 
behandelingsovereenkomst.

5.6   Bij klachtonderdeel c) verwijt klager de bedrijfsarts dat hij niet bevoegd was om 
verzuimbegeleiding te geven aan klager. Uit het vorenstaande volgt dat deze klacht gegrond is. De 
bedrijfsarts heeft gehandeld alsof er sprake was van verzuimbegeleiding en heeft daarom klager 
onvoldoende of niet juist geïnformeerd over het type consult.

5.7   Klager verwijt de bedrijfsarts voorts dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn 
inzage- en correctierecht voordat informatie is doorgegeven aan de werkgever. Het college stelt 
hierbij voorop dat bij de door de bedrijfsarts aan de werkgever doorgegeven
informatie geen medische informatie zat. Op grond van de ‘KNMG-code Gegevensverkeer en samenwerking 
bij arbeidsverzuim en re-integratie’ en de ‘Leidraad bedrijfsarts en privacy’ mocht de bedrijfsarts 
de doorgegeven informatie verstrekken indien er sprake was geweest van verzuimbegeleiding. Nu dit 
echter niet het geval was, had de bedrijfsarts toestemming moeten verkrijgen van klager, nadat 
klager in de gelegenheid was gesteld de informatie in te zien en zo nodig gebruik te maken van zijn 
blokkeringsrecht. De klachtonderdelen e) en f) zijn daarmee ook gegrond.

Klachtonderdelen a) onvoldoende zorg, b) partijdig en d) onjuiste behandeling
5.8   De overige klachtonderdelen zien op de inhoudelijke beoordeling en advisering door de 
bedrijfsarts. Het college is van oordeel dat de adviezen die de bedrijfsarts aan klager heeft 
gegeven passend en adequaat zijn. Niet gebleken is dat er sprake is van onvoldoende zorg. Er is 
geen tegenstrijdigheid in de adviezen. Voor zover klager daarmee duidt op het feit dat er in het 
eerste advies een periode van rust/afstand wordt genoemd van vier weken, terwijl er al een week 
later contact met hem wordt opgenomen, ziet het college daarin geen tegenstrijdigheid. Immers 
verweerder noemt op 1 maart 2024: “(…) Mijn advies is een korte periode (…) niet te werken (…). 
Tijdens deze periode van rust/afstand is het wel goed om
regelmatig contact te hebben tussen werkgever en (…) [klager]. (…)”

5.9   Dat de bedrijfsarts partijdig of niet onafhankelijk was, is het college uit het dossier niet 
gebleken. Uit de stukken komt het beeld naar voren van een bedrijfsarts die heeft geprobeerd om 
klager – binnen de kaders van zijn positie als bedrijfsarts – een afgewogen advies te geven. Dat de 
bedrijfsarts aan klager heeft gevraagd of klager nog wilde werken bij de werkgever is daarbij een 
logische en passende vraag. De klachtonderdelen a), b) en d) zijn daarom in zoverre ongegrond.

5.10  Bij klachtonderdeel a) verwijt klager de bedrijfsarts ook dat hij een second opinion heeft 
tegengehouden. Bij het bespreken van dit klachtonderdeel staat voorop dat artikel 14 lid 2 onder g 
van de Arbeidsomstandighedenwet bepaalt:
“tenzij zwaarwegende argumenten zich daartegen verzetten, honoreert de bedrijfsarts een verzoek van 
de werknemer om in verband met een door hem gegeven advies dat betrekking heeft op de taken, 
bedoeld in het eerste lid, onder b en c, zo spoedig mogelijk een andere bedrijfsarts te 
raadplegen.”
Artikel 2.14 d (raadpleging van een andere bedrijfsarts) onder 3, eerste volzin, van het 
Arbeidsomstandighedenbesluit luidt:
“De bedrijfsarts die het eerste advies aan de werknemer heeft gegeven schakelt naar aanleiding van 
een verzoek (…) , en na overleg met de werknemer, zo spoedig mogelijk een andere bedrijfsarts in, 
tenzij zwaarwegende argumenten zich tegen raadpleging van een andere bedrijfsarts verzetten en de 
bedrijfsarts die het eerste advies heeft gegeven deze argumenten gemotiveerd aan de werknemer 
kenbaar
maakt. (…)”
Uit het dossier volgt dat klager op 11 maart 2024 voor het eerst om een second opinion heeft 
gevraagd. Dezelfde dag heeft de bedrijfsarts genoteerd dat hij informatie aan klager heeft 
verstrekt over een second opinion. Vervolgens is er tien dagen later in het dossier genoteerd dat 
de second opinion ook daadwerkelijk is aangevraagd. Gelet op het feit dat de second opinion arts 
[bedrijfsarts C] aangaf geen tijd te hebben, acht het college het tijdsverloop in dit geval niet 
zodanig lang dat daarmee sprake is van een tuchtrechtelijk verwijt. Weliswaar volgt uit het dossier 
ook dat het daadwerkelijk tot stand komen van contact met een andere bedrijfsarts nog geruime tijd 
op zich heeft laten wachten, maar niet is gebleken dat dit de bedrijfsarts te verwijten valt. 
Klachtonderdeel a) is ook wat dit betreft ongegrond.

Slotsom
5.11  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen c), e) en f) gegrond zijn en de 
andere klachtonderdelen ongegrond.

Maatregel
5.12  Nu de klacht deels gegrond is dient het college te overwegen of en zo ja welke maatregel 
passend is. Daarbij neemt het college als uitgangspunt dat de bedrijfsarts een bijzondere positie 
kent in een kwetsbaar krachtenveld tussen werkgever en werknemer. De Arbeidsomstandighedenwetgeving 
biedt de bedrijfsarts daarin de waarborgen om die bijzondere positie veilig en adequaat te 
vervullen. Daarbij is van groot belang dat aan de voorwaarden van die wetgeving is voldaan. In dit 
geval wist de bedrijfsarts dat aan die voorwaarden niet was voldaan. De bedrijfsarts heeft daarin 
geen aanleiding gezien aan te dringen op verduidelijking van zijn positie voorafgaand aan het 
consult. Daarnaast heeft de bedrijfsarts de onduidelijkheden ook niet ter sprake gebracht tijdens 
het consult. Het laten voortbestaan van de onduidelijkheid kan hem dan ook verweten worden. Het 
college slaat er ook acht op dat de bedrijfsarts ter zitting nadrukkelijk heeft aangegeven dat dit 
een bijzondere situatie was en dat de werkwijzen binnen de organisatie zodanig zijn aangepast dat 
deze situatie zich niet nog eens zal voordoen. De bedrijfsarts heeft blijk gegeven geleerd te 
hebben van het voorgevallene. Het college is dan ook van oordeel dat de maatregel van een 
waarschuwing hier op zijn plaats is.

Publicatie
5.13  In het algemeen belang zal deze beslissing ter publicatie worden aangeboden aan Medisch 
Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere bedrijfsartsen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal 
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6.  De beslissing
Het college:
-    verklaart klachtonderdeel c), e) en f) gegrond;
-    legt de bedrijfsarts de maatregel op van waarschuwing;
-    verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-    bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact en het Tijdschrift voor 
Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde.


Deze beslissing is gegeven door A.H.M.J.F. Piëtte, voorzitter, R.T. Hermans, lid-jurist,
E. Gorissen, P.E. Rodenburg en R.P.J. Ansem, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 26 november 2025.