Zoekresultaten 14591-14600 van de 47966 resultaten
-
ECLI:NL:TGZCTG:2020:223 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.390
- Datum publicatie: 07-12-2020
- Datum uitspraak: 04-12-2020
- ECLI:NL:TGZCTG:2020:223
.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2020:217 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.045
- Datum publicatie: 07-12-2020
- Datum uitspraak: 04-12-2020
- ECLI:NL:TGZCTG:2020:217
Verweerder was als klinisch psycholoog verbonden aan het centrum waar klaagster voor een deeltijdbehandeling gericht op persoonlijkheidsproblematiek verbleef. Verweerder was hoofdbehandelaar en zag klaagster tweemaal per week in de groepspsychotherapie. Op enig moment is klaagster gestopt met deze therapie. Verweerder bleef hoofdbehandelaar en heeft in de periode die volgde contact met klaagster gehouden over een deeltijdbehandeling in een andere groep en een door klaagster gewenste maagverkleining. Na een behandelimpasse is het contact met klaagster door verweerder overgedragen aan zijn collega, eveneens aangeklaagd (C2020.046). Klaagster is daarna voor behandeling naar een ander centrum gegaan. Klaagster verwijt verweerder dat: 1. hij tijdens de groepstherapie geen oog heeft gehad voor de verslechterende toestand van klaagster en de overdrachtsgevoelens die zij naar beklaagde toe ontwikkelde; 2. hij niet adequaat op de hulpvragen van klaagster heeft gereageerd; 3. hij een onjuist advies heeft gegeven ten aanzien van de maagoperatie; 4. de overdracht naar het andere centrum onzorgvuldig is geweest; 5. hij haar onheus heeft bejegend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2020:224 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.391
- Datum publicatie: 07-12-2020
- Datum uitspraak: 04-12-2020
- ECLI:NL:TGZCTG:2020:224
.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2020:218 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.046
- Datum publicatie: 07-12-2020
- Datum uitspraak: 04-12-2020
- ECLI:NL:TGZCTG:2020:218
Verweerster, klinisch psycholoog, was werkzaam als manager behandelzaken bij het centrum waar klaagster voor een deeltijdbehandeling gericht op persoonlijkheidsproblematiek verbleef. Een collega van verweerster, eveneens aangeklaagd (C2020.045) was hoofdbehandelaar. Op enig moment is klaagster gestopt met de therapie. Na een behandelimpasse met de hoofdbehandelaar is het contact met klaagster overgedragen aan verweerster. Verweerster heeft met klaagster over alternatieve behandelmogelijkheden besproken maar die zijn niet van de grond gekomen. Klaagster is uiteindelijk voor behandeling naar een ander centrum gegaan. Klaagster verwijt verweerster dat zij: 1.hulp had moeten bieden; 2.de ouders van klaagster in had moeten lichten; 3. bij de overdracht naar het andere centrum een andere therapie had moeten adviseren; 4. klaagster onheus bejegend heeft. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2020:163 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-468/DH/DH 20-495/DH/DH 20-496/DH/DH 20-497/DH/DH 20-498/DH/DH 20-499/DH/DH 20-500/DH/DH 20-501/DH/DH 20-502/DH/DH 20-504/DH/DH
- Datum publicatie: 07-12-2020
- Datum uitspraak: 07-12-2020
- ECLI:NL:TADRSGR:2020:163
Gegrond dekenbezwaar tegen tien verweerders die in dienst zijn bij SRK Rechtsbijstand B.V. Op grond van artikel 5.11 Voda is het verweerders niet toegestaan om, terwijl zij in dienst zijn bij SRK, rechtsbijstand te verlenen aan personen die niet verzekerd zijn op grond van een rechtsbijstandverzekering. Nu BrandMR op betalende basis rechtsbijstand wil verlenen aan deze personen, kunnen verweerders geen werkzaamheden verrichten voor cliënten van BrandMR. De presentatie van verweerders op de website van BrandMR geeft een misleidend beeld en dat is in strijd met artikel 7.4 Voda. Regelgeving is zoals die is en moet worden nageleefd, ook al menen verweerders dat artikelen van de Voda hun vrijheid van meningsuiting ontoelaatbaar beperken en in strijd zijn met artikel 6 van de Mededingingswet. De raad is overigens niet van oordeel dat er sprake is van een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van meningsuiting en is voorshands niet van oordeel dat de NOvA bij het vaststellen van de regelgeving in strijd met het geldende mededingingsrecht heeft gehandeld. De raad ziet ten slotte geen aanknopingspunten om de uitkomst van de civiele procedure, thans lopend bij de rechtbank Den Haag, af te wachten.
-
ECLI:NL:TNORSHE:2014:31 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2014/34
- Datum publicatie: 07-12-2020
- Datum uitspraak: 15-12-2014
- ECLI:NL:TNORSHE:2014:31
Onderzoek als bedoeld in art. 96 (oud) Wna.* De notaris heeft een bedrag van € 500.000 overgeschreven van de derdengeldenrekening van het kantoor waaraan hij destijds was verbonden naar een rekening bij een andere bank die op zijn naam was geregistreerd. Daardoor is een negatieve bewaringspositie ontstaan. De kamer heeft geoordeeld dat de rekening op naam van de notaris niet kon worden aangemerkt als een bijzondere rekening in de zin van de (dwingendrechtelijke) bepalingen van art. 25 (oud) Wna, zodat de met dat artikel beoogde bescherming van derden niet kon worden geboden aan de rechthebbenden van de tegoeden die naar de rekening op naam van de notaris zouden worden overgeboekt. Deze gelden hebben bovendien als zekerheid gediend voor het debetsaldo dat de notaris op een andere privérekening bij dezelfde bank heeft doen ontstaan door gelden uit te lenen aan de echtgenote van een andere notaris, die deze gelden op haar beurt onder hypothecair verband heeft uitgeleend aan derden die door banken kennelijk niet als voldoende kredietwaardig werden aangemerkt. De notaris heeft vanaf de derdengeldenrekening van kantoor ook andere gelden overgeboekt naar een van deze privérekeningen, waaronder gelden die hij onder zich had uit hoofde van executele en uit hoofde van bewind over het vermogen van minderjarigen na het overlijden van hun vader. Bovendien heeft de notaris in strijd met de waarheid een akte van geldlening opgesteld en een (fictief) uittreksel uit de (thans) BRP, terwijl hij ook op diverse andere punten niet heeft gehandeld zoals het een behoorlijk notaris betaamt. Ontzetting uit het ambt. Op dezelfde datum heeft de kamer uitspraak gedaan over andere bedenkingen tegen deze notaris (SHE/2013/71b). * (Deze uitspraak is destijds per abuis niet gepubliceerd)
-
ECLI:NL:TGZCTG:2020:219 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.386
- Datum publicatie: 07-12-2020
- Datum uitspraak: 04-12-2020
- ECLI:NL:TGZCTG:2020:219
.
-
ECLI:NL:TNORSHE:2014:32 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2013/71b
- Datum publicatie: 07-12-2020
- Datum uitspraak: 15-12-2014
- ECLI:NL:TNORSHE:2014:32
Onderzoek als bedoeld in art. 96 (oud) Wna.* De notaris heeft werkzaamheden verricht i.v.m. een omvangrijke projectontwikkeling met een financieel belang van 93,5 miljoen euro en vele internationale aspecten (waaronder betrokkenheid van diverse buitenlandse (rechts)personen, o.a. gevestigd in Belize, ondertekening van een contract in Dubai, beoogde legalisering in het Verenigd Koninkrijk, betaling van een bedrag van 2,3 miljoen euro aan een bank in Taiwan). Gelet op deze aspecten en de gang van zaken rond de totstandkoming van de overeenkomsten (zo was gebruik gemaakt van een vals stempel van een notariskantoor) en het feit dat de notaris op de dag van overboeking, ondanks herhaald verzoek daartoe, nog altijd niet de beschikking had over de vereiste legal opinions, is de kamer van oordeel dat de notaris zich als partij-adviseur voorafgaand aan de closing te lijdelijk heeft opgesteld. Een notaris kan zich van zijn gehoudenheid tot onderzoek en controle tuchtrechtelijk niet bevrijden door hierover iets anders met de cliënt overeen te komen. Op het moment dat de opdrachtgever klaarblijkelijk ernstig in tweestrijd verkeerde of hij al dan niet tot ondertekening van de contracten zou overgaan, had het naar het oordeel van de kamer op de weg van de notaris gelegen om zijn opdrachtgever ervan te weerhouden de overeenkomsten aan te gaan zolang de identiteit van de wederpartij niet aan de hand van legal opinions kon worden geverifieerd. Indien zijn opdrachtgever een dergelijk advies vervolgens in de wind zou hebben geslagen, had het op de weg van de notaris gelegen om de gelden die op de derdengeldenrekening in depot werden gehouden ten behoeve van de wederpartij niet zelf over te boeken, maar zijn opdrachtgever duidelijk schriftelijk over zijn standpunt te informeren. Tegelijk met deze beslissing heeft de kamer uitspraak gedaan over de handelwijze van de notaris ten tijde van zijn ambtsuitoefening bij zijn eerdere kantoor (SHE/2014/34). Omdat in die zaak aan de notaris de zwaarste tuchtmaatregel (ontzetting uit het ambt) werd opgelegd, heeft de kamer, hoewel (ook) de bedenkingen in deze zaak een tuchtmaatregel rechtvaardigden, geoordeeld dat om die reden in deze zaak geen plaats meer was voor het opleggen van een tuchtmaatregel. * (Deze uitspraak is destijds per abuis niet gepubliceerd)
-
ECLI:NL:TADRARL:2020:190 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-398
- Datum publicatie: 04-12-2020
- Datum uitspraak: 18-05-2020
- ECLI:NL:TADRARL:2020:190
Tijdig ingediende klacht over eigen advocaat in arbeidsgeschil. Dat klaagster geen gebruik heeft gemaakt van de interne klachtenregeling van verweerder of haar geschil aan de Geschillencommissie heeft voorgelegd, staat aan deze tuchtrechtelijke procedure niet in de weg. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder klaagster niet ondubbelzinnig schriftelijk gewezen op de risico’s van het niet tijdig aanvaarden van het door de werkgever gedane aanbod voor een vertrekregeling, waarmee hij in zijn zorgplicht jegens klaagster is tekortgeschoten (artikel 7.11 lid 2 Voda; Regel 16). Daarnaast had verweerder aan klaagster schriftelijk duidelijkheid moeten verschaffen over de aanpak van het maken van het verweerschrift voor het UWV, die daar regelmatig haar zorgen over heeft geuit. Dat verweerder dat heeft gedaan, is de raad uit de stukken niet gebleken. De raad is niet bevoegd om geschillen over de hoogte van de declaratie te beslechten. Berisping.
-
ECLI:NL:TAHVD:2020:239 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200096
- Datum publicatie: 04-12-2020
- Datum uitspraak: 27-11-2020
- ECLI:NL:TAHVD:2020:239
Hof vernietigt uitspraak raad, die de uitlatingen van de advocaat van de wederpartij niet onnodig grievend, maar wel onbehoorlijk beschouwde en een waarschuwing oplegde. Hoewel een zakelijker toon beter en constructiever was geweest, heeft verweerder de grens van de hem toekomende vrijheid niet overschreden.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 1459
- Pagina: 1460
- Pagina: 1461
- ...
- Pagina: 4797
- Volgende pagina zoekresultaten