ECLI:NL:TGZCTG:2026:45 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3022 Verzet
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:45 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-03-2026 |
| Datum publicatie: | 16-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/3022 Verzet |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft een klacht ingediend tegen de specialist ouderengeneeskunde bij wie zijn zus vanaf 2021 tot haar overlijden onder behandeling en in zorg was. Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde dat zij een verkeerde diagnose heeft gesteld en daardoor verkeerde medicatie heeft toegediend. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat klager niet behoort tot de kring van klachtgerechtigden zoals bedoeld in artikel 65 lid 1 van de Wet BIG, zodat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht. Klager heeft beroep ingesteld tegen die beslissing. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep van klager afgewezen. Klager heeft vervolgens verzet ingesteld tegen die beslissing. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich volledig aan bij de beslissing van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege en verklaart het verzet van klager ongegrond. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3022 (verzet) van:
A., wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C. specialist ouderengeneeskunde,
destijds werkzaam te D.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de specialist ouderengeneeskunde,
gemachtigden: mr. L Bartelsman en mr. S.A.H. Rosendahl, werkzaam te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
1.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen de specialist ouderengeneeskunde
bij wie zijn zus vanaf 2021 tot haar overlijden onder behandeling en in zorg was.
Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde dat zij een verkeerde diagnose heeft
gesteld en daardoor verkeerde medicatie heeft toegediend.
1.2 De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft bij beslissing
van
7 oktober 2025 (zaaknummer A2025/8398, (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:242) geoordeeld dat klager niet behoort tot de kring van klachtgerechtigden zoals bedoeld
in artikel 65 lid 1 van het Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet
BIG), zodat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht. Klager heeft beroep
ingesteld tegen die beslissing.
1.3 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 8 januari 2026 (ECLI:NL:TGZCTG:2026:17) het beroep van klager afgewezen. Klager heeft verzet ingesteld tegen die beslissing.
1.4 Het verzet is op de zitting van 23 februari 2026 behandeld. Daar waren klager en de specialist ouderengeneeskunde aanwezig, laatstgenoemde bijgestaan door mr. S.A.H. Rosendahl en mr. L Bartelsman. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van mr. Rosendahl zijn aan het dossier toegevoegd.
2. Beoordeling van het verzet
2.1 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft in de beslissing van 8 januari 2026 het beroep van klager afgewezen. De voorzitter heeft hierover overwogen:
“3.1 Ook de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege moet eerst beoordelen of klager
in zijn klacht kan worden ontvangen. Bij die beoordeling geldt als uitgangspunt dat
het recht van een nabestaande om een klacht in te dienen over de behandeling van een
overleden familielid niet een eigen klachtrecht is, maar een klachtrecht dat is afgeleid
van de in het algemeen veronderstelde wil van het overleden familielid. In beginsel
geldt dat de nabestaande geacht wordt de wil van de overleden patiënt te vertegenwoordigen,
tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven daaraan te
twijfelen.
3.2 De voorzitter stelt voorop dat zij begrijpt dat de situatie met betrekking
tot zijn zus erg belastend en verdrietig is (geweest) voor klager.
De voorzitter is echter net als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van
oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om eraan
te twijfelen dat klager met het indienen van deze klacht de wil van de overleden patiënte
vertegenwoordigt.
3.3 Uit de door klager overgelegde beschikking van de rechtbank Amsterdam van
16 juni 2021 blijkt dat patiënte zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling
van haar zaak tegen de kantonrechter heeft gezegd dat zij alle vertrouwen heeft in
haar broer (klager) maar dat zij niet wil dat hij wordt benoemd tot haar bewindvoerder
en mentor. In juni 2021 is daarom op verzoek van patiënte een onafhankelijke bewindvoerder
en mentor benoemd.
Daarnaast heeft klager een verklaring van 23 april 2021 van patiënte overgelegd
waarin zij onweersproken verzoekt om ‘een onafhankelijke bewindsman die mijn financiële
belangen gaat behartigen. Geen vertrouwen meer in mijn welzijn door mijn broer E’.
3.4 Klager voert in beroep aan dat hij zijn zus al zijn hele leven lang kent
en als executeur testamentair is benoemd. Haar wil is hem volstrekt bekend. Klager
verwijst verder naar indicatiebesluiten Wlz en Wzd d.d. 21 maart 2021 waaruit zou
blijken dat zijn zus wilsonbekwaam zou zijn. De voorzitter overweegt dat uit het dossier
blijkt dat de kantonrechter patiënte in aanwezigheid van klager op 4 juni 2021 zelf
heeft gesproken en heeft geoordeeld dat hij haar voor wat betreft haar wens om een
onafhankelijke mentor en bewindvoerder wilsbekwaam achtte.
De voorzitter concludeert hieruit dat patiënte aan het begin van haar behandeling
ondubbelzinnig heeft verklaard dat zij niet meer wilde dat klager haar vertegenwoordigde.
Uit het dossier is verder niet aannemelijk geworden dat patiënte haar mening op dit
punt later heeft herzien.
3.5 Dit leidt tot de conclusie dat de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege
terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de klager niet tot de kring van klachtgerechtigden
zoals bedoeld in artikel 65 lid 1 van de Wet BIG behoort en daarom kennelijk niet-ontvankelijk
in de klacht is. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege neemt dit oordeel en
de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen over.
3.6 Naar aanleiding van de aanvullende stukken van 17 november 2025 en 26 november
2025 merkt de voorzitter nog dat zij, net als de officier van justitie, in het dossier
geen aanknopingspunten ziet voor enige verdenking jegens de specialist ouderengeneeskunde
van enig strafbaar feit. Net als de officier van justitie heeft de voorzitter begrip
voor het feit dat de situatie met betrekking tot zijn zus erg vervelend is (geweest)
en geeft zij klager in overweging om deze zaak achter hem te laten.
3.7 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is op basis van het bovenstaande
van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan de beslissing
van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van 7 oktober 2025. Zij zal het beroep
daarom afwijzen.”
2.2 Klager is het niet eens met deze beslissing. Hij meent dat hij wel degelijk klachtgerechtigd is. De specialist ouderengeneeskunde kan zich vinden in de beslissing van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege en verzoekt om het verzet van klager ongegrond te verklaren.
2.3 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de behandeling van de zaak in verzet geen ander licht op de zaak heeft geworpen. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen en het oordeel van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over.
2.4 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het verzet van klager ongegrond is.
3. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart het verzet van klager ongegrond.
Deze beslissing is genomen door R.C.A.M. Philippart, voorzitter, J.M.T. van der Hoeven-Oud
en
T. Dompeling, leden-juristen, en E.R.M. de Haas en B. Velstra, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door N. Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 16 maart 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.