Zoekresultaten 1321-1330 van de 3036 resultaten

  • ECLI:NL:TNORAMS:2016:40 Kamer voor het notariaat Amsterdam 619610 / NT RK 16/78

    Het beletten van (ongemotiveerde) vragen met betrekking tot de ontvankelijkheid van de leden van de Kamer voor het notariaat is, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen omstandigheid die erop wijst dat de onpartijdigheid van mr. Pompe schade zou kunnen lijden. Bovendien is gesteld noch gebleken dat een of meer leden van de wrakingskamer niet zouden voldoen aan een van de (benoemings)vereisten als bedoeld in artikel 94 Wna dan wel het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren; evenmin is aangevoerd wat de relevantie daarvan is in verband met de onpartijdigheid van mr. Pompe. Nu het onderhavige wrakingsverzoek geen feiten of omstandigheden bevat waaruit vooringenomenheid van mr. Pompe of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, zijn af te leiden, kan een mondelinge behandeling achterwege blijven. Het wrakingsverzoek is dan ook kennelijk ongegrond en het verzoek zal zonder behandeling ter zitting worden afgewezen.

  • ECLI:NL:TNORDHA:2017:8 Kamer voor het notariaat Den Haag 16-61

    Klaagster verwijt de notaris dat hij geen actie heeft ondernomen toen hij er van op de hoogte raakte dat erflaatster was overleden. De notaris had klaagster daarvan op de hoogte moeten stellen en haar – in het kader van de verdeling van de nalatenschap van erflaatster – de gelegenheid moeten bieden om aanspraak te maken op haar erfdeel in de onverdeelde nalatenschap van erflater. De notaris had klaagster moeten informeren dat haar vordering op de nalatenschap van erflater door het overlijden van erflaatster opeisbaar was geworden. De notaris had niet mee mogen werken aan de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:6 Kamer voor het notariaat Amsterdam 616084/NT 16-65

    Klacht over - onder meer - negatieve bewaringspositie. Het handelen van de notaris toont volgens de kamer aan dat hij onvoldoende besef heeft van de hoge eisen die de maatschappij, mede in het belang van de rechtszekerheid, aan het notariaat stelt. Te allen tijde moet de maatschappij erop kunnen vertrouwen dat de aan een notaris toevertrouwde gelden in veilige handen zijn. De kamer acht de normschendingen van de notaris dusdanig ernstig dat het niet langer verantwoord is dat de notaris zijn ambt voortzet. Dat er sinds het bewaringstekort in september 2016 niet opnieuw een bewaringstekort is ontstaan en dat de notaris diverse maatregelen heeft getroffen, waaronder het aannemen van een (interne) boekhouder en het aanstellen van een coach/begeleider maakt dit niet anders. Op een vraag ter zitting naar de kans op herhaling antwoordde de notaris dat hij zal trachten om niet opnieuw in een dergelijke situatie terecht te komen. De kamer heeft gezien het vorenstaande niet de overtuiging dat de notaris – geconfronteerd met soortgelijke financiële problemen– niet nogmaals de gelden van de kwaliteitsrekening zal aanwenden om aan zijn verplichtingen te voldoen. Gezien de door het BFT in het rapport van 6 januari 2017 vastgestelde zwakke financiële positie van de notaris lijkt dat risico niet denkbeeldig. De notaris lijkt het laakbare van zijn handelen niet althans onvoldoende in te zien, hetgeen de kamer hem ernstig aanrekent. Ontzetting uit het ambt.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:4 Kamer voor het notariaat Amsterdam 612879/NT 16-53 Th 614586/NT 16-59 Th

    In de eerste klacht: De kamer rekent het de notaris met name aan dat hij er zich op geen enkele wijze rekenschap van heeft gegeven dat hij de waarnemer niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn werkzaamheden naar behoren te kunnen doen. Daarmee heeft de notaris zijn verantwoordelijkheid gedurende de waarneming ernstig veronachtzaamd. Ook ter zitting heeft de notaris op geen enkele wijze doen blijken van enig besef van zijn eigen rol en verantwoordelijkheid. In plaats daarvan heeft de notaris zich bediend van ongefundeerde ontkenningen en van ongegronde verwijten aan de waarnemer, het BFT, de KNB en de kamer. In de tweede klacht: Naar het oordeel van de kamer illustreren de vastgestelde normschendingen de lichtvaardige en onzorgvuldige wijze waarop de notaris zijn ambt heeft uitgeoefend. Het handelen en nalaten van de notaris tonen aan dat de notaris onvoldoende besef heeft van de hoge eisen die de maatschappij, mede in het belang van de rechtszekerheid, aan het notariaat stelt. Te allen tijde moet op de deugdelijkheid van het werk van een notaris kunnen worden vertrouwd. Het verweer en de houding van de notaris bij de behandeling van de klacht geven op geen enkele wijze blijk van enig besef van de verantwoordelijkheid die op een notaris rust; de notaris lijkt het verwijtbare van zijn handelen en nalaten niet in te zien en heeft zich mede daardoor volstrekt ongeschikt betoond voor het notarisambt. Hoewel aan de notaris inmiddels op eigen verzoek ontslag is verleend, acht de kamer de normschendingen dusdanig ernstig dat de maatregel van ontzetting uit het ambt passend en geboden is, om een eventuele terugkeer van de notaris in het notariaat te voorkomen. Volgt: twee keer ontzetting uit het ambt.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:5 Kamer voor het notariaat Amsterdam 604627 / NT 16-25

    De door klaagster gestelde overlast en de gedragingen met betrekking tot de opzegging van de huur en de eindinspectie van de woning van klaagster alsmede het onbetaald laten door de notaris van een deel van de herstelwerkzaamheden verhouden zich niet zodanig tot (de uitoefening van) het ambt van de notaris dat daardoor het vertrouwen in het notariaat en in de beroepsuitoefening door de notaris is geschaad. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de gestelde structurele en ernstige psychische problemen onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd. In zoverre is de klacht dus ongegrond. Dat ligt anders voor het feit dat de notaris de onder 1.7 bedoelde brief naar de werkgevers van klaagster en haar echtgenoot heeft gestuurd, kennelijk om hen bij hun werkgevers in diskrediet te brengen. Die handelwijze ‑ die naar het oordeel van de kamer moet worden beschouwd als een vorm van eigenrichting ‑ acht de kamer een notaris onwaardig. De kamer kan zich gelet op de inhoud van de brief niet aan de indruk onttrekken dat de brief (mede) is ingediend naar aanleiding van het door klaagster geuite voornemen een klachtprocedure te starten tegen de notaris indien deze niet zou betalen. Wat daar overigens van zij, draagt dit ertoe bij dat de reactie van de notaris daarop in de vorm van bedoelde brief het vertrouwen in het notariaat heeft geschaad. Van een notaris mag immers worden verwacht dat hij zich in een mogelijke klachtprocedure ten overstaan van de kamer verweert en overigens ook uitsluitend met middelen die daarvoor betamelijk zijn. De klacht is op dit punt gegrond. De kamer acht dit handelen dusdanig ernstig dat dit een schorsing in de uitoefening van het ambt rechtvaardigt. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de notaris ter zitting in eerste instantie heeft ontkend dat [X] in hoedanigheid van zijn advocaat c.q. gemachtigde heeft gehandeld. Pas nadat de notaris zich geconfronteerd zag met een door de voorzitter uit de klachtbrief van 17 maart 2016 geciteerde passage, heeft de notaris erkend dat [X] bij die gelegenheid als zijn gemachtigde is opgetreden. Vervolgens heeft de notaris er ter zitting geen blijk van gegeven het verwijtbare van zijn handelen in te zien en evenmin enig inzicht getoond in wat betamelijk is. De kamer acht gelet hierop in beginsel een schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee weken gerechtvaardigd. Omdat inmiddels aan de notaris ontslag is verleend legt de kamer geen maatregel op.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:7 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2015/124 en AL/2015/125

    Het BFT verwijt de notarissen in de eerste plaats dat hun liquiditeits- en solvabiliteitpositie negatief is en dat er geen uitzicht bestaat op een spoedige verbetering. In de tweede plaats maakt het BFT de notarissen het verwijt dat zij moeizaam voldoen aan het verzoek van het BFT om informatie te verstrekken. De kamer constateert dat de notarissen – in ieder geval vanaf 2013 – (binnen hun kantoor) een oplopende negatieve liquiditeitspositie hebben laten ontstaan. Ook het kantoorvermogen van de notarissen werd verder negatief. Naar het oordeel van de kamer had het op de weg van de notarissen gelegen om na 2013 onverwijld stringente maatregelen te treffen om het liquiditeits- en vermogenstekort terug te dringen. Dit hebben de notarissen niet althans onvoldoende gedaan. Zij hebben het tekort zelf aanzienlijk laten oplopen. De notarissen hebben ook geen gevolg gegeven aan de suggesties van het BFT om tot een positieve liquiditeits- en vermogenspositie te komen. De notarissen hebben blijk gegeven, aldus de kamer, van een onvoldoende besef van de ernst van de financiële situatie waarin zij zijn komen te verkeren. Verder stelt de kamer vast dat de notarissen na 30 april 2015 het BFT niet meer hebben geïnformeerd. Door niet althans niet volledig en tijdig te voldoen aan het verzoek van het BFT om informatie te verstrekken, hebben de notarissen, volgens de kamer, het BFT belemmerd in zijn toezichthoudende taak. De beide klachtonderdelen zijn naar het oordeel van de kamer gegrond. De kamer heeft overwogen de notarissen de maatregel van ontzetting uit het ambt op te leggen. Toch heeft de kamer daartoe niet beslist, omdat haar is gebleken dat de notarissen in de loop van de behandeling van de klacht doordrongen zijn geraakt van hun financiële noodsituatie en serieus vereiste maatregelen hebben genomen om uit de negatieve spiraal te geraken. Een schorsing van acht weken voor ieder van de notarissen acht de kamer passend en geboden.

  • ECLI:NL:TNORDHA:2017:2 Kamer voor het notariaat Den Haag 16-34, 16-35 en 16-36

    De klacht bestaat – samengevat – uit twee onderdelen: 1. er is ten onrechte een declaratie van het notariskantoor van € 1191,79 aan nakosten voldaan; 2. er zijn te onrechte betalingen van € 5000,- en € 3000,- van de nalatenschapsrekening ABN AMRO overgemaakt naar de kwaliteitsrekening van het notariskantoor.

  • ECLI:NL:TNORDHA:2017:3 Kamer voor het notariaat Den Haag 16-47

    Klager verwijt de kandidaat-notaris dat hij niet voldaan heeft aan zijn onderzoeksplicht, waardoor klager enorme schade zou hebben geleden. Het notariskantoor was niet bereikbaar voor een gesprek hierover met klager.

  • ECLI:NL:TNORDHA:2017:4 Kamer voor het notariaat Den Haag 16-63

    Klager verwijt de notaris dat hij een evident onjuiste nota heeft opgesteld. Hij heeft onzorgvuldig gehandeld. De notaris heeft ten gunste van de executant en zonder enige juridische grondslag kosten van de executant doorbelast aan klager als koper.

  • ECLI:NL:TNORDHA:2017:5 Kamer voor het notariaat Den Haag 16-50

    Klager verwijt de notaris bij casus “[C] ten minste grove onzorgvuldigheid, doordat zij meerdere onware gegevens in notariële aktes heeft opgenomen, danwel heeft doen opnemen en deze onware gegevens vervolgens middels processen-verbaal heeft getracht te corrigeren, waarbij wederom een onjuiste voorstelling van zaken werd gegeven. Klager verwijt de notaris bij casus “[X]” wederom grove onzorgvuldigheid, doordat de notaris middels een volmacht een aandelenoverdracht heeft gepasseerd, terwijl er geen identificatie van de nieuwe directeur/grootaandeelhouder (hierna: digra) heeft plaatsgevonden.