ECLI:NL:TGZCTG:2026:97 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2843

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:97
Datum uitspraak: 18-05-2026
Datum publicatie: 19-05-2026
Zaaknummer(s): C2025/2843
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Verzet tegen een voorzittersbeslissing in de zaak tegen een (destijds) AIOS interne geneeskunde. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht tegen de arts kennelijk ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep van klager afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het door klager ingestelde verzet ongegrond.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2843 van:

A.,wonende in B.,

appellant, klager in eerste aanleg,

hierna: klager,
 

tegen
 

C., destijds AIOS interne geneeskunde,

(destijds) werkzaam in D.,

verweerder in beide instanties,

hierna: de arts,

gemachtigde: mr. A. van der Veen en mr. F.F. van Noort, werkzaam in Amsterdam.
 

1. Verloop van de procedure

1.1       Klager heeft op 27 november 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam een klacht ingediend tegen de arts. Bij beslissing van 3 juni 2024, onder nummer A2024/7877 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:143) heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

1.2       Klager heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 15 augustus 2025 het beroep afgewezen. De beslissing van de voorzitter is als bijlage aan deze beslissing gehecht. Tegen deze beslissing heeft klager verzet aangetekend.

1.3       Het verzet is op de zitting van 6 mei 2026 behandeld. Klager is daar verschenen en werd bijgestaan door zijn zoon E.. Klager heeft zijn standpunt nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De arts is met bericht van verhindering niet verschenen.

2. Beoordeling van het verzet

2.1       De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft in de beslissing van 15 augustus 2025 het volgende overwogen:

“5.2     De voorzitter overweegt dat het Regionaal Tuchtcollege op goede gronden heeft geoordeeld dat de klacht ongegrond is. Zij neemt dit oordeel en de onderbouwing daarvan over.

5.3       Ter aanvulling merkt de voorzitter hierbij nog het volgende op. Uit de overgelegde stukken blijkt dat klager op 15 mei 2025 onder curatele is gesteld. Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege kan een klager die onder curatele is gesteld zelfstandig een klacht indienen tenzij blijkt dat diegene kennelijk niet in staat is om de inhoud en de reikwijdte van de klacht te overzien. De voorzitter heeft geen aanwijzingen dat dit hier aan de orde is.

5.4       Klager gaat er ten onrechte vanuit dat de arts heeft gezegd dat er geen aanwijzingen waren voor een neurodegeneratieve aandoening. Uit het (medische) dossier blijkt dat de arts zorgvuldig onderzoek heeft verricht, dat hij zijn bevindingen heeft besproken met zijn supervisor en dat de situatie van klager daarna is besproken in een MDO. De conclusie was dat er wel aanwijzingen waren voor een neurodegeneratieve aandoening, maar dat het pas mogelijk was om hier nader onderzoek naar te doen als klager langere tijd minder of geen alcohol meer gebruikte. Dit is met klager in het bijzijn van zijn zoons besproken en is ook aan de huisarts medegedeeld.

5.5       Wat betreft het verwijt dat de arts een rechterlijke machtiging heeft aangevraagd, overweegt de voorzitter, net als het Regionaal Tuchtcollege, dat uit het medisch dossier duidelijk blijkt dat de arts hier geen enkele betrokkenheid bij heeft gehad. In zijn overdracht aan de huisarts heeft de arts weliswaar opgenomen dat hij de huisarts adviseerde om een procedure tot het verkrijgen van een rechterlijke machtiging in gang te zetten, maar het was aan de huisarts en/of andere betrokken zorgverleners om te beoordelen of zij dit advies wel of niet zouden opvolgen. Na het consult van 10 juli 2019 lag de regie weer bij de huisarts. De voorzitter merkt hierbij op dat voor het aanvragen van een rechterlijke machtiging een beoordeling door een onafhankelijk arts nodig is en dat de rechter vervolgens bepaalt of een gedwongen opname noodzakelijk is. Zowel de arts als de huisarts gaan hier niet over.

5.6       Klager heeft in zijn beroepschrift nog enige andere klachten verwoord die betrekking hebben op andere zorgverleners en hij heeft om schadevergoeding gevraagd. De voorzitter zal niet inhoudelijk op deze punten ingaan. Los van het feit dat het in een tuchtrechtelijke procedure niet mogelijk is om schadevergoeding te vragen, is er in deze zaak geen aanleiding voor schadevergoeding omdat klager in het ongelijk is gesteld.

5.7       Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.’’

2.2       Klager is het niet eens met deze beslissing van de voorzitter.

2.3       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, het beroepschrift van 5 juni 2025, de aanvulling daarop, de beslissing van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege, het verzetschrift van 25 augustus 2025 en de aanvulling daarop van 18 januari 2026.

2.4       Een verzet is gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerd toetsingskader heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

2.5       Klager heeft naar voren gebracht dat de beslissing van de voorzitter onjuist is, omdat de arts bij hem de diagnose frontotemporale dementie heeft gesteld en een rechterlijke machtiging heeft aangevraagd. Dit betoog slaagt niet. Uit het dossier blijkt ondubbelzinnig dat de arts deze diagnose niet bij klager heeft gesteld. Verder staat ook vast dat de arts niet betrokken was bij de aanvraag voor een rechterlijke machtiging. Zoals de voorzitter terecht heeft overwogen, heeft de arts de huisarts geadviseerd om een procedure tot het verkrijgen van een rechterlijke machtiging in gang te zetten, maar was het aan de huisarts en/of andere betrokken zorgverleners om te beoordelen of zij dit advies wel of niet zouden opvolgen. Klager heeft in verzet dus geen gronden aangevoerd die het college aanleiding geven om aan de juistheid van de beslissing van de voorzitter van 15 augustus 2025 te twijfelen. Het verzet levert ook verder geen nieuwe gezichtspunten op, zodat er geen plaats is voor een nadere inhoudelijke beoordeling van de klacht. Het Centraal Tuchtcollege zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

3.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

                                               verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is genomen door E.J. Daalder, voorzitter,

A.S. Gratama en H. de Hek, leden-juristen, D. Coppoolse en B.J.P. Vis-Janssens de Varebeke, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2026.

            Voorzitter   w.g.                                                          Secretaris  w.g.

D E  V O O R Z I T T E R  V A N  H E T  C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2843 van:

A., wonende in B.,

appellant, klager in eerste aanleg,

hierna: klager,

tegen

C., destijds AIOS interne geneeskunde,

(destijds) werkzaam in D.,

verweerder in beide instanties,

hierna: de arts,

gemachtigde: mr A. van der Veen en mr. F.F. van Noort, werkzaam in Amsterdam.

1.         Waar gaat de zaak over?

1.1       Klager is in 2019 door zijn huisarts verwezen naar de arts in verband met zorgen over gedragsveranderingen van klager bij (een vermoeden van) langere tijd overmatig alcoholgebruik.

De arts vermoedde bij onderzoek dat er sprake was van dementie maar wilde het definitieve oordeel daarover uitstellen tot het problematische alcoholgebruik was verminderd, bij voorkeur via een detox opname. Hier wilde klager niet aan meewerken. Klager verwijt de arts dat hij klager via een rechterlijke machtiging gedwongen heeft laten opnemen.

1.2       Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep afwijzen.

2.         Verloop van de procedure in beroep

2.1       Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 3 juni 2025 met nummer A2024/7877 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:143).

2.2       De voorzitter heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg en het beroepschrift.

3.         De feiten

3.1       Bij de beoordeling van het beroep gaat de voorzitter uit van de volgende feiten.

3.2       De huisarts van klager heeft hem verwezen naar de arts in verband met zorgen over gedragsveranderingen. In de verwijzing staat onder meer:

‘Gedragsveranderingen afgelopen maanden bij (vermoeden) langere tijd overmatig alcoholgebruik. Valt vaker, vermoeden geheugenverlies. Op mijn dringend verzoek naar uw poli. Zoon/familie/honkbalvereniging/wijkagent maken zich veel zorgen en mailen mij zeer frequent dat het net goed gaat. Pt ziet zelf geen probleem.”

3.3       Op 4 juli 2019 heeft de arts klager op zijn spreekuur gezien en onderzoek gedaan.

Na overleg met zijn supervisor is de situatie van klager op 8 juli 2019 besproken in een multidisciplinair overleg (MDO). In het MDO is onder meer besproken dat een detox opname op korte termijn noodzakelijk leek. Uit contact van de arts met een detox kliniek bleek dat klager gezien multiproblematiek en zijn leeftijd niet in aanmerking kwam voor zorg via de kliniek.

3.4       De arts heeft vervolgens op 9 juli 2019 contact gehad met de huisarts om de uitkomsten van het MDO en het overleg met de detox kliniek te delen.

3.5       Op 10 juli 2019 heeft de arts klager in bijzijn van zijn twee zoons uitgelegd dat er bij klager sprake kon zijn van een onderliggende neurodegeneratieve ziekte maar dat dit niet kon worden vastgesteld bij actief alcoholgebruik. De arts heeft toen voorgesteld dat klager opgenomen zou worden voor zijn alcoholprobleem en gelijktijdig diagnostiek naar eventuele dementie. Klager stond hier niet voor open. Met de zoons is afgesproken om geen vervolgafspraak te plannen.

3.6       Bij brief van 10 juli 2019 heeft de arts (in aansluiting op de telefonische terugkoppeling van 9 juli 2019) de huisarts geïnformeerd over de onderzoeken en de conclusie hiervan.

In de brief is onder meer het volgende opgenomen:

op grond hiervan meen ik dat patiënt voldoet aan gevaarscriteria  die een RM beoordeling rechtvaardigen met als doel een (eventueel gedwongen) opname om te ontwennen van alcohol en aanvullende diagnostiek te doen naar neurodegeneratie. Er is nu geen sprake van acute gevaarscriteria die een IBS beoordeling zouden rechtvaardigen.

Bovenstaande heb ik met u, patiënt en zijn zoons besproken waarbij ik u adviseerde een RM procedure in gang te zetten”.           

4.         De klacht

4.1       Klager verwijt de arts dat die enerzijds concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor een neurodegeneratieve aandoening maar anderzijds wel een rechterlijke machtiging heeft aangevraagd.

5.         De beoordeling

5.1       Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hij vraagt het Centraal Tuchtcollege om de klacht opnieuw te beoordelen en deze alsnog gegrond te verklaren.

5.2       De voorzitter overweegt dat het Regionaal Tuchtcollege op goede gronden heeft geoordeeld dat de klacht ongegrond is. Zij neemt dit oordeel en de onderbouwing daarvan over.

5.3       ter aanvulling merkt de voorzitter hierbij nog het volgende op. Uit de overgelegde stukken blijkt dat klager op 15 mei 2025 onder curatele is gesteld. Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege kan een klager die onder curatele is gesteld zelfstandig een klacht indienen tenzij blijkt dat diegene kennelijk niet in staat is om de inhoud en de reikwijdte van de klacht te overzien. De voorzitter heeft geen aanwijzingen dat dit hier aan de orde is.

5.4       Klager gaat er ten onrechte vanuit dat de arts heeft gezegd dat er geen aanwijzingen waren voor een neurodegeneratieve aandoening. Uit het (medische) dossier blijkt dat de arts zorgvuldig onderzoek heeft verricht, dat hij zijn bevindingen heeft besproken met zijn supervisor en dat de situatie van klager daarna is besproken in een MDO. De conclusie was dat er wel aanwijzingen waren voor een neurodegeneratieve aandoening, maar dat het pas mogelijk was om hier nader onderzoek naar te doen als klager langere tijd minder of geen alcohol meer gebruikte. Dit is met klager in het bijzijn van zijn zoons besproken en is ook aan de huisarts medegedeeld.

5.5       Wat betreft het verwijt dat de arts een rechterlijke machtiging heeft aangevraagd, overweegt de voorzitter, net als het Regionaal Tuchtcollege, dat uit het medisch dossier duidelijk blijkt dat de arts hier geen enkele betrokkenheid bij heeft gehad. In zijn overdracht aan de huisarts heeft de arts weliswaar opgenomen dat hij de huisarts adviseerde om een procedure tot het verkrijgen van een rechterlijke machtiging in gang te zetten, maar het was aan de huisarts en/of andere betrokken zorgverleners om te beoordelen of zij dit advies wel of niet zouden opvolgen. Na het consult van 10 juli 2019 lag de regie weer bij de huisarts.

De voorzitter merkt hierbij op dat voor het aanvragen van een rechterlijke machtiging een beoordeling door een onafhankelijk arts nodig is en dat de rechter vervolgens bepaalt of een gedwongen opname noodzakelijk is. Zowel de arts als de huisarts gaan hier niet over.

5.6       Klager heeft in zijn beroepschrift nog enige andere klachten verwoord die betrekking hebben op andere zorgverleners en hij heeft om schadevergoeding gevraagd. De voorzitter zal niet inhoudelijk op deze punten ingaan. Los van het feit dat het in een tuchtrechtelijke procedure niet mogelijk is om schadevergoeding te vragen, is er in deze zaak geen aanleiding voor schadevergoeding omdat klager in het ongelijk is gesteld.

5.7       Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.   

6.         Beslissing

De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

                                               wijst het beroep af.

Aldus gewezen op 15 augustus 2025 en ondertekend door Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan door

C.J.M. Manders, secretaris.

Voorzitter w.g.                                                             Secretaris w.g.

Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.