Zoekresultaten 2821-2830 van de 15454 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:148 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4122

    Ongegronde klacht tegen een arts. De arts heeft als gemeentelijk lijkschouwer na een lijkschouwing een verklaring van overlijden afgegeven, omdat hij ervan overtuigd was dat de dood was ingetreden door een natuurlijke oorzaak. Volgens klaagster was sprake van zodanig verdachte omstandigheden dat de arts deze overtuiging niet had mogen krijgen en daarom de verklaring niet had mogen afgeven. Het college overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid dat klaagster gelet op de zeer nauwe vriendschapsband die zij met de overledene had zij, gelet op de afwezigheid van andere, meer aangewezen personen, geacht kan worden de veronderstelde wil van de overledene in het verband van deze klacht te vertegenwoordigen.Voor de inhoudelijke behoordeling heeft het college van de arts de beschikking gekregen over onder andere het schouwverslag, waarbij hij verzocht heeft te bepalen dat het kennisnemen van deze stukken niet zou worden toegestaan aan klaagster (art. 67 lid 3 Wet BIG). De voorzitter heeft dit verzoek gehonoreerd.Het college stelt vast dat de arts bij zijn onderzoek overwegend de in de Richtlijn Lijkschouw van het Forensisch Medisch Genootschap voorgeschreven werkwijze heeft gevolgd. De conclusie van de arts in het schouwverslag dat hij overtuigd is van een natuurlijke doodsoorzaak is begrijpelijk gemotiveerd en voldoende onderbouwd. Wat de vermoedelijke doodsoorzaak betreft overweegt het college dat een schouwarts, als hij ervan overtuigd is dat de dood door een natuurlijke oorzaak is ingetreden, op grond van de uitwendige kenmerken van het lichaam een inschatting moet maken van de meest waarschijnlijke doodsoorzaak. Daar zit naar zijn aard onzekerheid in. Als achteraf sprake blijkt te zijn van een andere oorzaak, dan is het niet per definitie tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de schouwarts eerst tot een andere conclusie is gekomen. Dat is alleen het geval als het onderzoek waarop de betreffende conclusie berust onzorgvuldig is geweest of als de conclusie niet op grond van de bevindingen had kunnen worden getrokken. Dat is hier niet het geval. De conclusie is dat de arts niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de verklaring van overlijden af te geven. Het college verklaart de klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:149 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4901

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klager verwijt de huisarts dat hij een antipsychoticum (quetiapine) heeft voorgeschreven, terwijl klager een slaapmiddel wilde hebben. Daarbij heeft de huisarts volgens klager geen, of onvoldoende, informatie gegeven over de risico’s van deze medicatie en over eventuele alternatieven. Ook verwijt klager de huisarts dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden. Het college stelt vast dat de huisarts een herhaalvoorschrift voor quetiapine heeft geaccordeerd. Het college is van oordeel dat het niet onzorgvuldig is geweest dat de huisarts dit heeft gedaan, gelet op de doorverwijzing naar de gespecialiseerde GGZ voor advies over de (slaap)medicatie, het beschreven gedrag van klager, de lage dosering van de voorgeschreven quetiapine en het feit dat er geen sprake was van een allergie of intolerantie voor deze medicatie. Omdat het hier gaat om een herhaalvoorschrift was er geen noodzaak voor de huisarts om contact op te nemen met klager om uitleg en advies te geven over deze medicatie. De huisarts mocht ervan uitgaan dat klager over de risico’s en bijwerkingen van de medicatie was voorgelicht door de zorgverlener die deze medicatie had voorgeschreven. Het college overweegt dat in de stukken geen aanwijzingen te vinden zijn die de stelling van klager dat de huisarts zijn beroepsgeheim heeft geschonden onderbouwen. De klacht is ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:150 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4902

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klager verwijt de huisarts dat zij hem een antipsychoticum heeft voorgeschreven en daarbij geen, of onvoldoende, informatie heeft gegeven over de risico’s van deze medicatie en over eventuele alternatieven. De huisarts bevestigt dat zij off label quetiapine heeft voorgeschreven. De huisarts stelt dat zij dit weloverwogen en in overleg met klager heeft gedaan. Het college overweegt dat over het off-label voorschrijven van quetiapine als slaapmiddel veel artikelen en onderzoeken zijn verschenen, met wisselende uitkomsten. De algemene conclusie is dat quetiapine beter niet off-label gebruikt kan worden als slaapmiddel, gezien de geringe effectiviteit bij zogenoemde primaire slaapstoornissen en de kans op bijwerkingen. De richtlijn ‘Slaapproblemen en slaapmiddelen’ van het NHG raadt daarom het voorschrijven van quetiapine bij slaapproblemen af. Naar het oordeel van het college was bij klager echter geen sprake van een zogeheten primaire slaapstoornis, waar de genoemde richtlijn op ziet. Bij hem was sprake van multiproblematiek, op het gebied van geestelijk en sociaal maatschappelijk functioneren, en het is aannemelijk dat zijn slaapproblemen in ieder geval mede daardoor veroorzaakt worden. Dat de huisarts in afwijking van de richtlijn toch quetiapine heeft voorgeschreven, betekent dan ook niet dat zij per definitie onzorgvuldig heeft gehandeld. In de praktijk van de huisarts wordt quetiapine bovendien veelvuldig voorgeschreven, vanwege de bij haar specifieke patiëntenpopulatie veel voorkomende (post)verslavingsproblematiek. Zij heeft dus ruime ervaring met dit middel. Door de huisarts is goed gemotiveerd waarom zij voor dit off-label voorschrijven van quetiapine aan klager heeft gekozen. Het college kan de redenering en handelwijze van de huisarts in dit geval volgen en is alles afwegend van oordeel dat de huisarts voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:29 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/4431

    Nieuwe klacht tegen verzekeringsarts. Eerdere klacht was deels gegrond. Beslissing bekrachtigd door CTG. Klager verwijt verzekeringsarts nu dat zij in procedure bij CTG in strijd met de waarheid heeft verklaard. De nieuwe klacht is ontvankelijk, maar ongegrond. Klager heeft wederom klacht tegen de verzekeringsarts aangekondigd. College overweegt dat klager er rekening mee moet houden dat volgende klacht wegens misbruik van klachtrecht niet in behandeling wordt genomen.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:27 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/4602

    Klacht tegen bedrijfsarts gedeeltelijk gegrond zover die betrekking heeft op niet naleven van privacywetgeving. Volgens artikel 15e van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabpvz) had bedrijfsarts logging moeten bijhouden en desgevraagd aan klager afschrift van loggegevens verstrekken. Op grond van artikel 15d Wabpvz moet het medisch dossier desgevraagd op elektronische wijze beveiligd worden verstrekt. Geen maatregel.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:28 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3402

    Bedrijfsarts heeft klager begeleid van augustus t/m december 2017 (na ongeval) en van september 2018 t/m mei 2019, waarna begeleiding door andere bedrijfsarts overgenomen. Klachten onder meer over dossiervoering en vermeend causaal verband tussen ongeval en arbeidsongeschiktheid vanaf september 2018. Klacht deels gegrond. Dossiervoering niet altijd even accuraat en correct, waardoor misverstanden konden ontstaan en de indruk is gewekt dat bedrijfsarts klachten en beperkingen niet volledig serieus nam. Waarschuwing

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:99 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1405

    Klacht tegen longarts. Klager heeft zich in oktober 2016 met klachten van kortademigheid gemeld bij de SEH van het ziekenhuis waar de longarts werkzaam is. Klager is toen opgenomen voor verder onderzoek en ondersteuning van de ademhaling. Uiteindelijk is geconstateerd dat het middenrif van klager aan beide zijden te hoog stond, maar daar is geen verklaring of oorzaak van gevonden. Eind oktober 2016 is klager naar huis ontslagen. Het advies bij ontslag was om een mogelijk spontaan herstel af te wachten en ondertussen thuis behandeld te worden met ademhalingsondersteuning on der leiding van het Centrum voor Thuisbeademing (CTB). Eind januari 2017 is klager door de behandelend longarts verwezen voor een second opinion en in april 2017 naar een diafragma chirurg om te onderzoeken of operatief ingrijpen mogelijk en wenselijk was. In februari 2019 is klager in Turkije geopereerd aan de rechterzijde van het middenrif. Klager wordt nog steeds door het CTB behandeld en poliklinisch gevolgd. Klager verwijt de longarts dat zij tekort is geschoten in de behandelovereenkomst met klager, dat er een verkeerde diagnose is gesteld en dat er in vervolg daarop een verkeerd behandelbeleid is ingesteld. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:101 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1442

    Klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde. De klacht is ingediend door de echtgenote van patiënt. De echtgenoot van klaagster woonde sinds begin 2020 in het verpleeghuis waar de specialist ouderengeneeskunde werkzaam is. De patiënt is in het najaar van 2020 positief getest op het Covid-19-virus en is kort daarna overleden. Klaagster verwijt de specialist ouderengeneeskunde dat hij, klaagster en haar zonen slecht bejegend heeft en niet serieus heeft genomen, klaagster en haar zonen het afscheid nemen van de patiënt heeft ontnomen, onvoldoende informatie heeft gegeven over de behandelopties en het te voeren beleid, zich niet aan afspraken heeft gehouden, als eindverantwoordelijke niet heeft voorkomen dat de patiënt slecht werd verzorgd, als eindverantwoordelijke het heeft laten gebeuren dat er geen ambulance werd gebeld terwijl dit noodzakelijk was, geen adequate leiding heeft gegeven aan het verplegend en verzorgend personeel, en dat hij zonder toestemming palliatief beleid heeft ingezet. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt die beslissing voor zover de klacht over het verstrekken van informatie ongegrond is verklaard, verklaart dat klachtonderdeel alsnog gegrond en ziet af van het opleggen van een maatregel. Voor het overige verwerpt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:102 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1491

    Klacht tegen specialist ouderengeneeskunde. Klagers zijn de broer en de zus van patiënte. Klaagster was ten tijde van het indienen van de klacht de curator van patiënte. Halverwege juli 2019 is patiënte komen wonen in een woonzorgcentrum, waar de specialist ouderengeneeskunde werkzaam is. De specialist ouderen geneeskunde is betrokken bij de behandeling van patiënte. Klagers verwijten de specialist ouderengeneeskunde dat 1. zij patiënte te veel pijnstilling toediende, 2. onvoldoende algemene zorg is verleend volgens de indicatie van het CIZ, 3. onvoldoende is gecommuniceerd met de curator en de contactpersoon, 4. onvoldoende inzage/kopie van het medisch dossier is geboden, 5. adviezen van beroepsgenoten zijn genegeerd en 6. algemene fouten en slordigheden zijn gemaakt, met name op het gebied van controle. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klagers kennelijk niet-ontvankelijk in hun klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep, voor zover dit is ingediend door klager, verklaart klaagster alsnog ontvankelijk in haar klacht en doet de klacht zelf af (ongegrond).

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:103 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1760

    Klacht tegen arts, destijds in opleiding tot cardioloog. Klager heeft in het verleden een hartinfarct gehad en heeft sindsdien veel cardiologische problemen ervaren. Klager werd in 2019 binnengebracht op de Eerste Hart Hulp in verband met een te snel hartritme en een relatief lage bloeddruk. Een elektrocardioversie (ECV) was geïndiceerd, maar kon op dat moment niet direct worden uitgevoerd, omdat klager niet nuchter was. Op een bepaald moment verslechterde de toestand van klager en moest er acuut worden ingegrepen. De kern van de klacht is dat hij eerder behandeld had moeten worden. Klager verwijt de arts meer specifiek - onder meer - dat hij heeft nagelaten om klager met spoed op de PACU op te nemen en de elektrocardioversie te starten en dat hij geen adequate zorg heeft verleend. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.