Zoekresultaten 14721-14730 van de 48210 resultaten
-
ECLI:NL:TADRARL:2020:209 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-274
- Datum publicatie: 15-12-2020
- Datum uitspraak: 27-07-2020
- ECLI:NL:TADRARL:2020:209
Voorzittersbeslissing. Niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste stukken in het geding heeft gebracht, noch dat hij niet heeft gehandeld zoals het een behoorlijk advocaat betaamt. Kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TAHVD:2020:251 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200125W
- Datum publicatie: 15-12-2020
- Datum uitspraak: 07-12-2020
- ECLI:NL:TAHVD:2020:251
Wrakingsverzoek. Naar het hof begrijpt legt verzoeker – kort en zakelijk vertaald - aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag dat de brieven van 19 oktober en 3 november 2020 van het hof bedreigend overkomen en dat de voorzitter misbruik maakt van zijn machtspositie. In de brief van 19 oktober 2020 is vastgelegd hetgeen ter zitting van 12 oktober is besproken. De wrakingskamer vermag, gelet op het proces-verbaal van de zitting van 12 oktober 2020 en de door partijen geschetste gang van zaken, niet in te zien dat de inhoud van deze brief de objectief gerechtvaardigde vrees oplevert dat de voorzitter jegens verzoeker vooringenomenheid koestert. Het wrakingsverzoek slaagt niet.
-
ECLI:NL:TGZRSGR:2020:145 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-025
- Datum publicatie: 15-12-2020
- Datum uitspraak: 15-12-2020
- ECLI:NL:TGZRSGR:2020:145
Ongegronde klacht tegen een arts. Het College is van oordeel dat beklaagde in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het ziekteverzuim van klaagster voortkwam uit een arbeidsconflict. Van buitensluiten van de behandelend psychiater is naar het oordeel van het College geen sprake. Ook voor het overige is niet gebleken dat beklaagde klaagster onzorgvuldig en partijdig heeft behandeld. Het is in het geval van een arbeidsconflict de taak van een bedrijfsarts om zich terughoudend op te stellen. Klacht ongegrond verklaard.
-
ECLI:NL:TAHVD:2020:258 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 190048DH
- Datum publicatie: 15-12-2020
- Datum uitspraak: 07-12-2020
- ECLI:NL:TAHVD:2020:258
Verzoeker vraagt herziening van de beslissing van het hof van 19 augustus 2019. Hij voert daartoe aan dat het hof bij de behandeling van de zaak de dwingendrechtelijke bepalingen betreffende de beroepstermijn (de artikelen 50 en 56 Advocatenwet (Aw)) niet onverkort, correct en volledig heeft toegepast als gevolg waarvan er bij de behandeling van het hoger beroep geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Het hof is van oordeel dat verweerder de mogelijkheid heeft gehad om verweer te voeren tegen de stelling van de deken dat verzoeker te laat hoger beroep had ingesteld. Het verzoek om herziening wordt ongegrond verklaard.
-
ECLI:NL:TADRARL:2020:216 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-722
- Datum publicatie: 15-12-2020
- Datum uitspraak: 14-09-2020
- ECLI:NL:TADRARL:2020:216
Klacht over de kwaliteit in de zin van doelmatigheid van de dienstverlening van verweerder. Klager is via Juresta bij verweerder gekomen met een incasso-opdracht voor achterstallige huurtermijnen van zijn zakelijke huurder. Gelet op de van de advocaat van de huurder ontvangen bewijsstukken van de slechte staat van het pand, moest verweerder naar het oordeel van de raad klager waarschuwen voor een mogelijke tegenvordering en bijbehorende kosten en klager adviseren om tegenbewijs te leveren met een eigen expertise-rapport. Dat verweerder daarbij te dwingend in de zin van onbetamelijk jegens klager zou zijn opgetreden, is de raad niet gebleken. Klager heeft verweerder niet meer de mogelijkheid gegeven om een procedure te starten en zijn huurgeschil op te lossen. Verweerder heeft hierover voldoende gecommuniceerd met klager. Ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2020:227 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.381
- Datum publicatie: 15-12-2020
- Datum uitspraak: 15-12-2020
- ECLI:NL:TGZCTG:2020:227
Klacht tegen huisarts. De klacht heeft betrekking op de behandeling van de moeder van klaagster. Patiënte is na een korte tijdelijke opname in het ziekenhuis teruggekeerd naar het woonzorgcentrum waar zij voordien verbleef. Zij is daar na korte tijd overleden. Klaagster verwijt de huisarts dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld doordat zij – kort gezegd – klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd en het medicatiebeleid heeft gewijzigd voordat de uitslag van het weefselonderzoek bekend was. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2020:130 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 055/2020
- Datum publicatie: 15-12-2020
- Datum uitspraak: 15-12-2020
- ECLI:NL:TGZRZWO:2020:130
Klacht tegen telefoonarts van huisartsenpost ongegrond. Ook in het geval van een zeer ernstig zieke patiënt moet de spoedeisendheid van de benodigde zorg worden beoordeeld aan de hand van de toestand van de patiënt op dat specifieke moment. Beklaagde had er beter aan gedaan om de toestand van patiënt zelf met klager te bespreken, maar dat hij daar niet voor heeft gekozen is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Beklaagde mocht de situatie beoordelen op basis van de informatie die hij van de triagist kreeg.
-
ECLI:NL:TAHVD:2020:252 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200117
- Datum publicatie: 15-12-2020
- Datum uitspraak: 07-12-2020
- ECLI:NL:TAHVD:2020:252
Artikel 46 Advocatenwet, gedragsregels 9 en 22. Contact met wederpartij/mogelijke getuige. Verweerder heeft zich tijdens het telefoongesprek met klager door zijn insinuerende vragen en opmerkingen over het afleggen door klager van een verklaring, die als (getuigen)bewijs in een andere rechtszaak is ingediend, waarbij hij de loyaliteit van klager indirect ter discussie heeft gesteld, niet met de vereiste zorgvuldigheid en terughoudendheid jegens klager opgesteld. Verweerder heeft verder niet kenbaar gemaakt dat hij namens de werkgever van klager belde, noch wat het doel was van het telefoongesprek. Ook heeft hij niet kenbaar gemaakt wat zijn positie was ten opzichte van klager. Klager wist dus tijdens het telefoongesprek niet dat verweerder de opdracht van zijn werkgever had ontvangen om een onderzoek te doen naar mogelijke onregelmatigheden die door zijn werkgever werden vermoed en dat de uitkomsten van dat onderzoek rechtspositionele gevolgen voor klager zouden kunnen hebben. Door aldus te handelen heeft verweerder ook op dit vlak tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Gedeeltelijke bekrachtiging van de beslissing van de raad. Berisping.
-
ECLI:NL:TADRARL:2020:210 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-297
- Datum publicatie: 15-12-2020
- Datum uitspraak: 26-10-2020
- ECLI:NL:TADRARL:2020:210
Klagers hebben zich in oktober 2018 tot verweerder gewend. Ondanks zijn schriftelijke toezeggingen van 20 november 2018 en 25 april 2019 heeft verweerder pas op 31 mei 2019 een advies aan klagers uitgebracht. Klagers betwisten dat zij op 31 mei 2019 een advies hebben ontvangen. Wat daar ook van zij, de termijn van oktober 2018 tot 31 mei 2019 leidt tot het oordeel van de raad dat verweerder de zaak niet met de vereiste voortvarendheid ter hand heeft genomen. Zonder een verklaring voor deze traagheid, die verweerder niet heeft gegeven, is dit een ernstig tuchtrechtelijk vergrijp. Verweerder heeft bovendien erkend dat hij te traag heeft gehandeld. De raad betrekt ook in haar oordeel dat het verweerder niet betaamt dat hij tot aan het bericht van klagers van 30 oktober 2019 geen enkele aanleiding heeft gezien om bij klagers te informeren naar hun reactie op zijn advies van 31 mei 2019. De overige verwijten van klagers raken de vrijheid die een advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt. Die verwijten zijn ongegrond. De raad legt de maatregel van een waarschuwing op.
-
ECLI:NL:TGZRSGR:2020:146 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-022
- Datum publicatie: 15-12-2020
- Datum uitspraak: 15-12-2020
- ECLI:NL:TGZRSGR:2020:146
Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Gelet op de feiten en omstandigheden kon beklaagde - naar het oordeel van het College - in redelijkheid tot de afweging komen dat er in het geval van klaagster geen sprake was van een vermoedelijke beroepsziekte. Het syndroom van De Quervain en/of RSI kunnen volgens het NCvB beroepsgebonden aandoeningen zijn, maar andersom impliceert zo’n aandoening nog niet dat er dan altijd sprake is van een beroepsziekte. Het College merkt daarbij op dat het niet tot de taak van een bedrijfsarts behoort om te onderzoeken waar klaagsters klachten dan wel door werden veroorzaakt. Voorts hecht het College er aan te wijzen op het feit dat de rol van de bedrijfsarts een andere is dan de rol van een behandelaar. De bedrijfsarts heeft begeleidende, coördinerende en arbo-curatieve taken en is uitdrukkelijk geen behandelaar. Een bedrijfsarts kán patiënten zelf verwijzen, maar in het geval van klaagster was dat niet nodig omdat zij reeds onder behandeling was van de specialistische curatieve sector. Ook was de diagnosestelling volgens het College in dit geval voldoende duidelijk voor beklaagde om haar taak als bedrijfsarts naar behoren te kunnen uitvoeren. Klacht ongegrond verklaard.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 1472
- Pagina: 1473
- Pagina: 1474
- ...
- Pagina: 4821
- Volgende pagina zoekresultaten