Zoekresultaten 10441-10450 van de 48197 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:105 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3834

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een internist. Klagers zijn de nabestaanden van hun (schoon)moeder (patiënte) die enkele dagen na een niertransplantatie is overleden. De door klagers aangedragen te hoge kaliumwaarde komt niet vast te staan en wijst op een vergissing. Het college komt verder tot de conclusie dat de internist na constatering van een ontbrekende labuitslag meteen nieuw onderzoek heeft ingezet. Na ontvangst van de labuitslag was sprake van een normale kaliumwaarde en hoefde van de internist geen verdere handelingen meer te worden verwacht. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:106 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3833

    Deels gegronde klacht tegen een internist. Klagers zijn de nabestaanden van hun (schoon)moeder (patiënte), die enkele dagen na een niertransplantatie is overleden. Het college acht de keuze van de internist om bij een verhoogde kaliumwaarde niet meteen te behandelen verdedigbaar, gelet op de risicoafweging die de internist heeft gemaakt. Het valt de internist wel te verwijten dat hij daarna de te hoge uitslag van de kaliumwaarde niet heeft gezien. Het college heeft geen bedenkingen bij het beleid ten aanzien van trombose/acute tubululs necrose. Het college is verder van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de conditie van patiënte zo zorgwekkend was dat de internist rekening had moeten houden met de mogelijkheid van overlijden van patiënte op korte termijn en dat hij dit met klagers had moeten bespreken. Klacht deels gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:107 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3864

    Ongegronde klacht tegen een mdl-arts. Klaagster verwijt de mdl-arts dat hij de gastroscopie zonder roesje, tegen haar wil en ruw heeft uitgevoerd. De lezingen over wat er precies is gebeurd lopen uiteen. Het college acht het aannemelijk dat de mdl-arts klaagster een roesje (midazolam en fentanyl) heeft gegeven. Ter zitting heeft verweerder uitgelegd dat het soms kan gebeuren dat een patiënt een andere beleving van de werkelijkheid heeft als onbedoeld gevolg van de toegediende medicatie (midazolam) en dat kan de verklaring zijn voor de nare beleving van klaagster van het onderzoek. Het college kan bevestigen dat als bijwerkingen van midazolam – naast andere bijwerkingen – abnormale dromen, hallucinaties en wanen kunnen optreden, vooral bij kinderen en ouderen (zie Farmacotherapeutisch Kompas). Mede gelet op de verklaringen van de beide verpleegkundigen die bij de gastroscopie aanwezig waren, vindt het college het aannemelijk dat deze bijwerkingen zich ook bij klaagster hebben voorgedaan. Geen aanwijzingen voor ruw handelen. Klacht ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:134 Raad van Discipline Amsterdam 22-450/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat deels kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een eigen belang en deels kennelijk ongegrond. Klager heeft niet onderbouwd dat verweerder fouten heeft gemaakt bij de behandeling van klagers zaak, niet voortvarend heeft gehandeld, dat klager verweerder steeds om informatie heeft moeten vragen en meerdere keren heeft moeten wijzen op het feit dat hij verzuimde om klager stukken toe te sturen

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:141 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-255/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing. Verweerder heeft genoegzaam toegelicht waarom tussen de afgifte van de toevoeging en de betekening van de dagvaarding namens klager enkele maanden heeft gezeten. Een advocaat mag wachten op betaling van de eigen bijdrage. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:135 Raad van Discipline Amsterdam 21-830/A/A 21-831/A/A

    Deels gegronde klacht en gegrond dekenbezwaar. Het valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten dat hij klaagster rauwelijks heeft gedagvaard, de terechte vragen van klaagster over de facturen niet heeft beantwoord en een factuur die gericht had moeten zijn aan klaagster aan de heer De B heeft gericht. Met dit laatste heeft verweerder de kernwaarde integriteit geschonden. Berisping en kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3677

    Klager is de vader van de, ten tijde van de indiening van de klacht, 17-jarige zoon. Klager heeft aangegeven dat de zoon niet op de hoogte was van de inhoud van de klacht, dat hij de inhoud van de klacht niet heeft gelezen en erg beïnvloedbaar is. Eveneens is de zoon niet ter zitting verschenen. Uit artikel 7:447 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat de minderjarige patiënt die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, zelf bevoegd is een klacht in te dienen. Hiermee is de bevoegdheid van de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige om als zodanig te klagen, vervallen. Nu eveneens niet is gebleken dat klager als gemachtigde van de zoon is opgetreden, omdat de zoon niet op de hoogte was van de inhoud van de klacht en het college bovendien niet is gebleken dat de zoon zelf klachten had over het optreden van beklaagde kan klager niet als rechtstreeks belanghebbende, noch als gemachtigde van de zoon worden beschouwd. Op grond hiervan verklaart het college klager niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:136 Raad van Discipline Amsterdam 21-854/A/A

    Ongegrond verzet

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:101 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3457

    Klager, geboren in 1985, neemt op zondag (18 juli 2021) telefonisch contact op met de huisartsenpost vanwege pijn in de linkerarm en een drukkend gevoel op de borst. Hij geeft aan de telefoniste aan dat hij rookt en dat zijn vader hartpatiënt is en dat hij het aan hem voorgeschreven medicijn Crestor sinds lange tijd niet meer gebruikt. Klager wordt binnen een uur op de huisartsenpost gezien door beklaagde. Tijdens dit consult geeft klager desgevraagd aan dat hij geen last meer heeft van een drukkend gevoel op zijn borst, benauwdheid of hartkloppingen. Beklaagde heeft klager vervolgens een anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek verricht. Op basis hiervan heeft beklaagde, mede gelet op de relatief jonge leeftijd van klager, de klachten geduid als laterale epicondylitis (tennisarm).Omdat beklaagde had begrepen dat klager geen eigen huisarts had heeft ze hem geadviseerd om de volgende dag via de Dagwaarneming een huisarts te zoeken in verband met zijn voorgeschiedenis en het feit dat hij rookt. Deze huisarts zou dan eveneens het medicijn Crestor weer kunnen voorschrijven.Op dinsdag 20 juli 2021 is klager naar zijn eigen huisarts gegaan die hij wel bleek te hebben. Er is onderzoek verricht en naar aanleiding van de uitslagen van deze onderzoeken is klager op donderdag 22 juli 2021 met spoed in het ziekenhuis opgenomen. Er is een stent geplaatst in de linker kransslagader.Klager verwijt beklaagde dat zij zijn klachten niet serieus heeft genomen, een verkeerde diagnose heeft gesteld, het medicijn Crestor niet heeft voorgeschreven en hem niet direct heeft doorverwezen naar de cardioloog. Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:130 Raad van Discipline Amsterdam 21-1009/A/A 21-1010/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over verweerders die als advocaten een feitenonderzoek hebben verricht en bijbehorend rapport hebben opgesteld is niet-ontvankelijk. Klager had het betreffende rapport van 23 november 2014 sinds oktober 2015 in zijn bezit. In oktober 2015 had klager op basis van de informatie waarover hij via zijn toenmalige advocaat beschikte in combinatie met de inhoud van het rapport al kunnen beoordelen of verweerders volgens hem als onafhankelijk onderzoekers zijn opgetreden bij het opstellen van het rapport, of verweerders in dat rapport een verkeerd beeld van de gang van zaken hadden geschetst, of verweerders hem in het kader van hun onderzoek niet hadden gehoord en of verweerders onjuistheden/onvolledigheden in het rapport hadden vermeld. Dat klager nog geen juridische duiding aan het rapport kon geven, doet daar niet aan af. De informatie waar klager later, in 2018 en 2019, nog kennis van heeft genomen, was niet noodzakelijk om in oktober 2015 een klacht over verweerders te kunnen formuleren. Klager had zijn klacht over het handelen dan wel nalaten van verweerders dan ook uiterlijk in oktober 2018 bij de deken moeten indienen. Klager heeft hiermee echter gewacht tot 22 mei 2019 en toen was de vervaltermijn van drie jaar als bedoeld in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet al verlopen. De uitzonderingsgrond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet is hier niet van toepassing en het is ook overigens niet gebleken dat sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) zou kunnen worden geacht.