Zoekresultaten 12651-12700 van de 48190 resultaten

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:210 Raad van Discipline Amsterdam 21-510/A/NH/D

    Dekenbezwaar. Advocaat heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar en in strijd met artikel 48 Advocatenwet gehandeld doordat zij niet heeft voldaan aan de voorwaarden van haar schorsing zoals bepaald in een eerdere uitspraak van de raad van discipline. Schrapping zonder proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2021:24 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2020/83

    De klacht van klager valt (kort gezegd) uiteen in de volgende twee klachtonderdelen. 1. De notaris heeft onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid en de onafhankelijke wilsvorming van moeder. 2. De notaris weigert met een onterecht beroep op zijn geheimhoudingsplicht om informatie te verstrekken over de gang van zaken bij het opstellen en passeren van de volmacht. Klachtonderdeel 1 wordt ongegrond verklaard. Klachtonderdeel 2 wordt gegrond verklaard. De kamer heeft daartoe overwogen dat onder de geheimhoudingsplicht alleen valt wat de notaris als zodanig is toevertrouwd en waarvan de cliënt erop mocht vertrouwen dat het verborgen blijft voor anderen. De notaris heeft niet weersproken dat de vragen die hem door klager zijn gesteld, (grotendeels) de gang van zaken rond de totstandkoming van de volmacht betroffen. De notaris had klager, die daarbij een redelijk belang had, uitleg moeten geven over de gang van zaken rondom het opstellen en passeren van de volmacht, meer in het bijzonder over hoe zijn beoordeling van de wilsbekwaamheid en onafhankelijke wilsvorming van moeder heeft plaatsgevonden. Indien de notaris meende dat bepaalde zaken tóch onder zijn geheimhoudingsplicht vielen, had hij daarover in zijn correspondentie met klager uitleg moeten geven, hetgeen de notaris heeft nagelaten. Aan de notaris wordt de maatregel van waarschuwing opgelegd

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:157 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-889/DB/OB

    Verzet. De voorzitter heeft terecht en op juiste gronden toepassing gegeven aan artikel 46j Advocatenwet, op grond waarvan de klacht zonder voorafgaande mondelinge behandeling bij beslissing van de voorzitter kan worden afgedaan. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:211 Raad van Discipline Amsterdam 20-859/A/A

    Klacht over eigen advocaat ongegrond. Dat verweerder geen werkzaamheden zou hebben verricht en dat derhalve ten onrechte zes uren bij de raad van rechtsbijstand zou hebben gedeclareerd is de raad niet gebleken.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:206 Raad van Discipline Amsterdam 21-237/A/A

    Klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft een beroepsfout gemaakt door de echtscheidingsbeschikking niet tijdig in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand. Verweerder heeft zijn fout na ontdekking erkend en heeft klaagster hiervoor zijn excuses aangeboden. Ook heeft verweerder de door klaagster betaalde eigen bijdrage aan klaagster terugbetaald en klaagster aangeboden handelingen te verrichten om de schade die als gevolg van de fout zou kunnen ontstaan te beperken en/of weg te nemen. De raad ziet hierin aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:207 Raad van Discipline Amsterdam 20-638/A/NH

    Klacht over advocaat wederpartij. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zich tot de rechtbank te wenden zonder een kopie van dat bericht aan de wederpartij te zenden. Overige klachtonderdelen zijn ongegrond. Waarschuwing en proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:208 Raad van Discipline Amsterdam 20-639/A/NH

    Klacht over advocaat wederpartij. Tussenbeslissing waarin de beslissing op één klachtonderdeel wordt aangehouden. Overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:209 Raad van Discipline Amsterdam 21-176/A/NH

    Klacht over advocaat wederpartij. Verweerder heeft in strijd met gedragsregels 21 en 25 gehandeld door bij zowel de betekening als de aanbrenging van de dagvaarding niet een kopie van de dagvaarding aan de bij hem bekende advocaat van klaagster te sturen. Het is daarnaast tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder de advocaat van klaagster niet op de hoogte heeft gebracht van zijn voornemen het verstekvonnis te gaan executeren. Berisping.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:156 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-585/DB/LI

    Verzetbeslissing. Klacht tegen advocaat van de wederpartij is door de voorzitter terecht en op juiste gronden kennelijk ongegrond verklaard. Verzet ongegrond. Ter zake het verzoek van verweerder om voor recht te verklaren dat klager zich heeft schuldig gemaakt aan misbruik van procesrecht biedt de Advocatenwet geen wettelijke basis, zodat dit verzoek niet in behandeling kan worden genomen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:183 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210039

    Beroep in zaak waar appelverbod geldt. Klager stelt dat fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden, omdat in strijd met de waarheidsplicht is geoordeeld en de beslissing van de raad geen feitelijke inhoudelijk oordeel bevat. Het hof overweegt dat de stellingen neerkomen op een beroep op een motiveringsgebrek en oordeelt dat dit geen doorbreking van het appelverbod kan meebrengen. Beroep niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:184 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210079

    Klacht over advocaat wederpartij in familiezaak. Wederzijds beroep. Het beroep van verweerster dat de klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het gebeurde al te lang geleden is en zij de precieze gang van zaken zich niet kan heugen, faalt. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door ondanks de onherroepelijke gerechtelijke uitspraken, het oordeel van klagers behandelaren en het rapport van RvdK waaruit volgt dat zij geen risico van recidive van ontucht bij klager zien, toch (klacht)brieven te blijven sturen naar instanties dat klager een agressieve pedofiel is en meer van dit soort opvattingen van haar cliënte als feitelijk en neutraal te presenteren. Het beroep van klager faalt, omdat het verweerster vrij stond om met haar cliënte andere processtappen te verkennen en zich niet neer te leggen bij de uitspraak van het gerechtshof. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:178 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200260

    Klacht tegen eigen advocaat. Ontvankelijkheid klacht: uit de overgelegde stukken blijkt niet concreet dat klaagsters eerder dan in de civiele aansprakelijkheidsprocedure kennis konden hebben van verweerders (vermeende) betrokkenheid bij de overdracht van een licentie door de voormalig bestuurder van klaagster. Klaagsters zijn ontvankelijk. Voor de beoordeling van het beroep gelast het hof een getuigenverhoor, gezien de ernst van het verwijt aan verweerder en de uiteenlopende verklaringen (en stukken) die partijen hebben overgelegd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:185 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210080W

    Wraking. Verweerder heeft een aanhoudingsverzoek van verzoekster wegens coronagerelateerde acute klachten geweigerd. Verzoekster meent dat uit de gang van zaken rondom het aanhoudingsverzoek een schijn van partijdigheid van verweerder blijkt. De wrakingskamer stelt voorop dat een klaagster uit het oogpunt van goede procesorde er baat bij heeft dat zij bijgestaan kan worden door haar gemachtigde, bij voorkeur fysiek en anders via Skype. Uit de gang van zaken en de toelichting van verweerder blijkt dat hij er vanuit ging dat de gemachtigde zich ten onrechte beriep op een snel verslechterende gezondheid om de zitting geen doorgang te laten vinden. De wrakingskamer ziet echter geen objectieve aanwijzing voor die aanname. Verweerder heeft de ziekmelding van de gemachtigde onvoldoende serieus genomen. Wraking gegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:179 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200268

    Klacht tegen eigen advocaat. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door een e-mail met inhoudelijke zaaksinformatie aan klager in CC aan de maatschappelijk werkster. Het enkele feit dat zij nauw betrokken was bij de gang van zaken, is geen rechtvaardiging dergelijke vertrouwelijke informatie voor klager met haar te delen. Dit zou anders zijn als klager toestemming heeft gegeven voor het zenden van die informatie aan haar. De stelling van verweerder dat hij die toestemming had, is gemotiveerd door klager en niet nader onderbouwd. Het hof verklaart de klacht gegrond. Het hof zou normaliter een berisping opleggen voor de schending van de kernwaarde vertrouwelijkheid, maar ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding te matigen naar een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:180 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200273

    Klacht tegen eigen advocaat. Verweerder heeft de zaak van klaagster neergelegd, terwijl zij binnen een week nadere stukken kon indienen bij de rechtbank. Het hof komt evenals de raad tot de conclusie dat een opdracht tot stand is gekomen (gezien de correspondentie tussen partijen) en dat verweerder de zaak ontijdig heeft neergelegd. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:181 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210030W

    Wrakingsverzoek. Verzoeker heeft verweerders gewraakt omdat is geweigerd de zitting van 28 mei 2021 aan te houden en omdat is geweigerd het e-mailbericht van 20 mei 2021 van verzoeker gericht aan de griffie van het hof bij de behandeling van zijn zaak te betrekken en het terzijde te leggen. Een onwelgevallige (processuele) beslissing van het hof kan geen grond vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het procesreglement is correct toegepast. Het wrakingsverzoek wordt kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:155 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-1008/DB/LI

    Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. De raad stelt vast dat het Hof ’s-Hertogenbosch ter zake bij arrest d.d. 22 oktober 2020 heeft geoordeeld dat jegens klager rauwelijks een faillissementsverzoek is ingediend. Het aan op 15 juli 2020 aan klager betekende betalingsbevel maakte geen expliciete melding van een faillissementsaanvraag. Klager hoefde, gezien het door deurwaarder E beschikken over een executoriale titel alsook gezien de omvang van het aan de orde zijnde verschuldigde bedrag, geen faillissementsaanvraag te verwachten. Op grond van het voorgaande staat vast dat het faillissementsverzoek rauwelijks ingediend. In zoverre is de klacht gegrond. Dat het verzoek zonder grond is ingediend is evenwel niet gebleken. De curator heeft blijkens het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch d.d. 22 oktober 2020 aan het hof medegedeeld dat sprake was van meerdere schuldeisers. Dat klager het bestaan van de vorderingen heeft betwist, maakt naar het oordeel van de raad dan ook niet dat verweerder, door in het faillissementsrekest te betogen dat sprake was van pluraliteit van schuldeisers, een onpleitbaar standpunt heeft ingenomen. Dat naar het oordeel van het Hof niet kan worden uitgesloten dat klager reeds had betaald voordat hij had kennis genomen van het door verweerder ingediende faillissementsverzoek betekent naar het oordeel van de raad voorts dat over de vraag of deurwaarder E ten tijde van het indienen van het faillissementsverzoek een openstaande vordering op klager had, minst genomen discussie kon bestaan. Omdat op grond van het voorgaande naar het oordeel van de raad niet is gebleken dat het faillissementsverzoek zonder grond is ingediend, is de klacht in zoverre ongegrond. Berisping. Proceskostenveroordeling

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:182 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210038

    Klacht over advocaat wederpartij. Verweerster heeft volgens klager de rechtbank misleid door bij de rechter te wijzen op goede bedoelingen en te stellen dat die de verhoudingen wilde normaliseren, terwijl zij op de achtergrond ten strijde trok tegen klager. Het hof oordeelt dat dit niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is, maar dit handelen past bij de vrijheid die een advocaat heeft om de belangen van de cliënte te behartigen. Evenals de raad acht het hof dit klachtonderdeel ongegrond. Ten aanzien van het verwijt dat verweerster in haar processtukken een vals beeld over klager heeft geschetst, geldt dat die klacht niet-ontvankelijk is voor zover die processtukken eerder dan 3 jaar voor indiening van de klacht aan klager bekend zijn geworden. Voor zover dit klachtonderdeel wel ontvankelijk is, concludeert het hof dat er onvoldoende bewijs is dat verweerster in strijd met de waarheid heeft verklaard. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond. Bekrachtiging oordeel raad.

  • ECLI:NL:TNORARL:2021:47 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/372567 / KL RK 20-77

    De kamer is van oordeel dat de verwijten die klaagster de notaris maakt (onpartijdigheid, verwaarlozing zorg-, waarschuwings- en identificatie- en geheimhoudingsplicht, alsmede falen als partij-adviseur) geen van alle doel kunnen treffen. De ambtsverplichtingen waar klaagster haar verwijten op baseert, hoezeer deze uiteraard ook in deze zaak voor de notaris gelden, nemen immers niet weg dat de notaris op grond van zijn ministerieplicht gehouden was te voldoen aan het verzoek van de advocaat van [E.] om mee te werken aan de doorhaling van het recht van hypotheek in de vorm van het tekenen van een royementsvolmacht. Deze verplichting van klaagster berustte aanvankelijk op het verstekvonnis van 5 (hersteld op 6) februari 2020 en nadien (mede) op de uitkomst van het daartegen ingesteld verzet. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2021:21 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2021/5

    Klagers verwijten de kandidaat-notaris dat hij onzorgvuldig en partijdig heeft gehandeld bij het verzorgen van de algehele doorhaling van de in 2011 en 2013 ten behoeve van de bank op (onder meer) de percelen gevestigde hypotheekrechten. De kamer is van oordeel dat de kandidaat-notaris de zorgvuldigheid heeft betracht die een behoorlijk handelend kandidaat-notaris betaamt. Zijn handelwijze getuigt niet van de door klagers gestelde verwijtbare partijdigheid. De bank was de enige die bevoegd was om de hypotheekrechten op te zeggen en daartoe een royementsvolmacht af te geven. Met de kandidaat-notaris is de kamer van oordeel dat de kandidaat-notaris niet verplicht was om klagers te informeren over het doorhalen van de hypotheekrechten. Dat de bank abusievelijk akkoord is gegaan met algehele doorhaling van de beide hypotheekrechten is niet toe te rekenen aan de kandidaat-notaris. Op basis van de verstrekte kadastrale informatie in het royementsverzoek en in de royementsvolmacht was het aan de bank om te onderzoeken welke onroerende zaken nog waren ondergezet en of er nog leningen/kredieten liepen die door de hypotheekrechten waren veiliggesteld. In de gegeven omstandigheden ziet de kamer niet in wat er nog meer van de kandidaat-notaris verwacht had mogen worden, temeer nu een (kandidaat-) notaris in het algemeen geen invloed heeft op de handel- en werkwijze van de bank. Dat dat in dit geval anders zou zijn, is gesteld noch gebleken. De klacht wordt ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2021:22 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2021/1

    In deze procedure staat tussen partijen niet ter discussie dat de door het executoriaal beslag getroffen gelden tot aan de hoogte van de vordering van klager door de notaris aan de deurwaarder moesten worden overgemaakt en dat dit uiteindelijk ook is gebeurd. Klager verwijt de notaris echter dat hij de gelden te laat heeft overgeboekt. Los van de vraag op welke datum de gelden zijn overgeboekt door de notaris en op welke datum de gelden zijn ontvangen door de deurwaarder (de discussie hierover tussen partijen betreft slechts één werkdag verschil), volgt uit de gevoerde correspondentie dat de op 6/8 januari 2021 ontstane discussie tussen de notaris en de deurwaarder over de uitbetaling van de door het executoriaal beslag getroffen gelden nog liep op het moment dat klager op 8 januari 2021 deze klacht indiende tegen de notaris. Aangezien klager de uitkomst van de discussie niet heeft afgewacht, is de kamer van oordeel dat klager wel heel voortvarend en vasthoudend heeft gehandeld door deze klacht in te dienen en te handhaven. Hoewel aan klager kan worden toegegeven dat de notaris de gelden een paar dagen eerder had kunnen overmaken naar de deurwaarder, is de door de notaris gehanteerde betalingstermijn in de gegeven omstandigheden niet onoverkomelijk. De kamer is van oordeel dat uit de handelwijze van de notaris niet kan worden opgemaakt dat hij zich niet neutraal zou hebben opgesteld en de indruk zou hebben gewekt dat hij partijdig is. De klacht wordt ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:203 Raad van Discipline Amsterdam 21-659/A/A

    Voorzittersbeslissing, Klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond. Klager heeft onvoldoende onderbouwd dat verweerder misbruik van het vertrouwen van klager heeft gemaakt en/of klager heeft opgelicht. Ook niet onderbouwd dat verweerder klager heeft gevraagd hem contant te betalen.

  • ECLI:NL:TNORARL:2021:44 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/380805 / KL RK 20-146

    Klaagster verwijt de notaris dat hij de nalatenschap van haar ouders niet behoorlijk afwikkelt. Klacht op alle onderdelen ongegrond. De gemaakte verwijten komen niet vast te staan dan wel ontberen feitelijke grondslag.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2021:172 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-302/DH/RO

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat deels gegrond. Verweerster heeft een te summiere opdrachtbevestiging verstrekt, waarin onder meer het uurtarief ontbreekt en heeft vervolgens klaagsters niet tussentijds informatie verstrekt, waardoor klaagster op het moment van de overname van de zaak werd geconfronteerd met een forse rekening. Verweerster wenste vervolgens het nog openstaande bedrag te verrekenen met een op haar derdengeldenrekening gestort voorschot, maar klaagster maakte hiertegen bezwaar. Verweerster heeft het voorschot alsnog maanden onder zich gehouden, terwijl zij het bedrag terstond had dienen over te maken aan klaagster. De raad acht de maatregel van berisping passend.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:191 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-345

    Eindbeslissing ongegrond verzet. De raad is van oordeel dat verweerder geen voor klaagster belangrijke informatie heeft achtergehouden, nog daargelaten of verweerder daarmee bekend was. Niet is gebleken van overtreding van enige gedragsregel door verweerder.

  • ECLI:NL:TACAKN:2021:60 Accountantskamer Zwolle 21/125 Wtra AK

    Betrokkene verrichtte onder meer samenstelwerkzaamheden voor klaagster en diens medeaandeelhouder. Deze heeft de jaarrekening namens beide BV’s ondertekend terwijl hij daartoe niet bevoegd was. Betrokkene heeft dit gezien en er een opmerking over gemaakt maar daartegen geen concrete actie ondernomen. Verder heeft betrokkene onvoldoende onderzoek gedaan naar de als zakelijk opgevoerde kosten en genoegen genomen met de verklaringen van de medeaandeelhouder, terwijl er wel aanleiding was daarover nadere vragen te stellen. Klacht in zoverre gegrond. Niet gebleken is dat betrokkene niet correct heeft gereageerd op nadere vragen van klaagster. De klacht is in zoverre ongegrond. Maatregel: berisping.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:204 Raad van Discipline Amsterdam 21-658/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. Klager heeft niet onderbouwd dat verweerder hem heeft beledigd of bedreigd. Het valt verweerder voorts niet tuchtrechtelijk te verwijten dat hij niet heeft voldaan aan het verzoek van de advocaat van klager om een verklaring af te geven.

  • ECLI:NL:TNORARL:2021:45 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/380852 / KL RK 20-148

    De notaris passeerde een akte van levering waarbij klagers eigenaar werden van een nieuw gebouwde woning op een nieuw perceel en één achtste deel van een mandelige toegangsweg. Op het oorspronkelijke perceel van de toegangsweg rustte een opstalrecht van Liander. De akte van levering maakte geen meling van dit opstalrecht en bepaalde daarentegen dat de grond onbezwaard werd geleverd. Weliswaar heeft de notaris het opstalrecht nadien middels een akte van waardeloosheid uit de kadastrale registratie verwijderd, echter dit neemt niet weg dat klagers terecht klagen over de onjuistheid van de akte van levering per datum van de akte. De klacht op dit punt is gegrond, maar rechtvaardigt niet de oplegging van een maatregel. Klacht op overige punten geen zelfstandige betekenis en ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2021:173 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-404/DH/DH

    Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening in alle onderdelen ongegrond. Hoewel verweerder in zijn pleitnota niet is ingegaan op het gezag van gewijsde, heeft hij hieraan wel gemotiveerd aandacht besteed in zijn memorie van grieven. Er bestond geen noodzaak om deze standpunten ter zitting te herhalen. Van een inschattingsfout van verweerder is de raad dan ook niet gebleken. Ook overige klachtonderdelen over oa het aanbrengen van twee handgeschreven wijzigingen in de pleitnota ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:205 Raad van Discipline Amsterdam 21-657/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij deels kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang en voor het overige kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORARL:2021:46 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/384750 Kl RK 21-33

    De kamer overweegt dat ter beoordeling de vraag voorligt of de notaris gehouden was om op grond van de in artikel 21 lid 1 Wna opgenomen ministerieplicht de van hem verlangde akten te verlijden, of dat hij vanwege de door klagers gestelde feiten en omstandigheden nader onderzoek had moeten doen, bij gebreke waarvan hij zijn ministerie had moeten weigeren op grond van artikel 21 lid 2 Wna. De kamer komt tot de conclusie dat de notaris geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dat hij zijn ministerie heeft verleend aan de gevraagde hypotheekakten. De statutaire bevoegdheidsbeperkingen van het bestuur hebben enkel interne werking. Bovendien waren er voor de notaris geen signalen dat de verhoudingen binnen de vennootschap verstoord waren.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2021:174 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-427/DH/DH/D

    Ambtshalve voortzetting van een ingetrokken klacht. Verweerster heeft een beroepsfout gemaakt. Deze fout en de mogelijkheid dat daaruit schade voor haar cliënt zou voortvloeien heeft verweerster niet voortvarend gemeld bij haar verzekeraar. Verweerster was, hoewel zij en ervaren advocaat is, niet doordrongen van de noodzaak van een melding. Omdat verweerster de kwestie tot genoegen van de aanvankelijke klaagster heeft opgelost volstaat de raad met een berisping.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:188 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-344

    Tussenbeslissing in verzetzaak. Overeenstemming over schriftelijke afdoening van deze zaak en van 19-345 tegen kantoorgenoot. De raad acht het, gelet op ingenomen standpunten in eerste aanleg en thans in verzet, nodig dat partijen zich daarover nader uitlaten tijdens een daartoe te bepalen mondelinge behandeling. De raad zal deze dan ook bepalen. Daaraan doet niet af dat klaagster eerder te kennen gegeven dat zij niet op een mondelinge behandeling zal verschijnen. Die gelegenheid wordt haar door dezen alsnog geboden. Aanhouding beslissing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:189 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-344

    Eindbeslissing met ongegrond verzet. De raad is van oordeel dat verweerster geen voor klaagster belangrijke informatie heeft achtergehouden, nog daargelaten dat verweerster, zoals zij stelt en klaagster niet heeft weersproken, daarmee niet bekend was. Niet is gebleken van overtreding van enige gedragsregel door verweerster.

  • ECLI:NL:TNORARL:2021:42 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/383946 KL RK 21-27

    De kamer heeft de klacht gegrond verklaard voor zover deze gaat over schending van de Belehrungspflicht ten aanzien van een tussen de notaris, klaagster en de kopers gesloten depotovereenkomst. De kamer overweegt dat de overeengekomen depotovereenkomst mogelijk verstrekkende gevolgen voor klaagster kon hebben. Het lag daarom op de weg van de notaris om nadrukkelijk aandacht te besteden aan de verschillende scenario’s die in de depotovereenkomst waren uitgewerkt en deze voorlichting aan klaagster in zijn dossier vast te leggen. De notaris had klaagster expliciet moeten informeren over de consequenties als de woning na een jaar niet zou zijn opgeleverd en er geen gerechtelijke procedure aanhangig zou zijn (geweest). Zelfs als de stelling van de notaris juist zou zijn dat de overeenkomst aansloot bij de doelstelling(en) die klaagster en de kopers op voorhand hadden aangegeven, dan nog behoorde het tot de taak van de notaris om klaagster ten tijde van de ondertekening voor te lichten over de gevolgen van de verschillende opties in de overeenkomst en te verifiëren of de gemaakte keuzes aansloten bij haar wensen. Uit het feit dat klaagster geen noemenswaardige vragen over de verstuurde conceptakte heeft gesteld, mocht de notaris in elk geval niet zonder meer afleiden dat zij de inhoud volledig begreep en de gevolgen overzag. Dat geldt te meer nu uit het dossier had kunnen worden afgeleid dat de concept-akte was verstuurd zonder toelichting over de gevolgen. Uit de overgelegde verklaring van de kandidaat-notaris blijkt ook niet dat de notaris tijdens het passeren van de akte voldoende aandacht heeft besteed aan zijn Belehrungspflicht op grond van artikel 43 Wna. Zelfs al zou komen vast te staan dat de depotovereenkomst voorafgaand aan het passeren volledig is voorgelezen, dan blijkt hieruit niet dat klaagster is voorgelicht over de risico’s. Immers, een akte (gedeeltelijk) voorlezen is niet hetzelfde als een voorlichting geven over de mogelijke gevolgen van die akte. Gelet op voorgaande komt de kamer tot de slotsom dat uit hetgeen de notaris heeft aangevoerd onvoldoende blijkt dat klaagster is gewezen op de risico’s van de overeenkomst, hetgeen te meer klemt vanwege de mogelijk verstrekkende gevolgen van de overeenkomst. Daarom heeft de kamer dit deel van de klacht gegrond verklaard en aan de notaris een waarschuwing opgelegd.

  • ECLI:NL:TNORARL:2021:43 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/381647 / KL RK 20-157 C/05/381649 / KL RK 20-158

    De klacht is buiten de termijnen van artikel 99 lid 21 Wna ingediend. Klacht is niet-ontvankelijk op alle onderdelen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:190 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-345

    Tussenbeslissing in verzetzaak. Overeenstemming over schriftelijke afdoening van deze zaak en van 19-344 tegen kantoorgenoot. De raad acht het, gelet op ingenomen standpunten in eerste aanleg en thans in verzet, nodig dat partijen zich daarover nader uitlaten tijdens een daartoe te bepalen mondelinge behandeling. De raad zal deze dan ook bepalen. Daaraan doet niet af dat klaagster eerder te kennen gegeven dat zij niet op een mondelinge behandeling zal verschijnen. Die gelegenheid wordt haar door dezen alsnog geboden. Aanhouding beslissing.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:83 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 173/2020

    Klacht tegen fysiotherapeut. Klaagster is vanwege chronische pijnklachten aan haar rechteroog en -slaap door verschillende specialisten onderzocht. Omdat deze specialisten geen verklaring konden vinden voor haar pijnklachten, is zij verwezen naar de pijnpolikliniek. Hier is zij in juni 2020 voor multidisciplinaire diagnostiek op het multidisciplinaire spreekuur (MDS) geweest. Tijdens dit spreekuur is zij gezien door een anesthesioloog, verpleegkundige, psycholoog en beklaagde. Van het MDS is door deze behandelaren vervolgens een schriftelijke terugkoppeling gegeven aan de huisarts. Hierin hebben zij geconcludeerd dat er geen aanvullende behandelopties zijn op medicamenteus, fysiotherapeutisch en interventioneel gebied en zij hebben de behandelend psycholoog gevraagd aanvullende pijneducatie te geven. Tijdens de procedure bij het tuchtcollege heeft klaagster laten weten dat zij inmiddels in afwachting was van de resultaten van onderzoek naar de aanwezigheid van een hersentumor. Bij brief van 4 mei 2021 heeft klaagster de uitslag van haar MRI-scan aan het tuchtcollege gestuurd, waaruit blijkt dat sprake is van een verdenking op een hersentumor rechts. De klacht is gericht tegen alle vier de behandelaren van de pijnpolikliniek. Klaagster verwijt hen dat zij een advies hebben opgesteld dat niet ziet op haar pijnklachten en dat zij niets met haar pijnklachten hebben gedaan. Klaagster voelt zich niet serieus genomen. Daarnaast heeft klaagster aangevoerd dat zij zich tijdens het onderzoek door beklaagde gecontroleerd voelde. Dit had te maken met het feit dat de anesthesioloog binnen kwam lopen. Ook vindt klaagster het opvallend dat in het verslag van het onderzoek door beklaagde is opgemerkt dat zij aan haar hoofddoek zat. Volgens klaagster zegt dit iets over seksueel misbruik, omdat normaal nooit in een verslag wordt opgenomen waar iemand wel of niet aan zit. Naar het oordeel van het college bestond er voor de behandelaren van de pijnpolikliniek geen aanleiding om onderzoek te verrichten naar de oorzaak van klaagsters pijn. Klaagster was vóór verwijzing immers al door meerdere specialisten gezien en deze konden geen verklaring voor haar pijnklachten vinden. Daarnaast waren er ook nog geen aanwijzingen voor een hersentumor toen klaagster op het MDS werd gezien. Dat bij onderzoek van een jaar later een hersentumor is geconstateerd, die mogelijk (ook) pijn veroorzaakt, maakt dit niet anders. De door beklaagde gegeven uitleg over de aanwezigheid van de anesthesioloog tijdens het onderzoek, acht het college begrijpelijk. Over de aantekening met betrekking tot het aanraken van de hoofddoek heeft beklaagde toegelicht dat hij het van belang vond dit te vermelden, omdat hij dacht aan neuropatische pijnklachten. Ook deze uitleg acht het college begrijpelijk. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2021:26 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2020/32

    Klacht tegen huisarts. Na een aantal consulten bij de huisarts, waarbij klager heeft verzocht om lichamelijk onderzoek in verband met verschillende lichamelijke klachten, heeft de huisarts aangegeven dat hij geen reden zag voor lichamelijk onderzoek en klager verwezen naar de praktijkondersteuner van de praktijk omdat de klachten mogelijk voortkwamen uit psychiatrische problematiek. De praktijkondersteuner heeft klager vervolgens verwezen naar de GGZ. Klager verwijt de huisarts dat hij hem niet serieus heeft genomen in zijn lichamelijke klachten, dat hij het niet mogelijk heeft gemaakt om passende zorg te verkrijgen, dat er sprake is van onvolledige dossiervoering en dat hij zich niet meewerkend heeft opgesteld bij het benaderen van een andere huisarts. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:84 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 174/2020

    Klacht tegen verpleegkundige. Klaagster is vanwege chronische pijnklachten aan haar rechteroog en -slaap door verschillende specialisten onderzocht. Omdat deze specialisten geen verklaring konden vinden voor haar pijnklachten, is zij verwezen naar de pijnpolikliniek. Hier is zij in juni 2020 voor multidisciplinaire diagnostiek op het multidisciplinaire spreekuur (MDS) geweest. Tijdens dit spreekuur is zij gezien door een anesthesioloog, fysiotherapeut, psycholoog en beklaagde. Van het MDS is door deze behandelaren vervolgens een schriftelijke terugkoppeling gegeven aan de huisarts. Hierin hebben zij geconcludeerd dat er geen aanvullende behandelopties zijn op medicamenteus, fysiotherapeutisch en interventioneel gebied en zij hebben de behandelend psycholoog gevraagd aanvullende pijneducatie te geven. Tijdens de procedure bij het tuchtcollege heeft klaagster laten weten dat zij inmiddels in afwachting was van de resultaten van onderzoek naar de aanwezigheid van een hersentumor. Bij brief van 4 mei 2021 heeft klaagster de uitslag van haar MRI-scan aan het tuchtcollege gestuurd, waaruit blijkt dat sprake is van een verdenking op een hersentumor rechts. De klacht is gericht tegen alle vier de behandelaren van de pijnpolikliniek. Klaagster verwijt hen dat zij dat een advies hebben opgesteld dat niet ziet op haar pijnklachten en dat zij niets met haar pijnklachten hebben gedaan. Klaagster voelt zich niet serieus genomen. Daarnaast verwijt zij beklaagde dat zij over bepaalde informatie uit het verleden van klaagster beschikte, terwijl klaagster geen toestemming had gegeven voor het delen van die informatie. Naar het oordeel van het college bestond er voor de behandelaren van de pijnpolikliniek geen aanleiding om onderzoek te verrichten naar de oorzaak van klaagsters pijn. Klaagster was vóór verwijzing immers al door meerdere specialisten gezien en deze konden geen verklaring voor haar pijnklachten vinden. Daarnaast waren er ook nog geen aanwijzingen voor een hersentumor toen klaagster op het MDS werd gezien. Dat bij onderzoek van een jaar later een hersentumor is geconstateerd, die mogelijk (ook) pijn veroorzaakt, maakt dit niet anders. Ten aanzien van het verwijt dat beklaagde tijdens het spreekuur over informatie uit het verleden van klaagster zou hebben beschikt, heeft beklaagde uitgelegd hoe een en ander tijdens het spreekuur is verlopen en dat zij niet over voorkennis uit klaagsters verleden beschikte. Het college begrijpt deze uitleg en ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2021:27 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen GP2020/08

    Klacht tegen GZ-psycholoog. Nu vaststaat dat beklaagde niet persoonlijk betrokken is geweest bij het behandeltraject van klager en/of zijn dochter en niet is gebleken dat zij anderszins jegens klager heeft gehandeld in de hoedanigheid van GZ-psycholoog of dat behoorde te doen, vallen de aan haar verweten gedragingen niet onder de eerste of tweede tuchtnorm. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:85 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 175/2020

    Klacht tegen psycholoog. Klaagster is vanwege chronische pijnklachten aan haar rechteroog en -slaap door verschillende specialisten onderzocht. Omdat deze specialisten geen verklaring konden vinden voor haar pijnklachten, is zij verwezen naar de pijnpolikliniek. Hier is zij in juni 2020 voor multidisciplinaire diagnostiek op het multidisciplinaire spreekuur (MDS) geweest. Tijdens dit spreekuur is zij gezien door een anesthesioloog, fysiotherapeut, verpleegkundige en beklaagde. Van het MDS is door deze behandelaren vervolgens een schriftelijke terugkoppeling gegeven aan de huisarts. Hierin hebben zij geconcludeerd dat er geen aanvullende behandelopties zijn op medicamenteus, fysiotherapeutisch en interventioneel gebied en zij hebben de behandelend psycholoog gevraagd aanvullende pijneducatie te geven. Tijdens de procedure bij het tuchtcollege heeft klaagster laten weten dat zij inmiddels in afwachting was van de resultaten van onderzoek naar de aanwezigheid van een hersentumor. Bij brief van 4 mei 2021 heeft klaagster de uitslag van haar MRI-scan aan het tuchtcollege gestuurd, waaruit blijkt dat sprake is van een verdenking op een hersentumor rechts. De klacht is gericht tegen alle vier de behandelaren van de pijnpolikliniek. Klaagster verwijt hen dat zij een advies hebben opgesteld dat niet ziet op haar pijnklachten en dat zij niets met haar pijnklachten hebben gedaan. Klaagster voelt zich niet serieus genomen. Daarnaast verwijt zij beklaagde dat zij ten onrechte bij het onderzoek is betrokken, omdat de reden van verwijzing naar de pijnpolikliniek was gelegen in haar pijnklachten en niet in psychische omstandigheden. Naar het oordeel van het college bestond er voor de behandelaren van de pijnpolikliniek geen aanleiding om onderzoek te verrichten naar de oorzaak van klaagsters pijn. Klaagster was vóór verwijzing immers al door meerdere specialisten gezien en deze konden geen verklaring voor haar pijnklachten vinden. Daarnaast waren er ook nog geen aanwijzingen voor een hersentumor toen klaagster op het MDS werd gezien. Dat bij onderzoek van een jaar later een hersentumor is geconstateerd, die mogelijk (ook) pijn veroorzaakt, maakt dit niet anders. Dat er na anamnese en vragenlijstonderzoek geadviseerd werd om multidisciplinaire diagnostiek te verrichten en daarin ook een psycholoog te betrekken, getuigt naar het oordeel van het college van een zorgvuldige afweging. Dat beklaagde bij het onderzoek is betrokken en klaagster psychologisch heeft onderzocht, is daarmee eveneens zorgvuldig. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:86 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 176/2020

    Klacht tegen anesthesioloog. Klaagster is vanwege chronische pijnklachten aan haar rechteroog en -slaap door verschillende specialisten onderzocht. Omdat deze specialisten geen verklaring konden vinden voor haar pijnklachten, is zij verwezen naar de pijnpolikliniek. Hier is zij in juni 2020 voor multidisciplinaire diagnostiek op het multidisciplinaire spreekuur (MDS) geweest. Tijdens dit spreekuur is zij gezien door een fysiotherapeut, psycholoog, verpleegkundige en beklaagde. Van het MDS is door deze behandelaren vervolgens een schriftelijke terugkoppeling gegeven aan de huisarts. Hierin hebben zij geconcludeerd dat er geen aanvullende behandelopties zijn op medicamenteus, fysiotherapeutisch en interventioneel gebied en zij hebben de behandelend psycholoog gevraagd aanvullende pijneducatie te geven. Tijdens de procedure bij het tuchtcollege heeft klaagster laten weten dat zij inmiddels in afwachting was van de resultaten van onderzoek naar de aanwezigheid van een hersentumor. Bij brief van 4 mei 2021 heeft klaagster de uitslag van haar MRI-scan aan het tuchtcollege gestuurd, waaruit blijkt dat sprake is van een verdenking op een hersentumor rechts. De klacht is gericht tegen alle vier de behandelaren van de pijnpolikliniek. Klaagster verwijt hen dat zij een advies hebben opgesteld dat niet ziet op haar pijnklachten en dat zij niets met haar pijnklachten hebben gedaan. Klaagster voelt zich niet serieus genomen. Daarnaast verwijt zij beklaagde dat hij de vooraf door haar ingevulde vragenlijsten niet bij zijn onderzoek heeft betrokken. Naar het oordeel van het college bestond er voor de behandelaren van de pijnpolikliniek geen aanleiding om onderzoek te verrichten naar de oorzaak van klaagsters pijn. Klaagster was vóór verwijzing immers al door meerdere specialisten gezien en deze konden geen verklaring voor haar pijnklachten vinden. Daarnaast waren er ook nog geen aanwijzingen voor een hersentumor toen klaagster op het MDS werd gezien. Dat bij onderzoek van een jaar later een hersentumor is geconstateerd, die mogelijk (ook) pijn veroorzaakt, maakt dit niet anders. Voor zover klaagster stelt dat beklaagde de vragenlijsten niet in zijn beoordeling heeft betrokken, volgt het college haar daarin niet, gelet op de stukken en hetgeen beklaagde daarover verklaard heeft. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:87 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/0060

    Moeder klaagt over behandeling van dochter door GZ-psycholoog. De dochter was ten tijde van het aangaan van de behandelingsovereenkomst 17 jaar en ten tijde van het indienen van de klacht meerderjarig. Dochter tekent de klacht aanvankelijk mee. Later laat zij weten niet achter de klacht te staan. Het tuchtcollege oordeelt moeder kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:118 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-023

    Deels gegronde klacht tegen een psychiater. Klager is vader van drie kinderen. Hij, zijn ex-echtgenote en de drie kinderen (destijds onder de 16 jaar) waren in behandeling bij de psychiater. Op grond van de stukken en het bestuderen van de medische dossiers is niet vast komen te staan dat de psychiater de kinderen in de periode dat zij daartoe geen toestemming van vader had, toch heeft behandeld, in de zin dat ze face-to-face contact met hen heeft gehad. De opvallend veel gedeclareerde uren verklaart de argwaan bij klager, maar volgens de psychiater is dit voor indirecte tijd. Het ‘doorbehandelen’ komt niet vast te staan. Uit de stukken, waaronder het rapport van de RvdK, de informatie van Veilig Thuis en de processen-verbaal van de verschillende procedures bij de rechtbank blijkt dat de psychiater, ongetwijfeld uit betrokkenheid met de kinderen en mogelijk de ex-echtgenote, haar professionele distantie is kwijtgeraakt. Het College stelt vast op grond van de stukken dat de psychiater zich haast onbegrensd en opvallend actief is gaan bemoeien met instanties die zich bezighouden met de veiligheid van de kinderen, zoals Veilig Thuis en de RvdK. Hiermee treedt beklaagde buiten haar bevoegdheid en deskundigheid (zij heeft geen forensische expertise) en heeft ze onprofessioneel gehandeld. Het buitensporig veel uren voor indirecte tijd declareren en de wijze van declareren in combinatie met het ontbreken van de duiding van de vermelde uren in de medische dossiers is onzorgvuldig te noemen en daarom ook tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klacht deels gegrond, berisping.

  • ECLI:NL:TACAKN:2021:59 Accountantskamer Zwolle 21/290 Wtra AK

    Klacht tegen accountant die betrokken was bij de samenwerking tussen twee partijen en bij de koop en verkoop van aandelen. Klacht gedeeltelijk gegrond; strijd met fundamentele beginselen van objectiviteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Oplegging maatregel van berisping. De sterk eenzijdige samenwerkingsovereenkomst ten gunste van zijn ene cliënt en ten nadele van zijn andere cliënt, vormde bovendien een bedreiging voor betrokkenes objectiviteit. Betrokkene had in het kader van de toepassing van professionele oordeelsvorming, na signalering van de bedreiging, een toereikende maatregel moeten nemen om de bedreiging tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Verkoopovereenkomst: onder de gegeven omstandigheden kon betrokkene hoe dan ook niet volstaan met een enkele (herhaalde) mondelinge aanbeveling aan klager om externe financiële advisering in te roepen, maar had hij dit expliciet schriftelijk moeten doen en/of zich er anderszins van moeten overtuigen dat zijn advies bij klager was doorgedrongen . Betrokkene heeft door een standpunt in te nemen met betrekking tot de interpretatie van een bepaling van de verkoopovereenkomst, partij gekozen ten gunste van één van beide bij deze overeenkomst betrokken partijen. Betrokkene heeft de stelling dat de LOR’s ontbreken bij de jaarrekeningen 2017 en 2018 onvoldoende weerlegd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:197 Raad van Discipline Amsterdam 21-641/A/A

    Klacht tegen de eigen advocaat is kennelijk ongegrond. Klager heeft verweerder ten onrechte een gebrek aan voldoende deskundigheid verweten, alsmede het ten onrechte in rekening brengen van kosten.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:185 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-771

    Raadsbeslissing. Klacht over optreden tegen klaagster als voormalige cliënte van verweerder. Verweerder was door zijn jarenlange bijstand aan klaagster op de hoogte van het reilen en zeilen binnen de organisatie van klaagster, de onderlinge verhoudingen binnen het bedrijf en in zekere mate ook van de financiële huishouding. Deze informatie had verweerder toen hij eind 2019 tegen klaagster ging optreden door een ingebrekestelling naar klaagster te sturen en vervolgens haar faillissement aan te vragen. Verweerder gaat voorbij aan de ratio achter gedragsregel 15, het bestaan van een partijdige vertrouwensrelatie tussen advocaat en zijn voormalige cliënte. Door tegen klaagster op te treden heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klacht gegrond. Berisping en proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TGDKG:2021:58 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/689650 / DW RK 20/460

    Er bestond voor de gerechtsdeurwaarders geen aanleiding om het CCBR te raadplegen. Er is niet duidelijk gecommuniceerd dat sprake was van een voorwaardelijk akkoord en dat het beslag ondanks de betaling van klaagster niet zou worden opgeheven. Klacht gedeeltelijk gegrond. Maatregel van berisping.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:198 Raad van Discipline Amsterdam 21-594/A/A

    Klacht is kennelijk ongegrond. Verweerster heeft zich wat betreft vragen over het verhandele ter zitting terecht beroepen op de afgesproken geheimhouding.