We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

Zoekresultaten 18701-18750 van de 47908 resultaten

  • ECLI:NL:TGDKG:2018:249 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/615639 / DW RK 16/1031

    Klacht (gedeeltelijk) gegrond. Maatregel: berisping. De gerechtsdeurwaarder heeft verzuimd – hoewel toegezegd – de betaalmomenten van de debiteur te agenderen, om zo beter zicht te kunnen houden of de debiteur zich aan de betalingsafspraak hield. Dit verzuim heeft ertoe geleid dat de (eerder) beslagen auto niet meer op de naam van de debiteur stond en in gerechtelijke bewaring nemen geen optie meer was, waardoor de klant van de gerechtsdeurwaarder met lege handen kwam te staan.

  • ECLI:NL:TGDKG:2019:41 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/636342 / DW RK 17/989

    Klager stelt dat de kosten overduidelijk disproportioneel zijn gelet op de hoogte van de schulden. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2019:21 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180036H

    Herzieningsverzoek. Verzoeker stelt dat in hoger beroep fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. Verzoek is ontvankelijk maar wordt afgewezen. Geen schending van beginsel van hoor en wederhoor. Verzoeker heeft ervoor gekozen niet aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling van het hoger beroep omdat hij meende dat hij in zijn schriftelijke stukken voldoende naar voren had gebracht en de beslissing van de raad duidelijk was. Deze inschatting komt voor risico van verzoeker. Het hof is in hoger beroep ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Het klachtonderdeel over het procesrisico van de reconventionele vordering, dat het hof mede heeft betrokken bij de beoordeling van de handelwijze van verzoeker, maakte wel degelijk onderdeel uit van de klacht. Voor zover het hof bij de beoordeling mede in aanmerking heeft genomen dat verzoeker de processtrategie niet schriftelijk heeft vastgelegd, terwijl klager daarover geen verwijt heeft geformuleerd, oordeelt het hof dat die overwegingen niet dragend zijn voor de uiteindelijke beslissing.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2019:72 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-677/DB/ZWB

    De voorzitter heeft terecht geoordeeld dat verweerder de vrijheid van de hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid niet heeft overschreden. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:125 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.419

    Klacht tegen een verzekeringsarts. Klager verwijt de verzekeringsarts dat zij 1) zich niet als een onafhankelijk verzekeringsarts heeft gedragen, nu zij zich niet kan herinneren wat er precies over en weer is gezegd, maar er gezien haar gebruikelijke werkwijze van uitgaat dat klager de betreffende informatie heeft verstrekt. Klager betwist dit 2) ten onrechte heeft vermeld dat de reden van de ziekmelding op 16 september 2010 is gelegen in een conflict met collega’s 3) nooit een audiologisch onderzoek heeft verricht bij klager, noch een onderzoek heeft verricht aan zijn oren 4) klager hersteld heeft gemeld, terwijl zij wist dat klager in januari 2015 een afspraak had bij de KNO-arts en dat er nog een operatie zou volgen 5) in haar brief van 27 oktober 2014 heeft geschreven dat zij klager had gezien. Klager is toen echter gezien door de SMV. Verweerster heeft derhalve onjuiste en misleidende informatie verstrekt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. De behandeling van de zaak in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

  • ECLI:NL:TGDKG:2019:42 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/658240 / DW RK 18/618

    Beslissing op verzet. Dagvaarding is niet betekend. De gerechtsdeurwaarder geeft niet het complete dossier ter inzage. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2019:22 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180238

    Geheimhoudingsplicht ten opzichte van overleden zoon van klagers. Verweerder heeft klagers bijgestaan in civiele - en strafzaken en heeft hun zoon bijgestaan in een strafzaak. Korte tijd voordat de zoon suïcide heeft gepleegd, heeft hij informatie gedeeld met verweerder en hem gevraagd deze informatie met niemand anders te delen. Later hebben klagers verweerder opdracht gegeven tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. De informatie die de zoon aan verweerder heeft toevertrouwd, kan van belang zijn bij dit verhoor. Daarom heeft verweerder de deken gevraagd of hij deze informatie met klagers mag delen en mag gebruiken bij het verhoor. Nadat de deken negatief heeft geadviseerd, heeft verweerder de opdracht aan klagers teruggegeven met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht. Door een tuchtklacht in te dienen, beogen klagers en verweerder duidelijkheid te krijgen over het belangenconflict waarvoor verweerder zich geplaatst ziet. De geheimhoudingsplicht behoort tot de kernwaarden van de advocatuur en kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden doorbroken, waarbij kan worden gedacht aan een directe dreiging van ernstig, toekomstig gevaar voor de advocaat zelf of een betrokkene dat zonder het doorbreken van het beroepsgeheim niet kan worden afgewend. Van zo’n situatie is geen sprake, temeer nu de zoon verweerder nadrukkelijk heeft verboden de informatie te delen met anderen, daaronder begrepen zijn ouders. Klacht ongegrond. Bekrachtiging beslissing raad.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2019:73 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 19-046/DB/LI

    Dat kantoor van verweerder voordat de procedure van klager in hoger beroep was afgerond contact had over en nadat deze procedure was afgerond een cursus heeft verzorgd voor klagers wederpartij levert nog geen belangenverstrengeling op. Strategie en inhoud van processtukken is steeds afgestemd met klager. Niet gebleken dat verweerders optreden ondermaats was. Teveel in rekening gebrachte honorarium was administratieve fout die door verweerder wordt hersteld en die van onvoldoende gewicht is om verweerder een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TGDKG:2019:43 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/655930 / DW RK 18/548

    Beslissing op verzet. Inkomen is min of meer gelijk aan beslagvrije voet. Inboedel is sedert 2003 eigendom van derden en er is vanaf die tijd niets bij gekocht. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2019:74 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-720/DB/ZWB

    Klagers klacht is terecht opgevat als een klacht tegen verweerder en niet als een ook tegen mrs. M en R ingediende klacht. De voorzitter heeft terecht geoordeeld dat door de wijze waarop namens verweerder, in diens hoedanigheid van deken, op klagers vragen is geantwoord, het vertrouwen in de advocatuur niet is ondermijnd. Verzet ongegrond. Verzoek tot gebod om informatie over te dragen en verzoeken tot restitutie van het griffierecht en toekennen van reiskostenvergoeding niet-ontvankelijk wegens ontbreken wettelijke grondslag.

  • ECLI:NL:TADRARL:2019:63 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-039

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij. Advocaat heeft zich in de correspondentie in bijzonder felle bewoordingen uitgelaten. De vraag kan gesteld worden of verweerder er met het oog op de belangen van zijn cliënt (het ging om de belangen van een werknemer in een arbeidszaak) niet verstandiger aan had gedaan op een wat terughoudendere wijze te formuleren. Verweerder heeft echter aangegeven dat hij in deze felle bewoordingen het standpunt van zijn cliënt heeft verwoord en uit het feit dat het door de werkgever naar aanleiding van deze uitlatingen ingediende ontbindingsverzoek door de kantonrechter is afgewezen kan worden afgeleid dat deze bewoordingen ook niet volstrekt uit de lucht kwamen vallen. Dit brengt de voorzitter tot het oordeel dat verweerder bij de keuze van zijn bewoordingen nog wel binnen de grenzen van de aan hem geboden vrijheid in bovenomschreven zin is gebleven. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:120 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.201

    Klacht tegen chirurg, tevens gericht tegen drie andere chirurgen van dezelfde afdeling van het ziekenhuis. Klagers zijn de zoon en dochter van de overleden patiënt. Na een goed verlopen operatie en een aansluitend verblijf in een verpleeghuis wordt patiënt opnieuw met klachten opgenomen in het ziekenhuis. Klagers verwijten de vier chirurgen, onder wie verweerder als eerste operateur en hoofdbehandelaar, dat 1) patiënt na de operatie ten onrechte is ontslagen uit het ziekenhuis en zijn klachten werden gebagatelliseerd, 2) bij de acute heropname zes dagen later geen adequaat diagnostisch traject is gevolgd, dat is nagelaten een spoedecho te maken, 3) ondanks contra-indicatie er vijf dagen nadien contrastvloeistof ter diagnostiek is toegediend hetgeen onherstelbare nierbeschadiging tot gevolg heeft gehad en dat 4) te lang is gewacht met het reageren op de ophoping van vocht in de buik van patiënt, in de hoop op spontane genezing. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGDKG:2019:44 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/636971 / DW RK 17/1028

    Gelet op de situatie van klaagster had de gerechtsdeurwaarder niet zonder meer beslag op haar bankrekening had mogen leggen. Gelet op de door de bewindvoerder verzonden bewijsstukken alsmede het getroffen bedrag uit het (tweede) bankbeslag, had de gerechtsdeurwaarder een beslagvrije voet moeten toepassen. Klacht gegrond, geldboete van € 500,-.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2019:75 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 19-149/DB/ZWB

    Niet gebleken dat verweerster onvoldoende heeft gecommuniceerd of met de wederpartij heeft gesproken. Verweerster hoefde stukken niet te retourneren. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:121 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.202

    Klacht tegen chirurg, tevens gericht tegen drie andere chirurgen van dezelfde afdeling van het ziekenhuis. Klagers zijn de zoon en dochter van de overleden patiënt. Na een goed verlopen operatie en een aansluitend verblijf in een verpleeghuis wordt patiënt opnieuw met klachten opgenomen in het ziekenhuis. Klagers verwijten de vier chirurgen, waaronder verweerder als eerste operateur en hoofdbehandelaar dat 1) patiënt na de operatie ten onrechte is ontslagen uit het ziekenhuis en zijn klachten werden gebagatelliseerd, 2) dat bij de acute heropname zes dagen later geen adequaat diagnostisch traject is gevolgd, dat is nagelateneen spoedecho te maken, 3) dat ondanks contra-indicatie vijf dagen nadien contrastvloeistof ter diagnostiek is toegediend hetgeen onherstelbare nierbeschadiging tot gevolg heeft gehad en 4) dat te lang is gewacht met het reageren op de ophoping van vocht in de buik van patiënt in de hoop op spontane genezing. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGDKG:2019:45 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/633263 / DW RK 17/770

    Klachtonderdeel a gaat over ambtshandelingen van een periode van langer dan drie jaar geleden en is niet-ontvankelijk. Beslagen zijn niet aangekondigd. Beslagvrije voet. Restitutie van de teveel ontvangen gelden heeft te lang op zich laten wachten. Gedreigd met politiebeslag. Bankbeslag ondanks de onderlinge afspraken tegen finale kwijting die zijn neergelegd in het proces-verbaal van de zitting. Klacht gedeeltelijk gegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:122 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.249

    Klacht tegen een verzekeringsarts. Klager verwijt de verzekeringsarts dat zij a) de bedrijfsarts en klager niet heeft gewezen op het feit dat de bedrijfsarts had verzuimd de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten (versie 4) en het NVAB standpunt “claimbeoordeling” (2005) toe te passen b) de bedrijfsarts erop had moeten wijzen dat het volstrekt onlogisch was klager geschikt te verklaren voor het eigen werk, terwijl hij tevens had geadviseerd het binnenklimaat door een arbeidshygiënist te laten onderzoeken c) niet op correcte wijze het “Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium” (1996) heeft toegepast d) niet op correcte wijze het “Rapportageprotocol verzekeringsgeneeskunde” (1999) heeft toegepast e) niet op correcte wijze de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft toegepast (strijd met geheimhoudingsplicht) f) niet op correcte wijze de “Gedragscode voor verzekeringsartsen werkzaam voor de uitvoeringsinstellingen SV” (1997) heeft toegepast. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. De behandeling van de zaak in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2019:70 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 19-078/DB/OB

    Advocaat in hoedanigheid van mediator: vertrouwen in de advocaat niet geschaad. Zakelijke contacten met collega advocaten leveren geen (schijn van) partijdigheid op. Advocaat kan tuchtrechtelijk geen verwijt gemaakt worden van opmerkingen van de advocaat van de wederpartij over zijn cliënt. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGDKG:2019:46 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/656912 / DW RK 18/586

    Beslissing op verzet. Het verzet is ingekomen buiten de termijn van veertien dagen. Verzet niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:123 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.406

    Klacht tegen een verzekeringsarts. Klager verwijt de verzekeringsarts dat zij 1) de rapportage in het kader van de EZWB onzorgvuldig en onjuist heeft opgesteld. Er zijn onjuiste zaken genoteerd in de FML, gebaseerd op de eigen gedachten van verweerster. Ook zijn er onjuiste conclusies getrokken die niet zijn besproken met klager. Hierdoor is er een onjuist beeld ontstaan van klagers mogelijkheden 2) dat zij niet bereid was haar beoordeling te wijzigen naar aanleiding van het telefoongesprek dat tussen hen beiden plaatsvond 3) dat zij hem ten onrechte meedeelde dat hij geen recht op een second opinion had en uiteindelijk maar in bezwaar moest gaan. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. De behandeling van de zaak in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2019:71 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-944 DB/OB

    De voorzitter heeft terecht geoordeeld dat verweerder de vrijheid van de hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid niet heeft overschreden. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TGDKG:2019:91 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/631200 / DW RK 17/630

    Klacht met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een vonnis door middel van het leggen van beslag op roerende zaken met bijstand van een hulpofficier van justitie. De klacht bestaande uit 16 onderdelen wordt in zijn geheel ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRARL:2019:67 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-075

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. Verweerster heeft niet weersproken dat zij een brief niet heeft ingebracht in de procedure bij de rechtbank. Niet is echter gebleken dat zij dit opzettelijk heeft gedaan. Bovendien staat het verweerster vrij om te bepalen welke stukken zij in het geding brengt. Het ontbreken van de brief is ook niet relevant geweest voor de procedure. Dat verweerster een vals stuk heeft ingediend, is niet gebleken.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:124 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.302

    Klacht tegen een verzekeringsarts. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:118 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.199

    Klacht tegen chirurg, tevens gericht tegen drie andere chirurgen van dezelfde afdeling van het ziekenhuis. Klagers zijn de zoon en dochter van de overleden patiënt. Na een goed verlopen operatie en een aansluitend verblijf in een verpleeghuis wordt patiënt opnieuw met klachten opgenomen in het ziekenhuis. Klagers verwijten de vier chirurgen, onder wie verweerder als eerste operateur en hoofdbehandelaar, dat 1) patiënt na de operatie ten onrechte is ontslagen uit het ziekenhuis en zijn klachten werden gebagatelliseerd, 2) bij de acute heropname zes dagen later geen adequaat diagnostisch traject is gevolgd en dat is nagelaten een spoedecho te maken, 3) ondanks contra-indicatie vijf dagen nadien contrastvloeistof tot diagnostiek is toegediend hetgeen onherstelbare nierbeschadiging tot gevolg heeft gehad en dat 4) dat te lang is gewacht met het reageren op de ophoping van vocht in de buik van patiënt in de hoop op spontane genezing. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:112 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.445

    Klager verbleef in GGZ‑instelling waar verweerster als verpleegkundig specialist geestelijke gezondheidszorg werkzaam is. Verweerster was betrokken bij klagers behandeling en begeleiding. Klager verwijt verweerster dat zij over ‘rode vlaggetjes’ heeft gesproken. De symboliek van vlaggen maakt deel uit van het Crisis Signaleringsplan. Klager stelt dat het spreken over ‘rode vlaggetjes’ ertoe kan leiden dat de dosering van de Haldol die hij gebruikt weer wordt opgehoogd. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:119 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.200

    Klacht tegen chirurg, tevens gericht tegen drie andere chirurgen van dezelfde afdeling van het ziekenhuis. Klagers zijn de zoon en dochter van de overleden patiënt. Na een goed verlopen operatie en een aansluitend verblijf in een verpleeghuis wordt patiënt opnieuw met klachten opgenomen in het ziekenhuis. Klagers verwijten de vier chirurgen, onder wie verweerder als eerste operateur en hoofdbehandelaar, dat 1) patiënt na de operatie ten onrechte is ontslagen uit het ziekenhuis en zijn klachten werden gebagatelliseerd, 2) bij de acute heropname zes dagen later geen adequaat diagnostisch traject is gevolgd, dat is nagelaten een spoedecho te maken, 3) ondanks contra-indicatie vijf dagen nadien contrastvloeistof diagnostiek is toegediend hetgeen onherstelbare nierbeschadiging tot gevolg heeft gehad en dat 4) te lang is gewacht met het reageren op de ophoping van vocht in de buik van patiënt in de hoop op spontane genezing. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:113 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.471

    Klager heeft beroep ingesteld van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor zover daarbij zijn klachten zijn afgewezen. Klager formuleert in beroep drie beroepsgronden: 1. het Regionaal Tuchtcollege heeft de schijn van vooringenomenheid gewekt door, nadat de zitting was gesloten en klager en zijn echtgenote de zittingszaal hadden verlaten, met de neurochirurg in de zittingszaal achter te blijven, 2. de neurochirurg heeft in 2009-2010 verwijtbaar gehandeld in zijn conservatieve behandeling van de gevolgen van de door klager postoperatief opgelopen spondylodiscitis, omdat deze behandeling niet behoorlijk is gemonitord en belangrijke symptomen zijn genegeerd. Daarnaast heeft de neurochirurg de nekproblematiek los gezien van diens medische voorgeschiedenis en rugproblematiek en 3. het medisch dossier van klager voldoet niet aan de eisen die de wet daar aan stelt. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:107 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.233

    Klacht van een moeder tegen een huisarts (verweerder), psychiater en twee apothekers na overlijden dochter, hierna patiënte. Patiënte had een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Zij was hiervoor in behandeling bij een psychiater (eveneens aangeklaagd: C2018.234) en kreeg hiervoor medicatie. Deze is verstrekt door de apotheek waar twee apothekers werkzaam zijn die eveneens zijn aangeklaagd (C2018.235 en C2018.236). Klaagster had vanaf enig moment, ondanks verschillende pogingen daartoe van haar zijde, geen contact meer met patiënte. Twee maanden nadien is patiënte overleden. Klaagster verwijt de huisarts dat hij patiënte te veel en te zware medicatie heeft voorgeschreven. Klaagster vermoedt dat deze medicatie heeft geleid tot de dood van patiënte. Het Regionaal Tuchtcollege overweegt het navolgende: De stukken in het dossier leveren in onderling verband en samenhang bezien zodanige aanwijzingen op dat gerede twijfel bestaat of klaagster met het indienen van haar klacht de wil van de overleden patiënte vertegenwoordigt. Het college laat daarbij zwaar meewegen dat klaagster geen contact meer met haar dochter had. Het college kan er niet van uitgaan dat klaagster met het voeren van deze tuchtprocedure de wil van de overleden patiënte vertegenwoordigt, zodat zij geen van de wil van patiënte afgeleid klachtrecht heeft. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:114 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.319

    Klacht tegen een chirurg. Klager verwijt de chirurg a) dat hij niet gehandeld heeft naar de aanbevelingen van de landelijke richtlijn schildkliercarcinoom b) dat de dossiervorming onvoldoende is c) dat hij niet de operatie heeft uitgevoerd die met klager was afgesproken en de toegepaste operatietechniek niet kon leiden tot een in opzet radicale resectie. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel b) gegrond verklaard en de chirurg ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van de stukken en hetgeen door partijen over en weer ter terechtzitting in beroep nog naar voren is gebracht - een en ander voor zover relevant in het kader van de voorliggende klachten en de tuchtrechtelijke beoordeling van de individuele gezondheidszorg - tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder “5. De overwegingen van het college” heeft overwogen met betrekking tot de klachtonderdelen a.1 tot en met a.4 en c hier over. Het Centraal Tuchtcollege hecht eraan hieraan nog toe te voegen dat het beter was geweest als de chirurg nadrukkelijk melding had gemaakt in het medisch dossier van klager dat er aandacht is besteed aan de bijschildklieren. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:108 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.234

    Klacht van een moeder tegen een psychiater (verweerder), een huisarts en twee apothekers na overlijden dochter, hierna patiënte. Patiënte had een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Zij was hiervoor in behandeling bij een psychiater en kreeg hiervoor ook van de huisarts (C2018.233) medicatie. Deze is verstrekt door de apotheek waar twee apothekers werkzaam zijn die eveneens zijn aangeklaagd (C2018.235 en C2018.236). Klaagster had vanaf enig moment, ondanks verschillende pogingen daartoe van haar zijde, geen contact meer met patiënte. Twee maanden nadien is patiënte overleden. Klaagster verwijt de psychiater dat hij patiënte te veel en te zware medicatie heeft voorgeschreven. Klaagster vermoedt dat deze medicatie heeft geleid tot de dood van patiënte. Het Regionaal Tuchtcollege overweegt het navolgende: De stukken in het dossier leveren in onderling verband en samenhang bezien zodanige aanwijzingen op dat gerede twijfel bestaat of klaagster met het indienen van haar klacht de wil van de overleden patiënte vertegenwoordigt. Het college laat daarbij zwaar meewegen dat klaagster geen contact meer met haar dochter had. Het college kan er niet van uitgaan dat klaagster met het voeren van deze tuchtprocedure de wil van de overleden patiënte vertegenwoordigt, zodat zij geen van de wil van patiënte afgeleid klachtrecht heeft. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2019:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-279

    Deels gegronde klacht tegen een arts. De arts heeft conform de binnen de beroepsgroep geldende standaard gehandeld door echografisch onderzoek te verrichten toen tijdens de abortusbehandeling bleek dat er geen duidelijke vruchtzak in het curettement te zien was en dat het embryo mogelijk niet verwijderd was. De keuze voor een abdominale echo in plaats van een vaginale echo verdient niet de voorkeur, maar levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Dat de arts een tweede echografisch onderzoek niet kon verrichten omdat klaagster op eigen initiatief de kliniek had verlaten, kan hem niet worden verweten. Wel had de arts vollediger kunnen zijn in de registratie in het medisch dossier. De arts heeft zich in de nazorg te passief opgesteld. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:115 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.294

    Klacht tegen een chirurg. Klager verwijt de chirurg dat hij 1) klager niet goed en niet volledig heeft geïnformeerd over de behandeling 2) ondanks toezeggingen niet aan ‘de mat’, die eerder bij een littekenbreuk-correctie is ingebracht, te zullen komen, dit toch heeft gedaan 3) klager onvoldoende nazorg heeft geboden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel 1 gegrond verklaard en de chirurg ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige afgewezen. Tegen het oordeel van het Regionaal Tochtcollege dat klachtonderdeel 1 gegrond en dat de chirurg ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing moet worden opgelegd, is de chirurg niet in beroep gekomen. Dit deel van de klacht (klachtonderdeel 1) is daarom in beroep niet meer aan de orde. Ter zake van de klachtonderdelen 2 en 3 onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de chirurg niet ongeclausuleerd heeft gezegd niet aan de mat te zullen komen en dat geen sprake is van onvoldoende nazorg door de chirurg. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:109 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.235

    Klacht van een moeder tegen een psychiater, een huisarts en twee apothekers (verweerders) na overlijden dochter, hierna patiënte. Patiënte had een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Zij was hiervoor in behandeling bij een psychiater en kreeg hiervoor ook van de huisarts (C2018.233) medicatie. Deze is verstrekt door de apotheek waar twee apothekers werkzaam zijn die eveneens zijn aangeklaagd (C2018.235 en C2018.236). Klaagster had vanaf enig moment, ondanks verschillende pogingen daartoe van haar zijde, geen contact meer met patiënte. Twee maanden nadien is patiënte overleden. Klaagster verwijt de psychiater dat hij patiënte te veel en te zware medicatie heeft voorgeschreven. Klaagster vermoedt dat deze medicatie heeft geleid tot de dood van patiënte. Het Regionaal Tuchtcollege overweegt het navolgende: De stukken in het dossier leveren in onderling verband en samenhang bezien zodanige aanwijzingen op dat gerede twijfel bestaat of klaagster met het indienen van haar klacht de wil van de overleden patiënte vertegenwoordigt. Het college laat daarbij zwaar meewegen dat klaagster sinds een half jaar geen contact meer met haar dochter had. Het college kan er niet van uitgaan dat klaagster met het voeren van deze tuchtprocedure de wil van de overleden patiënte vertegenwoordigt, zodat zij geen van de wil van patiënte afgeleid klachtrecht heeft. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2019:78 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-330a

    Gegronde klacht tegen een kinderarts. Het lag op de weg van de kinderarts door te vragen naar het beloop van de koorts van het paar maanden oude zoontje van klaagster. Ook heeft de kinderarts onvoldoende gewicht toegekend aan de overige alarmsymptomen, zoals de vervellingen in de hals en op de oren, het urticarieel huidbeeld op de handen en de vingers en de lymfeklierzwelling in de hals. Ook bij deze onvolledige presentatie had de zeldzame ziekte van Kawasaki ten minste als differentiaal diagnose moeten worden meegewogen in de verdere beoordeling en behandeling. Klacht gegrond, geen maatregel.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:116 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.127

    Klacht tegen een bedrijfsarts die gedurende een half jaar verantwoordelijk was voor de verzuimbegeleiding van klager. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2019:79 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-230a

    Ongegronde klacht tegen een arts. Uit het medisch dossier is gebleken dat de arts op de SEH op de hoogte was van (de redenen van) de verwijzing van het kleinkind van klaagster door de huisarts en dat zij daar ook naar heeft gehandeld. Geen verwijt dat de arts geen kennis heeft genomen van de verwijsbrief. De anamnese, het lichamelijk onderzoek en de beoordeling zijn zorgvuldig en conform de richtlijnen uitgevoerd. Gezien de bevindingen en het ontbreken van alarmsymptomen was er geen indicatie om het kleinkind ter observatie op te nemen. Het kan de arts niet worden verweten dat zij de specialistenbrief heeft verstuurd aan de door de ouders, achteraf onjuist, opgegeven huisarts. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:110 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.236

    Klacht van een moeder tegen een psychiater, een huisarts en twee apothekers (verweerders) na overlijden dochter, hierna patiënte. Patiënte had een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Zij was hiervoor in behandeling bij een psychiater en kreeg hiervoor ook van de huisarts (C2018.233) medicatie. Deze is verstrekt door de apotheek waar twee apothekers werkzaam zijn die eveneens zijn aangeklaagd (C2018.235 en C2018.236). Klaagster had vanaf enig moment, ondanks verschillende pogingen daartoe van haar zijde, geen contact meer met patiënte. Twee maanden nadien is patiënte overleden. Klaagster verwijt de psychiater dat hij patiënte te veel en te zware medicatie heeft voorgeschreven. Klaagster vermoedt dat deze medicatie heeft geleid tot de dood van patiënte. Het Regionaal Tuchtcollege overweegt het navolgende: De stukken in het dossier leveren in onderling verband en samenhang bezien zodanige aanwijzingen op dat gerede twijfel bestaat of klaagster met het indienen van haar klacht de wil van de overleden patiënte vertegenwoordigt. Het college laat daarbij zwaar meewegen dat klaagster sinds een half jaar geen contact meer met haar dochter had. Het college kan er niet van uitgaan dat klaagster met het voeren van deze tuchtprocedure de wil van de overleden patiënte vertegenwoordigt, zodat zij geen van de wil van patiënte afgeleid klachtrecht heeft. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2019:78 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/181

    Klager verwijt verweerder het bewust achterhouden en manipuleren van de medische gegevens van klager en deze gegevens bewust en met opzet in het medisch verslag vermelden, zodat derden die klagers medisch verslag doornemen een onjuiste indruk krijgen die niet gebaseerd is op de werkelijkheid. Ongegrond

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:117 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.155

    Klacht tegen een chirurg. Klager verwijt de chirurg dat hij een medische fout heeft gemaakt bij de operatie van 11 oktober 2012, waarbij een sutured haemorroidopexie is uitgevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van het schriftelijk en mondeling debat ter terechtzitting in beroep wat betreft het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van chirurg tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen hier over. Daarmee onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de keuze van de chirurg voor de uitgevoerde operatie, gelet op de omstandigheden, juist voorkomt, omdat herhaling van de standaard haemorroidectomie zeer veel kans geeft op incontinentie en andere klachten en ook de PPH methode veel complicaties kent. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2019:67 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-354

    Ongegronde klacht tegen een arts. De arts heeft voldoende onderbouwd dat de baring bij klaagster onvoldoende vorderde en dat de episiotomie en de fundusexpressie noodzakelijk waren. Niet gebleken dat de arts de wond niet lege artis heeft gehecht. De communicatie en de uitleg over de fundusexpressie en de episiotomie hadden wel zorgvuldiger kunnen verlopen, maar dit is niet zodanig dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:111 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.431

    Klager was opgenomen op de gesloten afdeling van een GGZ-instelling waar verweerder als teamleider bedrijfsvoering werkzaam is. Er was geen behandelrelatie tussen klager en verweerder. Klager verwijt verweerder onder meer dat hij niet serieus werd genomen en allerlei diagnoses opgeplakt kreeg en dat verweerder niet heeft ingegrepen toen klager door een medepatiënt werd getrapt en uitgescholden. Klager is van mening dat verweerder als teamleider eindverantwoordelijk is voor de incidenten op de afdeling en voor zijn behandeling. Het Regionaal Tuchtcollege concludeert dat het handelen of nalaten van verweerder niet kan worden getoetst aan de in artikel 47, lid 1, onder a en b, van de Wet BIG neergelegde eerste en tweede tuchtnorm en verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2019:80 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-230b

    Ongegronde klacht tegen een kinderarts. De kinderarts werkte op desbetreffende dag als supervisor. Zij mocht op basis van de feitelijk correcte presentatie van de casus door de arts-assistent tot de slotsom komen dat het kleinkind van klaagster na aankomst op de SEH zorgvuldig werd behandeld door de arts-assistent en haar tussenkomst niet nodig was. Het kan de kinderarts niet worden verweten dat de specialistenbrief is verstuurd aan de door de ouders, achteraf onjuist, opgegeven huisarts. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2019:55 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-024

    Op grond van artikel 4 van het openbare wrakingsprotocol Raden van Discipline oordeelt de wrakingskamer schriftelijk dat verzoeker te laat, want niet meteen nadat hij bekend is geworden met de feiten en omstandigheden die hij aan zijn wraking ten grondslag heeft gelegd (artikel 1 lid 5), de behandelende raad heeft gewraakt. Het verzoek tot wraking is daarom kennelijk ongegrond en wordt afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:300 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-281

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij kennelijk ongegrond. Dat verweerder klager in de dagvaarding heeft vermeld op de wijze zoals hij heeft gedaan is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

  • ECLI:NL:TADRARL:2019:56 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-835

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen deken kennelijk niet-ontvankelijk nu de voorzitter niet is gebleken dat klagers door het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van deken in hun eigen belang zijn getroffen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:301 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-722

    De voorzitter oordeelt de klacht van klager niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de driejaarstermijn ex artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet, nu van een verschoonbare termijnoverschrijding niet is gebleken.

  • ECLI:NL:TADRARL:2019:57 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-007

    Essentie: De voorzitter oordeelt de klacht deels kennelijk ongegrond wegens ne bis in idem-beginsel van artikel 47b lid 1 Advocatenwet, deels niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding ex artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet, en voor het overige kennelijk ongegrond. Verweerder heeft niet de grenzen van de hem, als advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid overschreden. De door klager kennelijk bedoelde ‘getuige’ heeft zich zelf tot de cliënt en daarna, op verzoek van zijn cliënt, tot verweerder gewend, zodat van onjuiste beïnvloeding van een getuige geen sprake is. Dat verweerder jegens die persoon, of anderen, klager ‘zwart heeft gemaakt’ en zijn privacy heeft geschonden of zou hebben misleid en beïnvloed om tegen klager te getuigen, is de voorzitter, bij gebreke van concrete feiten die die verwijten onderbouwen, niet gebleken.

  • ECLI:NL:TADRARL:2019:58 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-533

    Klager verwijt verweerder dat hij hem onvoldoende heeft geïnformeerd en onvoldoende met hem zou hebben samengewerkt. Verweerder was niet verplicht het volledige dossier of de elektronische rolberichten met klager te delen. Uit de zich in het klachtdossier bevindende stukken blijkt dat verweerder klager steeds op de hoogte heeft gehouden en processtukken in concept heeft toegezonden. De raad kan niet vaststellen dat verweerder in strijd met de wil van klager arrest zou hebben gevraagd. Ook is de raad niet gebleken dat de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder onvoldoende zou zijn. Klacht op alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2019:59 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-534

    Klager verwijt verweerder dat hij ondanks verzoeken van klager heeft nagelaten het volledige strafdossier met klager te delen, dat verweerder de getuigenverhoren en de zitting niet goed heeft voorbereid en dat verweerder slecht bereikbaar was. Verweerder zou voorts onduidelijkheid hebben laten bestaan over de wijze waarop de werkzaamheden zouden worden vergoed: op toevoegbasis of op betalende basis en de kwaliteit van de dienstverlening zou onvoldoende zijn. De raad is van oordeel dat verweerder niet verplicht was het volledige dossier aan klager te verstrekken. Van niet goed voorbereid zijn voor de getuigenverhoren is niet gebleken. De voorbereiding voor de zitting verdient geen schoonheidsprijs, maar het handelen van verweerder is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Niet gebleken dat verweerder niet bereikbaar was. Verweerder heeft duidelijk aangegeven klager op toevoegingsbasis bij te zullen staan. Verweerder heeft pas laat gezien dat de aanvraag was afgewezen maar heeft klager daarover direct na ontdekking geïnformeerd. Dat de toevoeging uiteindelijk pas kort voor de zitting toch werd verleend kan verweerder niet worden verweten. Niet gebleken dat de kwaliteit van de dienstverlening onvoldoende was. Klacht op alle onderdelen ongegrond.