Zoekresultaten 13721-13730 van de 48312 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:98 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.372

    Klacht tegen oogarts. Klaagster was sinds 1989 bekend op de oogafdeling van het ziekenhuis. De klacht betreft de behandeling van klaagster door de oogarts in de periode december 2010 tot juli 2014. Klaagster verwijt de oogarts dat zij a) geen diagnose dan wel een verkeerde diagnose heeft gesteld, doordat zij geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan, b) ondanks herhaald verzoek geen scan heeft laten maken, c) te lang met klaagster heeft gesold met betrekking tot de voorgestelde operatie, waarbij zij zelf geen regie heeft gehouden maar dit heeft overgelaten aan de orthoptist, d) ook toen in 2014 de pucker opnieuw werd geconstateerd, niet in actie is gekomen, maar steeds is blijven hangen op de voorgestelde strabismusoperatie, en e) door het delay in de behandeling ernstige schade aan de ogen van klaagster heeft veroorzaakt, waardoor meerdere operaties nodig zijn geweest in een ander oogziekenhuis. Het Regionaal Tuchtcollege heeft verklaard dat de klacht kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klaagster ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TACAKN:2021:33 Accountantskamer Zwolle 20/1919 Wtra AK

    Klacht over aanbrengen wijzigingen in voor toetsing geselecteerde dossiers; klacht gegrond. Oplegging maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving voor de duur van één maand. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene door wijzigingen aan te brengen in een voor toetsing geselecteerd samenstellingsdossier, zonder dit aan de toetsers te melden, niet eerlijk en oprecht heeft opgetreden. Hij heeft daarmee gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit. De maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving voor de duur van één maand is passend en geboden.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:88 Raad van Discipline Amsterdam 21-269/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. Niet is komen vast te staan dat verweerder identiteitsfraude heeft gepleegd.

  • ECLI:NL:TNORARL:2020:44 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/369184 KL RK 20-50

    Door de akte van aanvaarding en overdracht executele van 11 april 2020 te laten passeren heeft de notaris willens en wetens de schorsingsbeslissing van de kantonrechter van 13 januari 2020 genegeerd, terwijl de aard en strekking van de schorsingsbeslissing voor hem duidelijk geweest moeten zijn. De notaris had de eindbeslissing op het ontslagverzoek moeten afwachten, alvorens al dan niet de executele te aanvaarden en/of over te dragen. Anders dan de notaris meent, is naar het oordeel van de kamer niet gebleken dat destijds sprake was van (acute) noodzaak tot beheer van de nalatenschap of van gegronde vrees dat de nalatenschap langere tijd onbeheerd zou blijven.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:100 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.130

    Klacht tegen oogarts. Klager is op datum X in het oogheelkundig centrum gezien tijdens een spoedconsult door de oogarts. Twee weken later heeft klager naar het oogheelkundig centrum gebeld in verband met nieuwe klachten aan het oog. Hij kon pas een week later terecht voor een afspraak. Diezelfde avond is in een ander ziekenhuis een netvliesloslating geconstateerd en is klager geopereerd. Enkele maanden later heeft een klachtgesprek plaatsgevonden tussen klager en de oogarts. Klager verwijt de oogarts dat a) hij klager tijdens het spoedconsult op datum X niet zorgvuldig heeft onderzocht, hij op datum X niet naar klager heeft geluisterd en hij op datum X een controle afspraak heeft gemaakt voor zes weken later, b) klager pas een week later terecht kon voor een afspraak toen hij twee weken na datum X belde in verband met nieuwe klachten, en c) hij klager tijdens het klachtgesprek onprettig heeft bejegend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel 2 gegrond verklaard, klachtonderdeel 3 gedeeltelijk gegrond verklaard, aan de arts de maatregel van waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige afgewezen. Het beroep van de arts richt zich tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel 2 en de gedeeltelijke gegrondverklaring van klachtonderdeel 3. Het incidenteel beroep van klager richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 1 en de gedeeltelijke ongegrondverklaring van klachtonderdeel 3. Het Centraal tuchtcollege beslist conform het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt beide beroepen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:99 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.081

    Klacht tegen verpleegkundige. Klaagster is dochter, mentor en wettelijk vertegenwoordiger van patiënte. De verpleegkundige was werkzaam in het verpleeghuis waar patiënte woonde. De echtgenoot van klaagster was de huisarts van patiënte. Na het overlijden van patiënte is de verpleegkundige door de politie als getuige gehoord over de gebeurtenissen rond de dood van patiënte. Klaagster heeft 6 klachtonderdelen geformuleerd en verwijt de verpleegkundige dat zij het beroepsgeheim heeft geschonden, ondeskundige uitspraken heeft gedaan, geruchten heeft verspreid en bij de medicatieverstrekking zwaarwegende fouten heeft gemaakt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster deels niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:74 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-213

    Verzetbeslissing. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:54 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/250

    Samenvatting: Klager verwijt verweerster, GZ-psychologe, dat zij zonder zijn toestemming (valse en belastende) informatie heeft verstrekt aan Veilig thuis, de Raad voor de Kinderbescherming, zijn ex-echtgenote en de bedrijfsarts en dat zij niet de richtlijnen voor behandeling van een burn-out heeft gevolgd. Verweerster voert verweer. Gegrond berisping

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:81 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-930

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij. Beroep op misbruik van klachtrecht faalt. Niet gebleken dat de door verweerder ingediende stukken vervalst zouden zijn. Vraag of sprake is van spoedeisend belang is door de voorzieningenrechter beantwoord. Niet gebleken dat verweerder bij de behartiging van de belangen van zijn cliënte klagers belangen onnodig of onevenredig en zonder redelijk doel heeft geschaad. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:75 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-206

    Klacht tegen advocaat wederpartij over overleggen medische gegevens van klaagster in een familiezaak. De raad heeft de handelwijze van verweerster gelegd naast de meetlat van de uitspraak van het Hof van Discipline van 21 augustus 2020 (ECLI:NL:TAHVD: 2020:142). In die uitspraak is overwogen dat het overleggen van medische gegevens in een procedure gerechtvaardigd kan zijn voor zover in de gegeven omstandigheden een reëel belang bij adequate rechtsbijstand daartoe noopt. Daarbij dient dat belang te worden afgewogen tegen het belang van de betrokkene niet nodeloos te worden geschaad door het overleggen van diens medische gegevens. Bij de beantwoording van de vraag of die noodzaak of relevantie bestaat heeft de advocaat een eigen verantwoordelijkheid en dient hij een eigen afweging te maken, mede rekening houdend met de belangen van klager om niet nodeloos te worden geschaad door overlegging van die medische gegevens. Deze afweging kan achteraf door de tuchtrechter worden getoetst. Indien en voor zover het in het geding brengen van medische gegevens noodzakelijk en dus toelaatbaar is, behoeft daarvoor geen voorafgaand overleg te worden gevoerd met de wederpartij of de deken en is evenmin toestemming noodzakelijk van degene wiens medische gegevens het betreft. De raad is van oordeel dat verweerster met het overleggen van de medische gegevens en in het verlengde daarvan met het in het processtuk opnemen van stellingen over de medische situatie van klaagster binnen haar eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid is gebleven en een afweging heeft gemaakt op de wijze zoals door het hof is aangegeven. Voorts mocht verweerster in beginsel afgaan op de mededeling van haar cliënt over de wijze waarop hij stukken had verkregen (aanwezig in de echtelijke woning).