Zoekresultaten 21001-21010 van de 48314 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:173 Raad van Discipline 's-Gravenhage 18-612/DH/RO

    60ab Aw (primair) afgewezen. 60b Aw (subsidiair) toegewezen. Verweerder is niet in staat zijn praktijk behoorlijk uit te oefenen en is onvoldoende bereikbaar voor de deken. de financiële situatie van het kantoor van verweerder is zorgwekkend en staat aan een goede praktijkuitoefening in de weg.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-255

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Onder meer niet gebleken dat de verzekeringsarts geen of onvoldoende onderzoek heeft verricht of onjuist gerapporteerd heeft. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:237 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2016.498

    Klacht tegen gz-psycholoog en psychiater die in het kader van een tegen klager lopende strafzaak in opdracht van de rechtbank na klinische observatie in multidisciplinair verband een Pro Justitia dubbel-rapportage hebben uitgebracht over de geestvermogens van klager. De klacht behelst drie klachtonderdelen ter zake van de inhoud van de rapportage, de onderliggende rapportages en de aanpak van het onderzoek en de termijnen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege wijst hier een tussenbeslissing waarin twee van de drie klachtonderdelen worden afgewezen. Van belang is de overweging van het College dat het College het onwenselijk acht dat er binnen de forensische setting een ander invulling wordt gegeven aan het begrip ‘werkaantekeningen’ en daarmee aan de regel omtrent het medisch dossier, zonder dat daar regelgeving aan ten grondslag ligt die voor onderzochten kenbaar is. Ter zake van het derde klachtcategorie over de inhoud van de rapportage acht het College zich nog onvoldoende voorgelicht en wordt een aanvullend vooronderzoek gelast.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-027b

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts (in opleiding tot oogarts). Klaagster is geopereerd door een oogarts, de arts in opleiding tot oogarts heeft geassisteerd tijdens de operatie. Onduidelijk is gebleven of tijdens het preoperatieve gesprek onbetwistbaar is besproken dat klaagster niet door een leerling geopereerd wilde worden en dat zij ook geen leerlingen aan haar wilde. Hierover verschillen partijen van mening. Het ontbreken van verslaglegging van het preoperatieve gesprek levert in dit geval geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:143 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180057

    Verzet tegen de beslissing van de voorzitter van het hof dat de Advocatenwet aan appellanten niet de mogelijkheid biedt om in hoger beroep te komen van de beslissing van de raad, nu appellanten niet behoren tot de in artikel 56 lid 1 Advocatenwet genoemde personen en voor derde partijen geen rechtsgang bij het hof is. Het verzet is ongegrond. Appellanten zijn in de klachtprocedure geen partij. Voor zover appellanten in hun verzetschrift een zelfstandig verzoek hebben gedaan te mogen tussenkomen in de hoger beroepsprocedure tussen klager en verweerder, wordt dat afgewezen. De Advocatenwet voorziet niet in de mogelijkheid dat een derde tussenkomt in een tussen andere partijen aanhangige klachtprocedure.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:180 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-969/DH/DH

    Verzet ongegrond. Klacht naar aanleiding van een klager onwelgevallig, negatief cassatieadvies.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:174 Raad van Discipline 's-Gravenhage 18-040/DH/DH

    Klaagster en verweerder zijn zus en broer. De broer is tevens advocaat. Tussen beiden wordt al jarenlang geprocedeerd. Verweerder treedt daarbij de ene keer op als advocaat en de andere keer in privé-hoedanigheid. Daardoor is het niet altijd goed mogelijk zijn hoedanigheid in het specifieke geval te onderscheiden. Deze vermenging brengt met zich dat twee klachtonderdelen gegrond worden verklaard. Allereerst heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door aan een door hem ingeschakelde advocaat een ten name van de moeder van partijen gestelde volmacht ter beschikking te stellen. De moeder was namelijk niet meer in staat een volmacht af te geven. Daarnaast heeft die advocaat een valse factuur in het geding gebracht. En verweerder moet worden geacht daarmee te hebben ingestemd. In beide gevallen is de handelwijze van verweerder schadelijk voor het vertrouwen in de advocatuur en in zijn eigen beroepsuitoefening. Voor het overige is de klacht ongegrond. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder legt de raad een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 2 weken op.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:141 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-241

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Hoewel er door verweerster vanwege een levensbedreigende ziekte geen verweerschrift is ingediend, is het College na bestudering van het dossier tot de conclusie gekomen zich voldoende voorgelicht te achten om in deze zaak thans tot een beslissing te kunnen komen. Niet gebleken dat de verzekeringsarts op niet onafhankelijke wijze tot haar oordeel is gekomen. Niet kan haar worden verweten dat zij geen eigen audiologisch onderzoek heeft verricht bij klager, omdat zij bij een behandelend kno-arts informatie heeft ingewonnen. Klacht voor het overige ook ongegrond. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:238 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.405

    Klacht tegen psychiater. Klaagster is (ongeveer) vijftien jaar lang door verweerder (psychiater) behandeld voor (ernstige) psychiatrische problematiek, waaronder ernstige depressies waarbij zij ook suïcidepogingen heeft gedaan. Op enig moment wordt klaagster in het ziekenhuis opgenomen vanwege een combinatie van een delier en trombocytopenie met hematomen. De klacht houdt in dat verweerder: 1) is tekortgeschoten in de zorg aan klaagster door niet eerder te handelen bij de verhoogde lithiumspiegel; 2) is tekortgeschoten in de zorg aan klaagster door haar niet eerder te behandelen voor de afwijkende trombocytenwaarde; 3) zijn zorgplicht niet is nagekomen door stelselmatig zijn regierol als hoofdbehandelaar niet uit te voeren; 4) onzorgvuldig heeft gehandeld door klaagster niet te behandelen ten aanzien van het delier dat zij doormaakte, als ook door klaagster, haar echtgenoot, de huisarts of zijn team niet te informeren over zijn vermoeden dat klaagster een delier had; 5) niet competent was en/of onvoldoende ervaring had om EMDR bij patiënten met complexe PTSS toe te passen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen 1 tot en met 4 gegrond en klachtonderdeel 5 ongegrond verklaard. Aan de psychiater is de maatregel van berisping opgelegd. De psychiater stelt principaal beroep in tegen de gegrondverklaring van klachtonderdelen 1 tot en met 4 maar legt zich in zijn beroepschrift neer bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat hij, gegeven de omstandigheden, onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld in de periode van 13 oktober 2016 tot 24 oktober 2016. Voor zover het beroep van de psychiater is gericht tegen de hoogte van de aan hem opgelegde maatregel slaagt het beroep. Het Centraal Tuchtcollege acht in het onderhavige geval de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Het door klaagster ingestelde incidenteel beroep tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 5 wordt verworpen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het ten aanzien van dat klachtonderdeel gegeven oordeel van het Regionaal Tuchtcollege.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-070

    Ongegronde klacht tegen een huisarts. De zoon van klager is een dag na het bezoeken van de huisarts overleden aan Acuut Coronair Syndroom. Niet is gebleken dat de huisartsonvoldoende acht heeft geslagen op de voorgeschiedenis van de zoon van klager. Er bestonden, ook volgens de NHG-standaard ACS, onvoldoende aanwijzingen voor cardiale problematiek. Daarom was er geen aanleiding voor het maken van een ECG of insturen van de zoon naar een ziekenhuis. De huisarts kon op basis van de voorgeschiedenis, de (hetero)anamnese en de niet alarmerende resultaten van het lichamelijk onderzoek in redelijkheid tot haar differentiaaldiagnose en beleid komen. Klacht afgewezen.