Zoekresultaten 20851-20900 van de 48172 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:154 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180201

    Voorzittersbeslissing. Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het verzet van klaagster door de raad. Appelverbod (art. 46h lid 7 Aw). Het hoger beroep wordt afgewezen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:148 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180047

    Klacht eigen advocaat. Niet gebleken is dat, zoals klaagster stelt, een vaste prijsafspraak zou zijn gemaakt tussen verweerder en klaagster. Voorts hoefde verweerder geen toevoeging aan te vragen, omdat klaagster een zakelijk geschil heeft voorgelegd aan verweerder. Verder is niet gebleken dat de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder onder de maat is. Wel valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten dat hij zich in strijd met gedragsregel 28 lid 2 op een retentierecht en een eerder ingenomen standpunt van de deken beriep. De situatie van klaagster en verweerder was namelijk al snel anders ontwikkeld dan waar de deken vanuit mocht gaan en verweerder houdt een eigen verantwoordelijkheid om in lijn met de gedragsregels ( ic 28 lid 2) te handelen. Waarschuwing. Kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:155 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180073

    Art. 13-beklag. Niet ontvankelijk in beklag wegens overschrijding zes weken-termijn uit art. 13 lid 3 Advocatenwet. Geen (valide) argumenten gesteld of gebleken die de termijnoverschrijding verschoonbaar zouden kunnen maken.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:112 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-383/DB/ZWB

    Niet gebleken dat verweerder klager niet heeft teruggebeld noch dat hij de zaak niet voortvarend genoeg ter hand heeft genomen. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2018:58 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/41

    Klacht tegen bedrijfsarts. Verweerder wordt verweten dat hij in strijd met zijn beroepsgeheim en zonder toestemming van klager de werkgever van klager heeft geïnformeerd over diens medicatiegebruik en in vervolg hierop de werkgever actief heeft geadviseerd in dat verband de loondoorbetaling van klager op te schorten. Volgens verweerder had hij hiervoor toestemming van klager en was het destijds, in 2011, niet ongeoorloofd de werkgever te informeren zoals verweerder deed. Het college is allereerst niet gebleken van enige toestemming van klager. Voorts oordeelt het college dat het een bedrijfsarts ook in 2011 niet was toegestaan een werkgever medische informatie over de werknemer te verschaffen en dat verweerder derhalve zijn beroepsgeheim jegens klager heeft geschonden. Met betrekking tot het advies van verweerder aan de werkgever van klager om de loondoorbetaling op te schorten heeft het college geoordeeld dat dit – ook in 2011 – onzorgvuldig was. Adviseren over loondoorbetaling behoort uitdrukkelijk niet tot de taak van de bedrijfsarts. Het is de werkgever die op basis van informatie van de bedrijfsarts over de arbeids(on)geschiktheid van de werknemer de medische belastbaarheid c.q. medische mogelijkheid tot werkhervatting van de werknemer, beoordeelt of de werknemer bij verzuim recht heeft op doorbetaling. Conclusie: klacht gegrond met als maatregel berisping.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:68 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1839

    Gz-psycholoog. Klacht: geen neuropsychologisch onderzoek verricht voor hersenoperatie en klaagster alleen gezien bij intake. College: gegrond. Neuropsychologisch onderzoek was uitgangspunt. Er kon niet worden uitgegaan van voldoende relevantie onderzoek uit 2004. Klaagster was toen 19 jaar oud en heeft ondertussen relevante ontwikkeling doorgemaakt. Geen verslaglegging in dossier. Onvoldoende inzicht in eigen handelen. Berisping.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:111 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-384/DB/ZWB

    Niet gebleken dat verweerder had toegezegd om klager terug te bellen en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door klager niet te woord te staan toen klager op verweerders kantoor verscheen. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:69 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1833

    Gz-psycholoog. Klacht: verweerster had niet mogen rapporteren over klaagster, de dochter van de gemachtigde van klaagster, gezien de professionele relatie tussen verweerster en de gemachtigde van klaagster (1), rapport voldoet niet aan de eisen (2 en 3), ondeugdelijke methodiek en geen inzage- en correctierecht aangeboden (4). College: (1) gegrond omdat er sprake was van een conflictueuze situatie, (2) en (3) ongegrond, (4) gegrond wat betreft niet melden inzage- en correctierecht. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:173 Raad van Discipline 's-Gravenhage 18-612/DH/RO

    60ab Aw (primair) afgewezen. 60b Aw (subsidiair) toegewezen. Verweerder is niet in staat zijn praktijk behoorlijk uit te oefenen en is onvoldoende bereikbaar voor de deken. de financiële situatie van het kantoor van verweerder is zorgwekkend en staat aan een goede praktijkuitoefening in de weg.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-255

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Onder meer niet gebleken dat de verzekeringsarts geen of onvoldoende onderzoek heeft verricht of onjuist gerapporteerd heeft. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:237 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2016.498

    Klacht tegen gz-psycholoog en psychiater die in het kader van een tegen klager lopende strafzaak in opdracht van de rechtbank na klinische observatie in multidisciplinair verband een Pro Justitia dubbel-rapportage hebben uitgebracht over de geestvermogens van klager. De klacht behelst drie klachtonderdelen ter zake van de inhoud van de rapportage, de onderliggende rapportages en de aanpak van het onderzoek en de termijnen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege wijst hier een tussenbeslissing waarin twee van de drie klachtonderdelen worden afgewezen. Van belang is de overweging van het College dat het College het onwenselijk acht dat er binnen de forensische setting een ander invulling wordt gegeven aan het begrip ‘werkaantekeningen’ en daarmee aan de regel omtrent het medisch dossier, zonder dat daar regelgeving aan ten grondslag ligt die voor onderzochten kenbaar is. Ter zake van het derde klachtcategorie over de inhoud van de rapportage acht het College zich nog onvoldoende voorgelicht en wordt een aanvullend vooronderzoek gelast.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-027b

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts (in opleiding tot oogarts). Klaagster is geopereerd door een oogarts, de arts in opleiding tot oogarts heeft geassisteerd tijdens de operatie. Onduidelijk is gebleven of tijdens het preoperatieve gesprek onbetwistbaar is besproken dat klaagster niet door een leerling geopereerd wilde worden en dat zij ook geen leerlingen aan haar wilde. Hierover verschillen partijen van mening. Het ontbreken van verslaglegging van het preoperatieve gesprek levert in dit geval geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:143 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180057

    Verzet tegen de beslissing van de voorzitter van het hof dat de Advocatenwet aan appellanten niet de mogelijkheid biedt om in hoger beroep te komen van de beslissing van de raad, nu appellanten niet behoren tot de in artikel 56 lid 1 Advocatenwet genoemde personen en voor derde partijen geen rechtsgang bij het hof is. Het verzet is ongegrond. Appellanten zijn in de klachtprocedure geen partij. Voor zover appellanten in hun verzetschrift een zelfstandig verzoek hebben gedaan te mogen tussenkomen in de hoger beroepsprocedure tussen klager en verweerder, wordt dat afgewezen. De Advocatenwet voorziet niet in de mogelijkheid dat een derde tussenkomt in een tussen andere partijen aanhangige klachtprocedure.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:180 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-969/DH/DH

    Verzet ongegrond. Klacht naar aanleiding van een klager onwelgevallig, negatief cassatieadvies.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:174 Raad van Discipline 's-Gravenhage 18-040/DH/DH

    Klaagster en verweerder zijn zus en broer. De broer is tevens advocaat. Tussen beiden wordt al jarenlang geprocedeerd. Verweerder treedt daarbij de ene keer op als advocaat en de andere keer in privé-hoedanigheid. Daardoor is het niet altijd goed mogelijk zijn hoedanigheid in het specifieke geval te onderscheiden. Deze vermenging brengt met zich dat twee klachtonderdelen gegrond worden verklaard. Allereerst heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door aan een door hem ingeschakelde advocaat een ten name van de moeder van partijen gestelde volmacht ter beschikking te stellen. De moeder was namelijk niet meer in staat een volmacht af te geven. Daarnaast heeft die advocaat een valse factuur in het geding gebracht. En verweerder moet worden geacht daarmee te hebben ingestemd. In beide gevallen is de handelwijze van verweerder schadelijk voor het vertrouwen in de advocatuur en in zijn eigen beroepsuitoefening. Voor het overige is de klacht ongegrond. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder legt de raad een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 2 weken op.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:141 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-241

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Hoewel er door verweerster vanwege een levensbedreigende ziekte geen verweerschrift is ingediend, is het College na bestudering van het dossier tot de conclusie gekomen zich voldoende voorgelicht te achten om in deze zaak thans tot een beslissing te kunnen komen. Niet gebleken dat de verzekeringsarts op niet onafhankelijke wijze tot haar oordeel is gekomen. Niet kan haar worden verweten dat zij geen eigen audiologisch onderzoek heeft verricht bij klager, omdat zij bij een behandelend kno-arts informatie heeft ingewonnen. Klacht voor het overige ook ongegrond. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:238 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.405

    Klacht tegen psychiater. Klaagster is (ongeveer) vijftien jaar lang door verweerder (psychiater) behandeld voor (ernstige) psychiatrische problematiek, waaronder ernstige depressies waarbij zij ook suïcidepogingen heeft gedaan. Op enig moment wordt klaagster in het ziekenhuis opgenomen vanwege een combinatie van een delier en trombocytopenie met hematomen. De klacht houdt in dat verweerder: 1) is tekortgeschoten in de zorg aan klaagster door niet eerder te handelen bij de verhoogde lithiumspiegel; 2) is tekortgeschoten in de zorg aan klaagster door haar niet eerder te behandelen voor de afwijkende trombocytenwaarde; 3) zijn zorgplicht niet is nagekomen door stelselmatig zijn regierol als hoofdbehandelaar niet uit te voeren; 4) onzorgvuldig heeft gehandeld door klaagster niet te behandelen ten aanzien van het delier dat zij doormaakte, als ook door klaagster, haar echtgenoot, de huisarts of zijn team niet te informeren over zijn vermoeden dat klaagster een delier had; 5) niet competent was en/of onvoldoende ervaring had om EMDR bij patiënten met complexe PTSS toe te passen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen 1 tot en met 4 gegrond en klachtonderdeel 5 ongegrond verklaard. Aan de psychiater is de maatregel van berisping opgelegd. De psychiater stelt principaal beroep in tegen de gegrondverklaring van klachtonderdelen 1 tot en met 4 maar legt zich in zijn beroepschrift neer bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat hij, gegeven de omstandigheden, onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld in de periode van 13 oktober 2016 tot 24 oktober 2016. Voor zover het beroep van de psychiater is gericht tegen de hoogte van de aan hem opgelegde maatregel slaagt het beroep. Het Centraal Tuchtcollege acht in het onderhavige geval de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Het door klaagster ingestelde incidenteel beroep tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 5 wordt verworpen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het ten aanzien van dat klachtonderdeel gegeven oordeel van het Regionaal Tuchtcollege.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-070

    Ongegronde klacht tegen een huisarts. De zoon van klager is een dag na het bezoeken van de huisarts overleden aan Acuut Coronair Syndroom. Niet is gebleken dat de huisartsonvoldoende acht heeft geslagen op de voorgeschiedenis van de zoon van klager. Er bestonden, ook volgens de NHG-standaard ACS, onvoldoende aanwijzingen voor cardiale problematiek. Daarom was er geen aanleiding voor het maken van een ECG of insturen van de zoon naar een ziekenhuis. De huisarts kon op basis van de voorgeschiedenis, de (hetero)anamnese en de niet alarmerende resultaten van het lichamelijk onderzoek in redelijkheid tot haar differentiaaldiagnose en beleid komen. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:144 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180066

    Klacht over advocaat wederpartij ook in hoger beroep deels gegrond. Verweerder heeft zich in de dagvaarding onnodig grievend over de wederpartij uit te laten door gebruik te maken van zeer persoonlijke brieven met gevoelige inhoud om daaraan vervolgens vergaande conclusies te verbinden betreffende de relatie tussen klager en zijn ouders. Het hof ziet in hetgeen verweerder heeft aangevoerd geen aanleiding om de door de raad opgelegde maatregel van waarschuwing te verlichten. Kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:181 Raad van Discipline 's-Gravenhage 18-136/DH/RO

    Klacht over de kwaliteit van dienstverlening is ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:175 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-810/DH/RO

    Verweerder heeft de betaling van een (gering) bedrag door klager op zijn derdenrekening over het hoofd gezien en vervolgens beslag gelegd ten laste van klager. Dit is onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar. Er wordt geen maatregel opgelegd, omdat klager heeft verzuimd om verweerder er naar aanleiding van herhaalde betalingsverzoeken op te wijzen dat hij al betaald had.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-022

    Gegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Klager kwam op consult bij de verzekeringsarts voor een expertiserapport van een onafhankelijke verzekeringsgeneeskundige in het kader van een beroepsprocedure. De verzekeringsarts had volgens de normen van de beroepsgroep kennis moeten nemen van het dossier van klager, in ieder geval voor zover dit nodig was om zich ervan te vergewissen dat zij de opdracht kon verrichten, ook voor wat betreft haar onafhankelijkheid ten opzichte van de arts op wiens beoordeling de bestreden beslissing gebaseerd was. Zij heeft klager noch tijdens het consult, noch op enig moment (kort) nadien, op de hoogte gebracht van haar positie in deze opdracht en heeft de kwestie aan haar werkgever overgelaten, met als ongewenst gevolg dat haar werkgever het onderzoeksverslag van haar heeft gebruikt om mede op basis daarvan alsnog een expertiserapport te doen opstellen. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:145 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180074

    Klacht tegen advocaat van de wederpartij, dat hij een kansloze zaak heeft aangenomen met als doel zichzelf te verrijken en klager en zijn echtgenote daardoor onnodig op kosten heeft gejaagd, is ook in hoger beroep ongegrond. Bekrachtiging.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:182 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-806/DH/RO

    Verzet ongegrond. De klacht is erop gericht dat verweerder de rechtbank onjuist heeft geïnformeerd in een procedure tegen klagers.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:176 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-663/DH/RO

    Verzet gedeeltelijk gegrond. Klachten deels ongegrond en deels gegrond. Verweerder heeft zijn werkzaamheden voor klager gestaakt zonder klager daarvan op deugdelijke wijze in kennis te stellen. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:137 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-076

    Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De bedrijfsarts is, ervan uitgaande dat onvoldoende is gebleken dat hij toestemming had om het medische dossier van klaagster op te vragen en in zijn advies te betrekken, op zorgvuldige wijze tot zijn advies gekomen. Het advies is in lijn met de informatie die klaagster volgens de aantekeningen van verweerder aan hem heeft verstrekt. De administratie van de werkgever zorgt voor verdere verzending van rapportages, deze gang van zaken acht het College plausibel. Niet gebleken dat de bedrijfsarts niet onafhankelijk is. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:146 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180075

    Klacht tegen eigen advocaat. Deels gegrond. Verweerder heeft in financieel opzicht onzorgvuldig en in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit gehandeld door zonder schriftelijke toestemming van klager en klaagster een declaratie te verrekenen met op de derdengeldenrekening ontvangen gelden. Waarschuwing. Kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:183 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-651/DH/DH

    Verzet tegen de voorzittersbeslissing waarin klager wegens overschrijding van de klachttermijn niet-ontvankelijk is verklaard is ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:177 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-644/DH/DH

    Verzet, tussenbeslissing. Klaagster stelt dat verweerder haar onheus heeft bejegend. Volgens de deken heeft klaagster haar klacht onvoldoende feitelijk onderbouwd, maar ontbreekt bij de deken de mogelijkheid om getuigen te horen. De voorzitter heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klaagster heeft in haar klacht en in verzet verzocht om getuigen te horen. De klacht is van oordeel dat de klacht onvoldoende is onderzocht en verklaart het verzet in zoverre gegrond. De zaak worden verwezen naar de deken voor nader onderzoek.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:138 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-015

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De stelling dat de bedrijfsarts nader onderzoek noodzakelijk achtte om tot een conclusie te komen of er wel of niet sprake was van een beroepsziekte en dat hij daarom (nog) niet tot melding was overgegaan, ontmoet bij het College geen bedenkingen. Dit geldt ook voor het stellen van de diagnose. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2018:19 Kamer voor het notariaat Amsterdam 643905 / NT 18-10

    Naar het oordeel van de kamer kan niet worden vastgesteld dat klager de akte of een concept daarvan op 15 mei 2007 van de notaris heeft gekregen. Niet in geschil is evenwel dat klager en zijn ex-echtgenote kort na 29 mei 2007 de volmacht voor de akte op het kantoor van de notaris hebben ondertekend. Daarin heeft klager verklaard de akte te hebben ontvangen, met de inhoud daarvan bekend te zijn en op de hoogte te zijn van het gegeven dat de eigendom overgaat belast met een hypotheekrecht zoals omschreven in de akte. De kamer gaat er op basis van die door klager ondertekende volmacht vanuit dat klager de onder 1j. aangehaalde brief van 29 mei 2007, waarbij de akte als bijlage was gevoegd, moet hebben ontvangen. Dat klager en zijn vrouw niet hebben gelezen waarvoor zij hebben getekend komt de kamer niet aannemelijk voor. 5.4 Dat betekent dat de hiervoor bedoelde vervaltermijn is gaan lopen vanaf de ontvangst van de akte door klager kort na 29 mei 2007, de dag waarop de notaris de akte in elk geval per post aan klager en zijn ex-echtgenote heeft toegezonden. De kamer is van oordeel dat in ieder geval vanaf dat tijdstip voor klager de mogelijkheid bestond om kennis te nemen van de verwijten, die hij de notaris thans maakt. Dat het perceel met een enorme hypotheek was voorbelast blijkt immers meteen bij kennisname van de akte. De klacht is op 18 februari 2018 ingediend, dus ruim na het verstrijken van de vervaltermijn van drie jaren. De kamer komt dan ook niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de door klager aan het adres van de notaris gemaakte verwijten, waarbij de kamer nog wel opmerkt dat de notaris niet heeft weersproken dat hij geen invulling heeft gegeven aan zijn Belehrungspflicht.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:141 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180072

    Beroep art. 9j lid 7 Aw. Appellant wenst een aantekening te krijgen bij de Hoge Raad en heeft met dat doel de Algemene Raad verzocht hem vrijstelling te verlenen van het vereiste van onvoorwaardelijke inschrijving als advocaat (art. 9j lid 6 jo. lid 1 Aw). Appellant is niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de afwijzende beslissing van de Algemene Raad. De mogelijkheid om in beroep te gaan tegen een beslissing tot weigering van het verzoek om aantekening op het tableau als advocaat bij de Hoge Raad, en tot weigering van de vrijstelling, wordt in de wet (art. 9j lid 7 Aw) slechts toegekend aan de advocaat. Appellant is niet als advocaat ingeschreven op het tableau van de Orde. Het beroep op artikel 4.11 lid 3 Voda kan niet tot een andere conclusie leiden.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:139 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-038

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klaagster is ontvankelijk in haar klacht. De arts heeft op goede gronden betoogd dat er tussen de BMR-vaccinatie en het ontstaan van autisme geen relatie bestaat, geen aanleiding voor de arts om hierover voorafgaand aan de BMR-vaccinatie iets tegen klaagster te zeggen en er is geen enkele aanwijzing dat de BMR-prik de oorzaak kan zijn van ASS of een (andere) handicap bij de zoon van klaagster. Wat er tijdens het consult is gezegd kan het College niet vaststellen. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:236 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2016.497

    Klacht tegen gz-psycholoog en psychiater die in het kader van een tegen klager lopende strafzaak in opdracht van de rechtbank na klinische observatie in multidisciplinair verband een Pro Justitia dubbel-rapportage hebben uitgebracht over de geestvermogens van klager. De klacht behelst drie klachtonderdelen ter zake van de inhoud van de rapportage, de onderliggende rapportages en de aanpak van het onderzoek en de termijnen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege wijst hier een tussenbeslissing waarin twee van de drie klachtonderdelen worden afgewezen. Van belang is de overweging van het College dat het College het onwenselijk acht dat er binnen de forensische setting een ander invulling wordt gegeven aan het begrip ‘werkaantekeningen’ en daarmee aan de regel omtrent het medisch dossier, zonder dat daar regelgeving aan ten grondslag ligt die voor onderzochten kenbaar is. Ter zake van het derde klachtcategorie over de inhoud van de rapportage acht het College zich nog onvoldoende voorgelicht en wordt een aanvullend vooronderzoek gelast.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:133 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-027a

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een oogarts. Klaagster is geopereerd door de oogarts, een arts in opleiding tot oogarts heeft geassisteerd tijdens de operatie. Onduidelijk is gebleven of tijdens het preoperatieve gesprek onbetwistbaar is besproken dat klaagster niet door een leerling geopereerd wilde worden en dat zij ook geen leerlingen aan haar wilde. Hierover verschillen partijen van mening. Het ontbreken van verslaglegging van het preoperatieve gesprek levert in dit geval geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:179 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-789/DH/RO

    Klacht over kwaliteit van dienstverlening ongegrond. Klacht dat verweerder klager onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van de bij de rechtsbijstandsverzekeraar ingediende declaraties gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:142 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180079

    Een advocaat van een partij die wordt geconfronteerd met een derdenbeslag dat hij onjuist acht, dient zich te wenden tot de (advocaat van de) beslaglegger om in overleg de (on)juistheid van het beslag vast te stellen en, indien dat overleg niet tot overeenstemming leidt, kan de advocaat een procedure aanhangig maken jegens de beslaglegger. Verweerster had zich daarom moeten verstaan met de advocaat van de beslaglegger in plaats van met klaagster als derde-beslagene. Verweerster heeft bovendien de belangen van klaagster verontachtzaamd door klaagster er herhaaldelijk en in dwingende bewoordingen toe aan te zetten de eerder afgelegde derdenverklaring te herroepen en de beslagen goederen vrij te geven, zonder klaagster te wijzen op de risico's die dat voor klaagster zou meebrengen. Het hof verhoogt de door de raad opgelegde maatregel tot een berisping. Kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2018:20 Kamer voor het notariaat Amsterdam 645467 / NT 18-17

    De kamer overweegt het volgende. In het samenlevingscontract zijn klager en zijn ex-partner overeengekomen dat zij - als gevolg van ieders aandeel naar evenredigheid in de woning - een vordering (gelijk aan het meerdere) op elkaar verkrijgen, indien blijkt dat de ander meer heeft bijgedragen dan waartoe hij of zij op grond van dat aandeel gehouden is. Uit de door klager overgelegde stukken blijkt dat door hem in 2013 een vraag is gesteld aan de notaris met betrekking tot de mogelijke aanpassing van dit samenlevingscontract. Wat de precieze inhoud van die vraag is geweest, is evenwel niet duidelijk geworden. Evenmin kan op basis van de door klager overgelegde stukken worden vastgesteld dat klager (en zijn ex-partner) ter zake een opdracht aan de kandidaat-notaris hebben verstrekt. Daarbij is van belang dat de kandidaat-notaris per 1 maart 2016 is gedefungeerd als zogenoemde ‘zware waarnemer’ van het protocol van oud-notaris mr. [B] en dat hij sinds die datum daarom ook geen toegang tot de administratie meer heeft. Ter zitting heeft de kandidaat-notaris, net als tegenover de rechtbank, verklaard geen concrete herinnering aan deze zaak te hebben, wat de kamer, anders dan klager, niet onaannemelijk voorkomt. Niet kan dan ook worden vastgesteld dat de kandidaat-notaris (onjuist) heeft geadviseerd, nog daargelaten de vraag of de door klager gewenste wijzigingen ook conform de wens van de ex-partner van klager waren. Immers, uit de door klager overgelegde stukken blijkt niet van door zijn ex-partner zelf uitgesproken wens om het bedrag van € 50.000,- te schenken.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:156 Raad van Discipline Amsterdam 18-309/A/A

    Ongegronde klacht over advocaat wederpartij. Het stond verweerster vrij om binnen de (tweede) betaaltermijn van de factuur beslag te leggen. Klaagster verkeerde immers al in verzuim doordat de (eerste) betalingstermijn van de factuur waarvoor beslag is gelegd was verstreken althans zij de overeenkomst met de cliënte van verweerster had ontbonden.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:157 Raad van Discipline Amsterdam 18-110/A/NH

    Deels gegrond verzet. Verweerster heeft in de gegeven omstandigheden niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt door voor de minderjarige als rechtsbijstandverlener op te treden onder de in de uitspraak geschetste omstandigheden. Het verzet tegen klachtonderd elen a) en c) is gegrond en klachtonderdelen a) en c) zijn gegrond. Het verzet tegen de overige klachtonderdelen is ongegrond. Waarschuwing en proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:170 Raad van Discipline Amsterdam 18-201/A/NN

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:96 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-401/DB/OB

    Klacht deels niet-ontvankelijk wegens verstrijken termijn art. 46g en deels kennelijk ongegrond omdat niet is gebleken dat verweerder in zijn hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:171 Raad van Discipline Amsterdam 18-178/A/A

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:95 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-438 DB /OB

    Grenzen van de aan verweerster, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid, niet overschreden. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2018:54 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen T2018/01

    Een klacht over de wijze van communiceren ten tijde van een tandartsbehandeling. Het college kan de feiten niet vaststellen nu de verklaringen partijen tegenover elkaar staan. Wel kan worden vastgesteld dat de communicatie stroef en met wederzijdse spanning is verlopen. De behandeling had beter gekund. Dit is echter onvoldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt. De klacht wordt in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:92 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-372/DB/LI

    Niet gebleken dat advocaat-cliënt relatie tot stand is gekomen. Vertrouwen in advocatuur niet geschaad. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:234 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.539

    Klacht tegen anesthesioloog. Klager is door een neuroloog verwezen naar verweerster voor een wortelblokkadebehandeling. Bij deze ingreep loopt klager een dwarslaesie op. Klager verwijt verweerster dat zij hem onvoldoende heeft ingelicht over de risico’s van de wortelblokkadebehandeling, dat zij onvoldoende onderzoek heeft verricht voorafgaand aan de behandeling en dat zij na de wortelblokkadebehandeling niet heeft ingegrepen en op geen enkel moment contact heeft opgenomen met het ziekenhuis om te horen hoe het met klager ging. Het Regionaal Tuchtcollege oordeelt dat de anesthesioloog uiterlijk tijdens het tweede contactmoment na de ingreep nader onderzoek had moeten verrichten, dat zij het verpleegkundig personeel, in deze ongebruikelijke situatie, niet toereikend heeft geïnstrueerd en heeft nagelaten het verloop en de contactmomenten in het dossier vast te leggen en verklaart daarmee het derde klachtonderdeel gegrond. A an de anesthesioloog wordt de maatregel van berisping opgelegd en publicatie van de beslissing wordt gelast. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt deze beslissing, verklaart alleen het deel van de klacht gegrond dat betrekking heeft op het nalaten van het doen van onderzoek bij het tweede contactmoment en legt aan de anesthesioloog de maatregel van waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:235 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.051

    Klacht tegen psychiater die als hoofdbehandelaar is opgetreden voor klaagster, die een veelvoud van psychiatrische aandoeningen heeft. De klacht is gedeeltelijk gegrond verklaard door het RTG met oplegging van de maatregel van waarschuwing. De psychiater komt tegen de gedeeltelijke gegrondverklaring en de maatregel in beroep. Concreet verwijt de klaagster de psychiater dat zij onvoldoende alert is geweest en heeft ingegrepen, toen de sociaal psychiatrisch verpleegkundige (SPV) in de behandeling van de patiënte de professionele distantie niet meer in acht nam. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt, anders dat het RTG, dat de psychiater als hoofdbehandelaar voldoende heeft gestuurd, maar door het gebrek aan informatie door de SPV niet een compleet en correct beeld heeft gehad van de situatie. Dit is de SPV aan te rekenen – in een beslissing van het RTG is hem een berisping voor dit verwijt opgelegd - . De psychiater mocht onder de omstandigheden afgaan op de informatie die zij van de patiënte en de SPV kreeg. De gegrondverklaarde onderdelen worden alsnog ongegrond verklaard; de maatregel vervalt.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:128 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-014a(1)

    Klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen tegen de psychiater die betrekking hebben op zijn zoon (patiënt). De curator is – nu patiënt door de ondercuratelestelling in beginsel onbekwaam is om rechtshandelingen te verrichten – de geëigende persoon om namens patiënt klachten in te dienen, dan wel om patiënt toestemming te verlenen om dit zelf te doen. Klager is dus geen rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65 lid 1 onder a van de Wet BIG. Klager is voor het overige wel ontvankelijk omdat deze betrekking hebben op het handelen van de psychiater jegens klager zelf. Het is juist dat de psychiater het contact over de behandeling van patiënt via de curator heeft laten lopen. Klager deels niet-ontvankelijk, klacht voor het overige afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:168 Raad van Discipline Amsterdam 18-102/A/NH

    Ongegrond verzet.