Zoekresultaten 22221-22240 van de 48158 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:76 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.257

    Klager is uitgevallen voor zijn werk als financieel directeur. Op een zeker moment achtte klager zich in staat vergelijkbaar werk bij een ander bedrijf te doen maar hij wilde hij niet geschikt worden verklaard voor het eigen werk bij de eigen werkgever. De bedrijfsarts heeft hem volledig arbeidsgeschikt verklaard voor eigen werk bij een andere werkgever. Klager en zijn toenmalige werkgever hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten. Klager heeft vervolgens een WW-uitkering aangevraagd en gekregen. Klager heeft geen melding gemaakt van arbeidsongeschiktheid tijdens de duur van de WW-uitkering. Vervolgens heeft klager met terugwerkende kracht een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft die uitkering niet toegekend. De aangevraagde uitkering in het kader van de Ziektewet is ook geweigerd. Klager heeft bezwaar ingediend tegen deze twee beslissingen. Verweerder, verzekeringsarts, heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek gedaan naar aanleiding van het ingediende bezwaar. Vervolgens heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard. Klager verwijt verweerder dat deze een zelfstandig besluit heeft genomen op basis van informatie van de bedrijfsarts die niet volledig was. Er is geen arbeidsdeskundig onderzoek gedaan en er is geen FML opgesteld. Er had, gelet op de langdurige ziekte van klager, een uitgebreide probleemanalyse moeten worden opgesteld. Verweerder heeft onbevoegd zijn mening gegeven, want er is geen volledig rapport van de bedrijfsarts. Verweerder had zelf informatie van de huisarts en de behandelaar moeten opvragen en hij heeft de door klager overgelegde informatie niet meegenomen in de rapportage, aldus klager. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:70 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.101

    Tuchtklacht tegen verzekeringsarts. Klaagster heeft zich ziek gemeld bij haar (ex) werkgever vanwege klachten van multipele sclerose (MS). Een andere verzekeringsarts van het UWV heeft naar aanleiding van een vervroegde aanvraag van een WIA-uitkering door klaagster een verzekeringsgeneeskundige rapportage en een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld. Klaagster heeft tegen die andere verzekeringsarts een klacht ingediend bij het UWV. Verweerder is als strafverzekeringsarts werkzaam bij het UWV en heeft in deze hoedanigheid op de door klaagster tegen de collega-verzekeringsarts ingediende klacht gereageerd. De tuchtklacht van klaagster tegen verweerder houdt in dat: 1) verweerder de controle op de rapportage van de verzekeringsarts tot tweemaal toe niet lege artis heeft uitgevoerd; 2) verweerder onjuiste diagnostische criteria voor primair progressieve multipele sclerose (PPMS) hanteert en onterecht de conclusie ondersteunt dat klaagster PPMS heeft; 3) de klachtafhandeling incompleet is, zonder onderbouwing en niet tijdig heeft plaatsgevonden; 4) verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden door medische gegeven van klaagster aan de klachtenambassadeur van UWV te verstrekken; 5) de dossiervorming van verweerder onzorgvuldig is. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Klaagster is in beroep gekomen van deze beslissing. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen reden om de zaak terug te wijzen naar het Regionaal Tuchtcollege (zoals primair verzocht door klaagster) en verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:18 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-1016

    Voorzittersbeslissing: voorzitter oordeelt de klacht kennelijk niet-ontvankelijk. Ne bis in idem. Als onweersproken staat vast dat klager reeds meermaals zijn bezwaren over de in zijn ogen onrechtmatige wijze van optreden door verweerder na het vonnis van 20 juni 2006 aan de tuchtrechter heeft voorgelegd en dat de klacht in essentie gelijkluidend is aan de klacht in de onderhavige zaak. In de in de uitspraak genoemde beslissingen heeft (de voorzitter van de) raad van discipline de klacht (kennelijk) ongegrond verklaard dan wel klager (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. In verzet en in hoger beroep zijn die beslissingen in stand gebleven.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:64 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.239

    Klaagster is door de orthopedisch chirurg geopereerd, nadat bij haar de diagnose Morbus de Quervain was gesteld. Na de operatie heeft klaagster klachten gehouden. Klaagster heeft de orthopedisch chirurg verweten dat hij onvoldoende preoperatieve informatie over de behandeling aan haar heeft verschaft en dat hij bij het uitvoeren van de operatie een chirurgische fout heeft gemaakt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege. Niet kan worden vastgesteld dat de orthopedisch chirurg klaagster voorafgaand aan de operatie onvoldoende heeft voorgelicht en ook niet dat de klachten van klaagster het gevolg zijn van de wijze waarop de orthopedisch chirurg de operatie heeft uitgevoerd. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:77 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.349

    Klacht tegen een psychiater. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht (deels op grond van artikel 65 lid 5 Wet BIG en deels omdat de klacht niet voldoet aan artikel 4 lid 1 onder b van het Tuchtrechtbesluit BIG). Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:71 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.102

    Klacht tegen verzekeringsarts. Klaagster heeft zich ziek gemeld bij haar (ex) werkgever vanwege klachten van multipele sclerose (MS). Een verzekeringsarts van het UWV heeft naar aanleiding van een vervroegde aanvraag van een WIA-uitkering door klaagster een verzekeringsgeneeskundige rapportage en een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld. Het UWV heeft de aanvraag afgewezen. Klaagster heeft bezwaar ingediend tegen dit besluit. Verweerder is als verzekeringsarts werkzaam bij het UWV en heeft klaagster gezien in het kader van de bezwaarprocedure. Verweerder heeft een medische rapportage uitgebracht en een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld. Het UWV heeft het bezwaar van klaagster ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is klaagster in beroep gegaan. Verweerder heeft in het kader van dit beroep een tweede rapportage opgesteld. De klacht houdt in dat: 1) verweerder ten onrechte uitgaat van persoonlijkheidsstoornissen bij klaagster; 2) de medische rapportages van verweerder en de door verweerder opgestelde functionele mogelijkhedenlijst een onjuist beeld geven van de beperkingen en mogelijkheden van klaagster; 3) de dossiervorming van verweerder onzorgvuldig is en de rapportages van verweerder inconsistent zijn; 4) verweerder tekort schiet in zijn verantwoordelijkheden als arts op de gebieden van diagnose, patiënt-welzijn, objectiviteit en klachtafhandeling. Het Regionaal Tuchtcollege klachtonderdeel 1 deels gegrond verklaard, de klacht voor het overige ongegrond verklaard, en aan de arts de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klaagster ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:19 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-1015

    Voorzittersbeslissing: voorzitter oordeelt dat niet is komen vast te staan dat verweerder als advocaat of anderszins voor klagers is opgetreden. In zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris heeft verweerder tijdig en op correcte wijze gereageerd op correspondentie van klagers. Klachten grotendeels kennelijk ongegrond, dan wel op de voet van artikel 46g lid 1 Advocatenwet niet-ontvankelijk. Niet gebleken dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:65 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.271

    Klacht tegen tandarts. Verweerder heeft bij klaagster een implantaat geplaatst met daarop een kroon. De kroon is binnen een jaar los gekomen. Klaagster verwijt verweerder – kort weergegeven – dat hij het implantaat scheef heeft geïmplanteerd en dat hij had moeten zien dat het abutment te laag zou uitvallen. Het Regionaal Tuchtcollege oordeelt dat de tandarts geen, althans ondeugdelijk, vooronderzoek heeft verricht, als gevolg waarvan het abutment te laag is uitgevallen en legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing en verklaart de klacht alsnog in zijn geheel ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:78 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.374

    Klacht tegen arts werkzaam als orthomanueel therapeut. Klaagster verwijt verweerder dat hij zich grensoverschrijdend jegens haar heeft gedragen door tijdens de behandeling ongepaste opmerkingen tegen haar te maken en haar tijdens een consult op de mond en de rug te zoenen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht in zijn geheel gegrond, legt aan verweerder schorsing van zijn inschrijving in het BIG-register voor de duur van een maand op en gelast publicatie van de beslissing. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing voor zover daarin het klachtonderdeel dat betrekking heeft op het door verweerder zoenen van klaagster gegrond is verklaard en verklaart dat klachtonderdeel alsnog ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van verweerder voor het overige en legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:59 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2016.480

    Herziening. Verzoeker stelt dat door zowel het Regionaal als het Centraal Tuchtcollege getoetst is aan een niet bestaande norm. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat het door verweerder gestelde geen novum oplevert en dat hieraan derhalve geen omstandigheden kunnen worden ontleend die op grond van artikel 52 Wet BIG tot herziening kunnen leiden.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:72 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.204

    Klager is verwikkeld in een echtscheidingsprocedure en het gerechtshof heeft bepaald dat klager en zijn ex-echtgenote gebruik moeten maken van een mediationtraject. Bij het eerste mediationgesprek legt de ex-echtgenote een brief van verweerder, gz-psycholoog, over met daarin een verklaring over de toestand van de ex-echtgenote. Klager verwijt verweerder dat: 1. Er door hem een verkeerde diagnose en onjuist behandeladvies is gegeven voor wat betreft de ex-echtgenote; 2. Er door hem gebrekkige informatie is gegeven over de behandeling van de ex-echtgenote; 3. Er ten onrechte niet is doorverwezen naar een psychiater ter evaluatie; en 4. Verweerder zich door de opmaak en de inhoud van de verklaring grensoverschrijdend heeft gedragen. Het RTG heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdelen 1 t/m 3. Klachtonderdeel 4 is gegrond verklaard en aan de gz-psycholoog is de maatregel van berisping opgelegd. Het CTG bekrachtigt de beslissing, deels onder verbetering van gronden.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:66 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.304

    Klacht tegen tandarts. Klager verwijt de tandarts een behandeling te hebben uitgevoerd waar klager niet om had gevraagd en voorts dat klager niet op de hoogte was van de kosten. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat niet is komen vast te staan dat het zorgplan aan klager is toegezonden en derhalve ook niet dat klager van de inhoud van het zorgplan op de hoogte was en daarmee instemde. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht in beroep alsnog gegrond en legt aan de tandarts de maatregel van waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:20 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-1014

    Voorzittersbeslissing: voorzitter oordeelt klacht tegen advocaat wederpartij in familierechtelijk geschil kennelijk ongegrond. De voorzitter kan de verweten grievende uitlatingen niet vaststellen. Dat verweerster de rechter heeft willen beïnvloeden is niet gebleken.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:41 Raad van Discipline Amsterdam 18-021/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij in alle onderdelen kennelijk ongegrond. Geen sprake van strijd met Gedragsregels 12 en 15. Ook geen sprake van onjuiste feiten.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:35 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 170205

    Klacht tegen advocaat wederpartij over optreden tegen voormalig cliënt van kantoor gegrond (gedragsregel 7 lid 4 en lid 5). Waarschuwing en kostenveroordeling. Bekrachtiging.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:60 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.068

    C2017.068: klacht tegen een SEH-arts. Klaagster verwijt de SEH-arts dat hij: 1. de extreme pijnklachten van patiënte (klaagsters’ moeder) niet serieus heeft genomen; 2. patiënte arrogant heef bejegend en geen begrip heeft getoond voor haar situatie 3 de differentiaal diagnose aneurysma aortae niet goed heeft onderzocht; 4. heeft nagelaten om een afspraak met een specialist te laten maken om patiënte binnen een week weer terug te zien. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen 1, 3 en 4 gegrond verklaard en de SEH-arts de maatregel van berisping opgelegd. In beroep is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat klachtonderdeel 1 ongegrond is. voor het overige wordt het beroep verworpen. De maatregel van waarschuwing wordt opgelegd.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:73 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.224

    Klacht tegen bedrijfsarts. Klaagster is na haar ziekmelding begeleid door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts vervulde een ‘dubbelfunctie’ binnen het bedrijf waar klaagster werkzaam was. Klaagster verwijt de bedrijfsarts onprofessioneel handelen door het voorstaan van een onjuiste expertise, onvoldoende informatieverstrekking, schending beroepsgeheim, rolvermenging en belangenverstrengeling. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege acht de ‘dubbelfunctie’ van de bedrijfsarts ongewenst, maar acht dit in het onderhavige geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar en verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:67 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.330

    Klaagster is aan haar voet geopereerd door twee orthopedisch chirurgen. Tijdens de operatie is een daarbij gehanteerde zaag op het bovenbeen van klaagster gelegd. Daardoor is een derdegraads brandwond op het been van klaagster ontstaan. Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door: 1.) de zaag op haar bovenbeen neer te leggen; 2.) na het incident geen contact met haar op te nemen en 3.) aansprakelijkheid van de hand te wijzen en de fabrikant aan te wijzen als schuldige. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel 1 gegrond verklaard, aan de orthopedisch chirurg de maatregel van waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige afgewezen. Het beroep richt zich uitsluitend tegen het ongegrond verklaren van de klachtonderdelen 2 en 3. Het Centraal Tuchtcollege gaat eerst in op de betekenis van GOMA gedragscode voor dit soort geschillen. Vervolgens onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat klachtonderdeel 2. ongegrond is. Door bij herhaling schriftelijk en mondeling op het incident terug te komen en blijk te geven van begrip voor de moeilijke situatie waarin klaagster was terechtgekomen, hebben de orthopedisch chirurgen aan de op hen rustende zorgplicht voldaan. Wat betreft klachtonderdeel 3. overweegt het Centraal Tuchtcollege dat het niet op de weg van de orthopedische chirurgen lag om zich in het kader van de te verlenen nazorg te begeven in inhoudelijke discussies, tussen klaagster en de verzekeraar van de orthopedisch chirurgen, over civiele aansprakelijkheid, causaliteit en schadebegroting. Van de orthopedische chirurgen kon niet meer kon worden gevergd dan dat zij de verzekeraar aanspoorden om tot een afronding te komen. Dat hebben zij ook gedaan. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:21 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-042

    Wrakingsbeslissing door wrakingskamer zonder zitting (artikel 4 Wrakingsprotocol). De drie wrakingsgronden tegen de raad worden kennelijk ongegrond geoordeeld. Aan de enkele niet concreet onderbouwde stelling van verzoeker dat verweerders onkundig zijn als tuchtrechters valt niet de gevolgtrekking te verbinden dat de rechterlijke onpartijdigheid van verweerders schade zou kunnen lijden. Dat bij één van de tuchtrechters sprake zou zijn van een oneerlijke handelspraktijk, biedt geen grond voor gerechtvaardigde twijfel aan zijn niet-vooringenomenheid in de hoofdzaak of dat daardoor de rechterlijke onpartijdigheid van die tuchtrechter schade zou kunnen leiden. Verwijt tegen andere tuchtrechter ook kennelijk ongegrond. Wraking wordt afgewezen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:36 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 170242

    Verweerder heeft onduidelijkheid laten bestaan over de vraag voor welke opdracht(en) hij klaagster als opdrachtgeefster mocht beschouwen. Verweerder heeft nagelaten om vooraf door middel van een opdrachtbevestiging duidelijk te maken wie hij voor de bewuste werkzaamheden als opdrachtgever beschouwde en wie derhalve de financiële consequenties van zijn optreden zou dragen. Klacht gegrond. Waarschuwing en kostenveroordeling. Bekrachtiging.