Zoekresultaten 1341-1350 van de 3036 resultaten

  • ECLI:NL:TNORSHE:2017:9 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/50

    Klacht over het opstellen van een testament van erflater en de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Klacht deels gegrond. Op de notaris rust een zwaarwegende zorgplicht om al datgene te verrichten wat nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen die zijn beoogd met de rechtshandeling. De wensen van een testateur dienen te worden geïnventariseerd en overeenkomstig de bedoeling dient een uiterste wilsbeschikking te worden geredigeerd. Het is daarbij aan de notaris om de testateur te wijzen op de gevolgen van de wijze waarop diens laatste wil in een uiterste wilsbeschikking wordt vastgelegd. Mede gelet op het vertrouwen dat de deelnemers aan het rechtsverkeer moeten kunnen stellen in een notariële akte, geldt deze verplichting jegens alle belanghebbenden - waaronder klaagster - en niet slechts jegens de partijen bij de in de notariële akte opgenomen rechtshandelingen. Deze zwaarwegende zorgplicht brengt naar het oordeel van de kamer mee dat de notaris in het onderhavige geval zich een globaal beeld van de financiële situatie van erflater had dienen te vormen, opdat hij erflater de mogelijke gevolgen had kunnen voorhouden van de door erflater beoogde wijziging in de erfstelling. De kamer stelt voorop dat een executeur verantwoordelijk is voor de afwikkeling van de nalatenschap. Nu de notaris op de hoogte was de executeursbenoeming had het op de weg van de notaris gelegen om nadat klaagster telefonisch had meegedeeld dat erflater was overleden voortvarender te werk te gaan en een actievere rol aan te nemen. Deze regiefunctie brengt tevens mee dat het op de weg van de notaris had gelegen klaagster tijdig en op eigen initiatief te wijzen op de mogelijkheid van beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van erflater.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2017:3 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/37

    Klacht over handelwijze (destijds kandidaat-) notaris in 1992. Destijds was in de Notariswet geen termijn vastgelegd waarbinnen een klacht diende te worden ingediend, maar werd door de tuchtrechter over de ontvankelijkheid van een klacht geoordeeld aan de hand van ongeschreven redelijkheidsnormen. Nu klaagster naar het oordeel van de kamer uiterlijk in oktober 1992 kennis had, dan wel kennis had kunnen nemen, van het feit dat er bij de overdracht van de tot de nalatenschap van moeder behorende registergoederen vanuit was gegaan dat zij had berust in de bepalingen van het testament, is de kamer van oordeel dat de termijn waarbinnen klaagster daarover een klacht had kunnen indienen ruimschoots was verstreken toen de kamer haar klacht op 2 mei 2016, ruim 24 jaar later, ontving. Niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2017:4 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/3

    Klacht over handelwijze notaris in 1992 in verband met overdracht perceel grond uit nalatenschap van moeder van klaagster. Klaagster stelt niet te hebben berust in de bepalingen van het testament. Daargelaten de vraag of het destijds überhaupt noodzakelijk was dat een legitimaris berustte in de bepalingen van een ouderlijke boedelverdeling-testament voordat de langstlevende over de tot de nalatenschap behorende registergoederen kon beschikken, is de kamer van oordeel dat de (inmiddels oud-) notaris op basis van het door hem verrichte onderzoek heeft mogen aannemen dat vader ten tijde van de levering van het perceel beschikkingsbevoegd was. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2017:5 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/28

    Klacht over handelwijze notaris in 1992. Destijds was in de Notariswet geen termijn vastgelegd waarbinnen een klacht diende te worden ingediend, maar werd door de tuchtrechter over de ontvankelijkheid van een klacht geoordeeld aan de hand van ongeschreven redelijkheidsnormen. Nu klaagster naar het oordeel van de kamer uiterlijk in oktober 1992 kennis had, dan wel kennis had kunnen nemen, van het feit dat er bij de overdracht van de tot de nalatenschap van moeder behorende registergoederen vanuit was gegaan dat zij had berust in de bepalingen van het testament, is de kamer van oordeel dat de termijn waarbinnen klaagster daarover een klacht had kunnen indienen ruimschoots was verstreken toen de kamer deze op 12 april 2016, ruim 24 jaar later, ontving. Niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2017:10 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/81

    Klagers verwijten dat hij ten onrechte heeft geweigerd mee te werken aan de door klagers verlangde werkzaamheden. Voorts verwijten klagers de notaris dat hij niet heeft aangegeven dat hij verplicht is om zijn dienst te weigeren en wat de reden c.q. wettelijke grondslag voor de dienstweigering is. Uit de door klagers aangeleverde tekst en de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat klagers vastlegging van de tussen hen gesloten overeenkomst in een notariële akte wensten. De notaris is voor de notariële status van de akte verantwoordelijk en dat brengt, mede gezien artikel 157 lid 1 Rv, mee dat hij niet alleen gerechtigd maar uit een oogpunt van zorgvuldige ambtsbediening ook verplicht is in de akte duidelijk te maken wat van het daarin vermelde wèl en wat niet op zijn eigen waarnemingen en verrichtingen berust. Indien partijen bij een notariële akte het niet eens zijn met de bewoordingen van het slot van die akte en de notaris daar desondanks aan wenst vast te houden, is er - anders dan klagers hebben betoogd - naar het oordeel van de kamer geen sprake van dienstweigering als bedoeld in artikel 21 lid 2 Wna en artikel 6 Verordening beroeps- en gedragsregels. Klachtonderdeel 1 is dan ook ongegrond. Nu geen sprake is van dienstweigering, is klachtonderdeel 2 - de notaris heeft de gronden van de dienstweigering niet meegedeeld - eveneens ongegrond

  • ECLI:NL:TNORSHE:2017:6 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/72 en 73

    Klacht over hoogte erfpachtcanon in akte uit 1999; volgens klager is de door de gemeente bedongen canon dermate laag dat sprake is van verkapte staatssteun aan een sportclub. Klachttermijn verstreken.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:1 Kamer voor het notariaat Amsterdam 612279/NT16-46P

    De kamer is van oordeel dat de notaris genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van het opstellen en passeren van de akte alert is geweest op de mate van wilsbekwaamheid van erflater en dat zij onvoldoende aanleiding had om aan deze wilsbekwaamheid te twijfelen. Dat de notaris zichzelf door het hebben van verschillende functies heeft bevoordeeld is de kamer niet gebleken. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:2 Kamer voor het notariaat Amsterdam 620323/NT 16-84

    De notaris heeft de kamer om herziening van de beslissing van 13 oktober 2016 verzocht, en verzocht de behandeling te heropenen van de klacht van het BFT tegen de notaris. Tevens heeft de notaris de kamer verzocht om de brief van de kamer van 1 december 2016 betreffende de ingangsdatum van de schorsing (aan de notaris opgelegd bij voornoemde beslissing) van de notaris in te trekken. De kamer wijst het herzieningsverzoek af, omdat niet wordt voldaan aan de vereisten die de vaste rechtspraak stelt ten aanzien van herziening van tuchtrechtelijke beslissingen. De brief van 1 december 2016 betreft naar het oordeel van de kamer louter een mededeling van de kamer van de ingangsdatum van de schorsing ex artikel 105 Wna.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2017:1 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/1

    Overdracht perceel grond. Klaagster verwijt notaris dat hij in 2015 akte van levering heeft gepasseerd, terwijl hij wist dat er ten tijde van de voorafgaande levering van het perceel in 1992 geen akte van berusting was. Ouderlijke boedelverdeling. In beginsel mag een notaris afgaan op de juistheid van de titel van aankomst en mag hij voortbouwen op het werk van andere notarissen. Enkel indien er concrete indicaties zijn dat de eerdere notaris zijn werk niet goed heeft verricht, mag nader onderzoek van de volgende notaris worden verwacht. Kamer oordeelt dat het ten tijde van het openvallen van de nalatenschap van de moeder van klaagster in 1991 gangbare praktijk was dat de langstlevende over registergoederen kon beschikken zonder dat de kinderen een verklaring van berusting of eerbiediging testament hadden ondertekend. Dit betekent dat destijds ook zónder berusting door de legitimarissen een rechtsgeldige levering kon plaatsvinden. Nu niet is gesteld of gebleken dat klaagster de toedeling van de nalatenschap aan vader ten tijde van de overdracht van het perceel landbouwgrond had betwist, dan wel dat klaagster bezwaar had gemaakt tegen de overdracht van tot de nalatenschap behorende registergoederen zolang de door haar in de verklaring van berusting gestelde voorwaarde niet was voldaan, is de kamer van oordeel dat aangenomen mag worden dat vader ten tijde van de levering daarvan op 25 februari 1992 beschikkingsbevoegd was. Bij gebrek aan andersluidende gegevens, die niet zijn gesteld of gebleken, bestond er naar het oordeel van de kamer voor de notaris in 2015 dan ook geen indicatie om nader onderzoek te verrichten naar de vraag of de legitimarissen in 1992 hadden berust in de bepalingen van het testament van moeder. Dat hij dergelijk nader onderzoek ruim 23 jaar later niet heeft verricht en dat hij, zoals te doen gebruikelijk, heeft voortgebouwd op de eerdere titel van aankomst, acht de kamer daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2017:2 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/74

    Klacht over o.a. onduidelijke formulering erfstelling. Op de notaris rust een zwaarwegende zorgplicht om al datgene te verrichten wat nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen die zijn beoogd met de rechtshandeling. De wensen van een testateur dienen te worden geïnventariseerd en overeenkomstig de bedoeling dient een uiterste wilsbeschikking te worden geredigeerd. Mede gelet op het vertrouwen dat de deelnemers aan het rechtsverkeer moeten kunnen stellen in een notariële akte, geldt de bedoelde verplichting jegens alle belanghebbenden - waaronder klaagster - en niet slechts jegens de partijen bij de in de notariële akte opgenomen rechtshandelingen. Deze zwaarwegende zorgplicht brengt mee dat de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking duidelijk dienen te zijn. Naar het oordeel van de kamer zijn de bewoordingen van de in het onderhavige testament opgenomen erfstelling niet duidelijk genoeg en niet ondubbelzinnig; de formulering in kwestie kan in redelijkheid ook anders gelezen worden dan zij blijkbaar bedoelt uit te drukken. Klacht is op dit punt gegrond. Maatregel van waarschuwing. Voor het overige is klacht ongegrond.