Zoekresultaten 1271-1280 van de 3036 resultaten

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:26 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/304910 / KL RK 16/67 en C/05/304911 / KL RK 16/68

    De notaris en de kandidaat-notaris zijn betrokken geweest bij de fusie van twee onderlinge waarborgmaatschappijen. Klager is lid van een van de onderlinge waarborgmaatschappijen. Hij verwijt de notaris en de kandidaat-notaris bij de fusie onjuist te hebben gehandeld en geadviseerd en te hebben geweigerd aan hem (en zijn zonen) gevraagde informatie te verstrekken. De kamer is van oordeel dat niet is gebleken dat de notaris en de kandidaat-notaris onzorgvuldig zijn opgetreden of dat zij verplicht waren de verzochte inlichtingen te verschaffen. De klacht wordt ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:23 Kamer voor het notariaat Amsterdam 619816/NT 16-79 P

    In een notariële akte dient de door de notaris geconstateerde wil en bedoeling van partijen te worden vastgelegd. In het onderhavige geval is de kandidaat-notaris niet gebleken of de aanvulling op de bestemming in de akte in overeenstemming was met de wil van klager. Voor het passeren van de akte had klager een nieuwe volmacht dienen af te geven, indien hij althans met die toevoeging had ingestemd. De kamer verklaart de klacht gegrond, maar ziet in dit geval aanleiding om geen maatregel op te leggen. Onder de druk van de omstandigheden heeft de kandidaat-notaris oprecht gemeend in ieders belang over te kunnen gaan tot het passeren van de akte. Daarbij komt dat de kandidaat-notaris al sinds 4 april 2014 niet meer werkzaam is in het notariaat.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:24 Kamer voor het notariaat Amsterdam 625002/NT 17-23 P

    Nalatig handelen van de notaris. De kamer overweegt - kort gezegd - dat de notaris ervoor had kunnen en dienen te zorgen dat het transport van het appartement (op dezelfde dag als gepland of een latere dag) had kunnen plaatsvinden. In die zin kan worden gezegd dat de notaris ten onrechte heeft geweigerd de akte te verlijden. Gelet op het feit dat de VvE op 15 juli 2015 toestemming had verleend voor de bewoning van het appartement door [koper 2] en ook de gelden op de kwaliteitsrekening van de notaris aanwezig waren, had niets aan de levering aan klager in de weg hoeven staan, indien de notaris tijdig de signalen over de verkoop aan [koper 2] en de voorwaarden voor de bewoning had opgepikt. Naar het oordeel van de kamer was het dan mogelijk geweest om een en ander goed te laten verlopen. Berisping.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:25 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/305745 / KL RK 16/77

    Klaagster is met zeven broers en zusters erfgenaam in de nalatenschappen van de ouders. Tussen de erfgenamen is onenigheid ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschappen. De kandidaat-notaris is door de rechtbank benoemd tot vereffenaar van de nalatenschappen. Klaagster heeft een groot aantal bezwaren tegen de kandidaat-notaris geformuleerd die er samengevat op neerkomen dat zij de kandidaat-notaris verwijt dat hij op onbevredigende wijze communiceert met de erfgenamen; dat hij ten onrechte zijn benoeming heeft aanvaard; dat hij een onjuiste uitvoering geeft aan de vereffening; en dat hij een onjuiste loonvordering heeft ingediend. De kamer overweegt vooraf, dat gebleken is dat de onderlinge verstandhouding tussen de erfgenamen wordt beheerst door onenigheid en wantrouwen en dat de kandidaat-notaris binnen die context zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten. Volgens de kamer heeft het er alle schijn van dat (sommige van) de erfgenamen gedurende de vereffening hun wederzijdse ergernissen hebben geprojecteerd op de kandidaat-notaris. Verder overweegt de kamer dat de benoeming van de kandidaat-notaris als vereffenaar in rechte vaststaat; dat de kandidaat-notaris zich moet houden aan de wettelijke bepalingen en dat hij daarvan niet ten gerieve van de erfgenamen kan afwijken. In het licht van deze overwegingen komt de kamer tot het oordeel dat geen van de verwijten doel treft en dat de klacht ongegrond moet worden verklaard.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:24 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/317156/KL RK 17-28

    Gelet op de rol van de notaris in deze nalatenschap, heeft de notaris klager terecht verwezen naar de voormalig executeurs/afwikkelingsbewindvoerders voor een uitleg over de berekeningen en herstel van eventuele fouten. De voormalig executeurs/afwikkelingsbewindvoerders zijn de enigen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud van de aangifte en eventuele fouten hierin zouden kunnen herstellen. Aangezien klager niet de opdrachtgever van de notaris was, is de notaris jegens hem niet gehouden om uitleg te geven over de aan de aangifte ten grondslag liggende berekeningen.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:22 Kamer voor het notariaat Amsterdam 625816/NT 17-26 OJ 625819/NT 17-27 OJ

    De kamer is van oordeel dat de kandidaat-notaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van het passeren alert is geweest op de mate van wilsbekwaamheid van de echtgenote van klager en dat zij onvoldoende aanleiding had om aan deze wilsbekwaamheid te twijfelen. Klacht ongegrond. Aangezien de klacht uitsluitend is gericht tegen het passeren van het testament op 12 september 2015 en vast staat dat de notaris hiermee geen bemoeienis heeft gehad, wordt de klacht tegen de notaris niet-ontvankelijk verklaard.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:27 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/316061 KL RK 17-17

    Geoordeeld wordt dat de notaris zijn geheimhoudingsverplichting niet heeft geschonden. Ten tijde van de adviesaanvraag en nadien in het advies aan de verwachters was de notaris noch bij de nalatenschap van de eerste erflater, noch bij de nalatenschap van de tweede erflater betrokken. Hij adviseerde enkel de verwachters. Geen reden om deze handelwijze als partijdig aan te merken.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:22 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/316920/KL RK 17-25

    Naar het oordeel van de kamer behoort het niet tot de taak van de notaris om bij een standaard oprichting van een nieuwe besloten vennootschap, de enig bestuurder en aandeelhouder te wijzen op de risico’s van onbehoorlijk bestuur.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:23 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/313547/KL RK 16-155

    De kamer stelt vast dat de voorgestelde wijzigingen in de huwelijkse voorwaarden voor klaagster grote negatieve financiële gevolgen konden hebben, terwijl er voor haar geen voordelen verbonden waren aan het prijsgeven van mogelijke toekomstige vorderingen. Op de notaris rustte de verplichting om klaagster daarover tijdig en volledig te informeren. Verder staat vast dat de notaris destijds geen aantekeningen heeft gemaakt van de besprekingen, waaruit had kunnen blijken dat klaagster over deze grote risico’s nadrukkelijk is voorgelicht. Er zijn geen andere aanwijzingen dan het verweer van de notaris dat hij klaagster wel degelijk heeft geïnformeerd. Onder deze omstandigheden houdt de kamer het er voor dat de gevolgen van de wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden klaagster redelijkerwijs pas na de ondertekening in 2012 bekend zijn geworden. De kamer is met de notaris van oordeel dat zijn geheimhoudingsplicht in de weg kan staan aan verstrekking van afschriften van integrale dossiers. Echter, naar het oordeel van de kamer heeft de notaris ten onrechte met betrekking tot alle dossierstukken een beroep op zijn geheimhoudingsplicht gedaan.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:21 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/317177 / KL RK 17-31

    Klaagster heeft, in de vorm van een hypotheek op haar woning, zekerheid gesteld voor een geldvordering van B.V. (B) op B.V. (A). In opdracht van B.V. (B) is de notaris gestart met de executieveiling van de woning van klaagster. Klaagster verwijt de notaris dat dit ten onrechte is gebeurd, omdat niet is gebleken dat B.V. (A) in verzuim is. De kamer overweegt dat artikel 21 Wet op het notarisambt voorschrijft dat de notaris een ministerieplicht heeft en dat hij aan een opdracht tot veiling gevolg moet geven. De notaris dient, volgens de kamer, wel te controleren of voor de opdracht een toereikende grondslag bestaat. De kamer overweegt dat in deze zaak genoegzaam is gebleken dat sprake was van een vordering van B.V. (B) op B.V. (A) en van een verzuim van B.V. (A), zodat tot executie van de woning mocht worden overgegaan. De klacht is ongegrond.