ECLI:NL:TGZCTG:2026:17 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3022 VZ
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:17 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 19-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/3022 VZ |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | . |
D E V O O R Z I T T E R V A N H E T C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3022 van:
A.,
wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., specialist ouderengeneeskunde,
destijds werkzaam te D.,
verweerster in beide instanties,
gemachtigden: mr. L. Bartelsman en mr. S.A.H. Rosendahl, werkzaam te Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen de specialist ouderengeneeskunde
bij wie zijn zus vanaf 2021 tot haar overlijden onder behandeling en in zorg was.
De specialist ouderengeneeskunde was betrokken bij de opname en de zorg van de zus
van klager op een geriatrische revalidatieafdeling. Aan het begin van de opname is
na een multidisciplinair overleg besloten een neuropsychologisch onderzoek te laten
uitvoeren. De specialist ouderengeneeskunde en de betrokken psycholoog hebben in een
voortgangsgesprek de diagnose en het plaatsingsadvies aan klager en zijn zus medegedeeld
en nader toegelicht. Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde dat zij een verkeerde
diagnose heeft gesteld en dat zij daardoor verkeerde medicatie heeft toegediend.
1.2 De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam heeft overwogen dat klager niet behoort tot de kring van klachtgerechtigden zoals bedoeld in artikel 65 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Daarom is de voorzitter van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is het daarmee eens. Zij is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep afwijzen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter van het
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 7 oktober 2025 met
nummer A2025/8398 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:242).
2.2 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier
in eerste aanleg, het beroepschrift (met bijlagen) van 16 oktober 2025, en de aanvullende
stukken van klager die door het Centraal Tuchtcollege op 11 november 2025, 17 november
2025 en op
26 november 2025 zijn ontvangen.
3. De beoordeling van het beroep
3.1 Ook de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege moet eerst beoordelen of
klager in zijn klacht kan worden ontvangen. Bij die beoordeling geldt als uitgangspunt
dat het recht van een nabestaande om een klacht in te dienen over de behandeling van
een overleden familielid niet een eigen klachtrecht is, maar een klachtrecht dat is
afgeleid van de in het algemeen veronderstelde wil van het overleden familielid. In
beginsel geldt dat de nabestaande geacht wordt de wil van de overleden patiënt te
vertegenwoordigen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding
geven daaraan te twijfelen.
3.2 De voorzitter stelt voorop dat zij begrijpt dat de situatie met betrekking
tot zijn zus erg belastend en verdrietig is (geweest) voor klager.
De voorzitter is echter net als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van
oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om eraan
te twijfelen dat klager met het indienen van deze klacht de wil van de overleden patiënte
vertegenwoordigt.
3.3 Uit de door klager overgelegde beschikking van de rechtbank Amsterdam van 16
juni 2021 blijkt dat patiënte zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling
van haar zaak tegen de kantonrechter heeft gezegd dat zij alle vertrouwen heeft in
haar broer (klager) maar dat zij niet wil dat hij wordt benoemd tot haar bewindvoerder
en mentor. In juni 2021 is daarom op verzoek van patiënte een onafhankelijke bewindvoerder
en mentor benoemd.
Daarnaast heeft klager een verklaring van 23 april 2021 van patiënte overgelegd
waarin zij onweersproken verzoekt om ‘een onafhankelijke bewindsman die mijn financiële
belangen gaat behartigen. Geen vertrouwen meer in mijn welzijn door mijn broer E’.
3.4 Klager voert in beroep aan dat hij zijn zus al zijn hele leven lang kent en
als executeur testamentair is benoemd. Haar wil is hem volstrekt bekend. Klager verwijst
verder naar indicatiebesluiten Wlz en Wzd d.d. 21 maart 2021 waaruit zou blijken dat
zijn zus wilsonbekwaam zou zijn. De voorzitter overweegt dat uit het dossier blijkt
dat de kantonrechter patiënte in aanwezigheid van klager op 4 juni 2021 zelf heeft
gesproken en heeft geoordeeld dat hij haar voor wat betreft haar wens om een onafhankelijke
mentor en bewindvoerder wilsbekwaam achtte.
De voorzitter concludeert hieruit dat patiënte aan het begin van haar behandeling
ondubbelzinnig heeft verklaard dat zij niet meer wilde dat klager haar vertegenwoordigde.
Uit het dossier is verder niet aannemelijk geworden dat patiënte haar mening op dit
punt later heeft herzien.
3.5 Dit leidt tot de conclusie dat de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de klager niet tot de kring van klachtgerechtigden zoals bedoeld in artikel 65 lid 1 van de Wet BIG behoort en daarom kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht is. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege neemt dit oordeel en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen over.
3.6 Naar aanleiding van de aanvullende stukken van 17 november 2025 en 26 november 2025 merkt de voorzitter nog dat zij, net als de officier van justitie, in het dossier geen aanknopingspunten ziet voor enige verdenking jegens de specialist ouderengeneeskunde van enig strafbaar feit. Net als de officier van justitie heeft de voorzitter begrip voor het feit dat de situatie met betrekking tot zijn zus erg vervelend is (geweest) en geeft zij klager in overweging om deze zaak achter hem te laten.
3.7 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is op basis van het bovenstaande van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege van 7 oktober 2025. Zij zal het beroep daarom afwijzen.
4. Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
wijst het beroep af.
Aldus gewezen op 8 januari 2026 en ondertekend door Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan
door
E. van der Linde, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het
afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.