Zoekresultaten 21841-21860 van de 47568 resultaten

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:29 Raad van Discipline Amsterdam 17-894/A/A

    Klacht over eigen advocaat deels gegrond. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zonder overleg met klaagster te proberen uitstel te verkrijgen voor een zitting. Geen maatregel.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:42 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.455

    Klacht tegen een internist. Klaagster verwijt de internist dat zij -) de verhoogde waarden van de trombocyten van 24 en 28 juni 2013 niet heeft gezien en niet in verband heeft gebracht met een (toen nog) niet gediagnosticeerd en ernstig ziektebeeld -) geen externe expertise heeft ingeroepen bij haar (toen nog) niet gediagnosticeerd ziektebeeld -) het verzoek van haar echtgenoot van 16 juli 2013 om de expertise van een intensivist in te roepen niet heeft gehonoreerd, terwijl het ziektebeeld nog niet was gediagnosticeerd -) klaagsters ziektebeeld, zonder het inroepen van externe expertise, heeft bestempeld als een psychiatrische aandoening. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afwezen. Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van de stukken en hetgeen door partijen over en weer ter terechtzitting in beroep nog naar voren is gebracht tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:25 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-815/DH/DH

    voorzittersbeslissing; klacht tegen de advocaat van de wederpartij gedeeltelijk niet-ontvankelijk gelet op de vervaltermijn en overigens kennelijk ongegrond bij gebrek aan voldoende feitelijke onderbouwing.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:30 Raad van Discipline Amsterdam 17-732/A/A

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:43 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.079

    Klacht tegen gynaecoloog. De klacht betreft de bevalling van klaagster. Klaagster heeft in 2006 een niertransplantatie ondergaan. Zij werd op 26 april 2013 wegens nierfunctieverslechtering electief ingeleid voor haar bevalling en is op 29 april 2013 prematuur bevallen van een dochtertje die een matige start had. Na de bevalling is de dochter van klagers opgenomen op de neonatale intensive care unit, in verband met verdenking van een infectie. De arts was werkzaam op 28 april 2013 en had de supervisie over de arts-assistent gynaecologie (eveneens aangeklaagd: C2017.080). Klagers verwijten de arts evenals de arts-assistent gynaecologie dat hij heeft gehandeld in strijd met de richtlijn van de NVOG ‘Preventie van neonatale GBS ziekte’ dan wel de richtlijn onvoldoende in acht heeft genomen en hij: 1. gelet op de premature bevalling (36 weken en 6 dagen) en de beslisboom een kweek had moeten inzetten, waarbij verweerder op de hoogte was en zelf heeft aangegeven dat de kans groot was dat klaagster prematuur zou bevallen; 2. gelet op de duur van de gebroken vliezen (23 uur) ten minste een kweek had moeten worden ingezet. Voor zover verweerder de richtlijn juist heeft geïnterpreteerd zijn klagers van oordeel dat genoeg redenen aanwezig waren voor het afwijken van de richtlijn en verweerder daartoe had moeten besluiten, zeker gelet op de twijfel over de conditie van de baby. Er werd getracht een MBO te doen, hetgeen niet is gelukt; 3. ten onrechte eventuele resistentie tegen antibiotica boven het leven van een kind heeft gesteld. Het RTG Zwolle heeft de klacht ongegrond verklaard. Verweerder kon en mocht vertrouwen op eerder ingezet beleid met betrekking tot bevalling door derdelijns gynaecoloog en perinatoloog. Geen aanleiding tot GBS-diagnostiek aanwezig voor verweerder. Het beroep wordt verworpen. Het RTG pleitte ten overvloede nog voor helderheid in de NVOG richtlijn GBS-ziekte. Die is inmiddels herzien.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:26 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-969/DH/DH

    voorzittersbeslissing; klacht over het opstellen van en de inhoud van een cassatieadvies kennelijk ongegrond. klacht over het aanvragen van een toevoeging en het indienen van bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag ook kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:204 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-493

    Betreft de vraag of Gedragsregel 7 lid 5 van toepassing is. Verweerder is advocaat geweest van een vennootschap die failliet is gegaan. De curator is een procedure gestart tegen een derde, gebaseerd op de faillissementspauliana. Voor die derde trad in de procedure in eerste aanleg een andere advocaat op. In de hoger beroepsprocedure is verweerder gaan optreden als advocaat van deze derde tegen de curator. De raad oordeelt dat Gedragsregel 7 lid 5 niet van toepassing is, omdat de curator niet vereenzelvigd mag worden met de failliete vennootschap. De curator treedt immers op namens de gezamenlijke crediteuren van de vennootschap en is niet de (wettelijke) vertegenwoordiger van de vennootschap. Wel is sprake van een handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt, doordat verweerder tot vlak vóór het faillissement nauw betrokken is geweest bij de financiële problemen van de vennootschap en bij rechtshandelingen waarvan de curator nadien de nietigheid heeft ingeroepen op grond van de faillissementspauliana. Verweerder moet derhalve bekend zijn met de procespositie van de curator en weet wat deze wel en niet kan bewijzen. Dit is bezwaarlijk voor de bereddering van de boedel door de curator. Onder die omstandigheden staat het verweerder niet vrij tegen de curator op te treden. Klacht gegrond zonder oplegging van een maatregel.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:19 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17195

    Klaagster verwijt haar broer die de huisarts was van hun (inmiddels overleden) moeder dat hij misbruik heeft gemaakt van de arts-patiëntrelatie , dat hij tijdens het leven van moeder geschenken heeft aangenomen die in onevenredige verhouding tot de gebruikelijke honorering staan, dat hij misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare, beïnvloedbare en dementerende moeder en dat er een vermenging van rollen is ontstaan. Voor het college bestaat gerede twijfel dat klaagster met het indienen van haar klacht de wil van de overleden patiënte vertegenwoordigt. Geen van de wil van patiënte afgeleid klachtrecht. Niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:205 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-079

    Klacht tegen eigen advocaat. Niet gebleken is dat verweerster de belangen van klager onvoldoende heeft behartigd. Dat verweerster het verzoekschrift van de wederpartij niet direct aan klager heeft doorgestuurd, is in de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar nu verweerster in de veronderstelling was en mocht zijn dat klager zich aan het verzoekschrift zou refereren, zoals besproken was. Geen grievende uitlatingen. Evenmin tuchtrechtelijk laakbaar dat verweerster heeft geweigerd om verweer te voeren. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:206 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-105

    Klacht tegen eigen advocaat. Dat verweerster onvoldoende deskundig en bekwaam rechtsbijstand heeft verleend aan klaagster, is niet komen vast te staan. Klacht onvoldoende feitelijk onderbouwd. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:207 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-148

    Klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerster heeft niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de akte van berusting van haar cliënte (in een echtscheidingsprocedure tegen klager) vlak voor de inschrijving daarvan bij de gemeente om te ruilen voor een akte met een voorbehoud. Klacht niet-ontvankelijk voor zover deze zich richt op het gebruiken van de echtscheidingsbeschikking door verweerster in een andere procedure tegen klager.  

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:208 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-196

    Verweerder heeft als advocaat van de wederpartij de grenzen van de hem toekomende vrijheid niet overschreden jegens klaagster. Klaagster is ontvankelijk in haar klacht over vermeende onbevoegdheid van verweerder om via een tussenpersoon voor 20 personen op te treden. Verweerder heeft niet gehandeld in strijd met gedragsregel 35 en art. 7.1 en 7.2 van de Verordening op de Advocatuur. Verweerder heeft zich genoegzaam ervan overtuigd dat de opdracht van de tussenpersoon om een beslagrekest in te dienen tegen klaagster met instemming van de 20 cliënten is gegeven. Beperkte werkzaamheden en duidelijke afspraken gemaakt met tussenpersoon. Dat verweerder in strijd met het reglement in kort geding jegens klaagster heeft gehandeld wordt door de raad als een niet tuchtrechtelijk verwijtbare omissie beschouwd. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:202 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-1153

    Klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Niet is komen vast te taan dat verweerder klager heeft beschuldigd van diefstal van paarden en dat hij zich daardoor onnodig grievend jegens klager heeft uitgelaten. Evenmin kan worden vastgesteld dat verweerder de vermeende beschuldigingen heeft gepubliceerd dan wel heeft laten publiceren in de media zonder de juistheid van de stellingen van zijn cliënt te verifiëren, zoals klager heeft gesteld. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:209 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-177

    Het letselschade adviesbureau van klager (niet-advocaat) heeft het dossier van een cliënt op verzoek overgedragen aan verweerster. Onverplicht heeft verweerster na haar kennisname van de nog openstaande factuur terzake buitengerechtelijke kosten van klager geprobeerd om die kosten in de schikkingsonderhandelingen met de verzekeraar mee te nemen. Dat dat niet is gelukt, kan verweerster tuchtrechtelijk niet worden verweten. Beroep op gedragsrechtelijke normen faalt nu klager geen advocaat is. Overige verwijten falen wegens geheimhoudingsplicht van verweerster jegens haar cliënt. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:203 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-431

    Dekenbezwaar wegens tekort aan opleidingspunten. Onjuistheid van handelen wordt erkend, maar is, volgens verweerster, te wijten aan zwaarwegende persoonlijke omstandigheden. De raad oordeelt de klacht gegrond, maar houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van verweerster, terwijl verweerster bovendien haar goede wil heeft getoond door in de periode van januari 2017 tot oktober 2017 reeds 30 opleidingspunten te behalen. Dekenbezwaar gegrond zonder oplegging van een maatregel.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:18 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17193

    Huisarts wordt verweten dat het medisch dossier van klager als gevolg van waterschade beschadigd is geraakt en zonder toestemming van of na communicatie met klager is vernietigd waardoor klager geen inzicht meer in heeft zijn medische gegevens van voor 2002. Partijen zijn niet ter zitting verschenen. Daardoor geen nadere informatie van partijen. Het college kan niet vaststellen dat het dossier van klager een van de verloren gegane dossiers betreft. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:43 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 268/2017

    Klacht tegen arts over een medisch advies, aangevraagd door de gemeente over een WMO aanvraag. De arts heeft niet met de vereiste zorgvuldigheid gehandeld door zijn advies op aandringen van de gemeente aan te passen, zonder klaagster daarin te kennen en haar op enigerlei wijze daarbij te betrekken. De klacht daarover is gegrond. Het college legt een waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TNORARL:2018:3 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/326468 KLRK 17-140

    De broer van klager is overleden. De broer had één dochter. Die dochter is een dag na haar vader overleden. De broer had geen testament opgemaakt. De notaris heeft een verklaring van erfrecht opgemaakt waarin staat dat de moeder van de dochter van de broer gerechtigd is tot de nalatenschap van de broer. Klager is van mening dat de notaris een onjuiste verklaring van erfrecht heeft afgegeven. Klager stelt dat zijn vader en moeder de erfgenamen van de broer zijn. De Belastingdienst zou dezelfde mening zijn toegedaan. Klager is van mening dat er sprake is van fraude. De kamer heeft klager niet ontvankelijk verklaard in zijn klacht en daartoe het volgende overwogen. Omdat de broer geen testament had, is het wettelijk erfrecht van toepassing. Klager is op grond van het wettelijk erfrecht geen erfgenaam van de broer en evenmin van de dochter van de broer. Klager is dus geen direct belanghebbende. Ook de vader en moeder van klager zijn geen wettelijk erfgenaam van de broer noch van de dochter van de broer. Klager kan dus ook niet als indirect belanghebbende worden aangemerkt.

  • ECLI:NL:TNORARL:2018:2 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/325152 KL RK 17-112

    Klager heeft zijn lidmaatschapsrecht in een vereniging verkocht. De akte van levering is ten overstaan van de notaris gepasseerd. Voor de overdracht was de toestemming van de vereniging vereist. De vereniging heeft de inhouding van een waarborgsom als voorwaarde gesteld. Klager stelt dat de notaris zich onbeschoft heeft gedragen. In het licht van deze onheuse bejegening heeft klager een aantal punten aangevoerd, waarvan hij vindt dat de notaris kwalitatief slecht werk heeft geleverd. Voorts is klager van mening dat er geen grondslag is voor de waarborgsom en dat de notaris door het inhouden van de waarborgsom medeplichtig is aan het plegen van een onrechtmatige daad. De kamer heeft de klacht op alle onderdelen ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen. Uit hetgeen over en weer door partijen is aangevoerd, blijkt dat partijen de overdracht elk heel anders hebben ervaren. Dat de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld is niet komen vast te staan. Wel overweegt de kamer dat de notaris, bijvoorbeeld door het geven van een nadere toelichting, meer begrip voor zijn handelwijze kunnen kweken bij klager, waardoor klager de communicatie anders zou hebben ervaren. Ten aanzien van de inhouding van de waarborgsom heeft de kamer als volgt overwogen. Nu op grond van de statuten voor de overdracht de toestemming van de vereniging was vereist en de vereniging de bevoegdheid had om voorwaarden aan de overdracht te verbinden, heeft de notaris met het inhouden van de waarborgsom niet klachtwaardig gehandeld

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:39 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 187/2017

    Klaagster verwijt verweerster (gezondheidszorgpsycholoog) door gezinsvoogden gestelde vragen partijdig en in strijd met de waarheid te hebben beantwoord, waarbij zij ongefundeerde aannames als onderzochte feiten heeft gepresenteerd en feiten heeft verdraaid. Klacht op alle onderdelen ongegrond.