ECLI:NL:TGZCTG:2026:79 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3074
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:79 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-04-2026 |
| Datum publicatie: | 13-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/3074 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster is eind 2024 tweemaal op consult geweest bij de tandarts. Over beide consulten is klaagster ontevreden. Zij vindt dat ze beide keren lang in de wachtkamer heeft moeten wachten, dat zij onvoldoende uitleg heeft gekregen over voedingssupplementen en dat de behandeling tijdens het tweede consult (behandeling van cariës) niet zorgvuldig is uitgevoerd. Ook heeft klaagster geen reactie gekregen op de klacht die zij bij de tandartspraktijk heeft ingediend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. In beroep gaat het alleen over het verwijt dat de behandeling van cariës niet zorgvuldig is uitgevoerd. Het Centraal Tuchtcollege komt tot hetzelfde oordeel als het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3074 van:
A., appellante, klaagster in eerste aanleg,
wonende in B., hierna: klaagster,
gemachtigde: mr. E.R. Boer, werkzaam te Amsterdam,
tegen
C., tandarts, werkzaam in D., verweerster in beide instanties,
hierna: de tandarts, gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is eind 2024 tweemaal op consult geweest bij de tandarts. Over
beide consulten is klaagster ontevreden. Zij vindt dat ze beide keren lang in de wachtkamer
heeft moeten wachten, dat zij onvoldoende uitleg heeft gekregen over voedingssupplementen
en dat de behandeling tijdens het tweede consult (behandeling van cariës) niet zorgvuldig
is uitgevoerd. Ook heeft klaagster geen reactie gekregen op de klacht die zij bij
de tandartspraktijk heeft ingediend.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege komt tot hetzelfde oordeel en zal dat hieronder toelichten.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 24 oktober 2025 met nummer A2025/8207 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:253). De tandarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
2.2 De zaak is op de zitting van 16 maart 2026 behandeld. Aanwezig waren de tandarts en klaagster, beiden bijgestaan door hun gemachtigde. De spreekaantekeningen van klaagster zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van
de volgende feiten.
3.2 Op 21 november 2024 had klaagster een consult bij de tandarts. Dit betrof een intake. De tandarts heeft het gebit van klaagster onderzocht en stelde vast dat er sprake was van vergevorderde cariës in element 48. De tandarts heeft de keuze tussen het trekken van de kies en het restaureren van de kies met klaagster besproken. Klaagster koos voor restaureren. De tandarts heeft klaagster geadviseerd over voedingssupplementen en er is een vervolgafspraak gemaakt voor 31 december 2024.
3.3 Op 31 december 2024 kwam klaagster voor het restaureren van de cariës. De tandarts heeft klaagster verdoofd met een intraligamentaire verdoving. Tijdens de behandeling bleek er sprake te zijn van diepe vergevorderde cariës. Klaagster reageerde, zowel vocaal als fysiek, op pijnprikkels waarna de tandarts besloot de behandeling te onderbreken. Zij stelde voor om een mandibulair blok te zetten en deze verdoving in te laten werken in de wachtkamer. Nadat de verdoving was ingewerkt is de behandeling voortgezet en afgerond.
3.4 Klaagster heeft na de behandeling een klacht ingediend bij de praktijk.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster heeft de tandarts in eerste aanleg verweten dat zij bij beide consulten
lang in de wachtkamer heeft moeten wachten, dat zij onvoldoende uitleg heeft gekregen
over voedingssupplementen en dat de behandeling tijdens het tweede consult (behandeling
van cariës) niet zorgvuldig is uitgevoerd.
4.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard. Ter zitting in beroep heeft de gemachtigde van klaagster verklaard dat het beroep uitsluitend nog betrekking heeft op de onzorgvuldige behandeling van de cariës tijdens het tweede consult. Hieruit volgt dat het beroep voor het overige niet langer ter beoordeling voorligt. Klaagster verzoekt het Centraal Tuchtcollege dat onderdeel van de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.3 De tandarts heeft verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
Toetsingskader
4.4 De vraag is of de tandarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de tandarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Inhoudelijk oordeel
4.5 Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt Het Centraal
Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond
heeft verklaard. Het voornaamste verwijt dat klaagster de tandarts maakt, is dat zij
heeft gekozen voor een intraligamentaire verdoving en dat deze keuze ertoe heeft geleid
dat klaagster veel pijn heeft gehad, waardoor klaagster zich getraumatiseerd voelde.
Het Centrale Tuchtcollege kan de keuze van de tandarts voor een intraligamentaire
verdoving echter goed volgen, gelet op de aard en de verwachte duur van de behandeling.
Het ging om de behandeling van één element, die naar verwachting niet lang zou duren.
Dat uiteindelijk sprake was van een diepe vergevorderde cariës, maakt niet dat de
tandarts had moeten kiezen voor een ander type verdoving. Een lokale intraligamentaire
verdoving werkt normaal gesproken goed voor een dergelijke behandeling. Zo nodig kan,
als de intraligamentaire verdoving onvoldoende werkt, gekozen worden om bij een carieuze
verstandskies in de onderkaak bij te verdoven middels een mandibulair blok en omgekeerd
bij een mandibulair blok bij te verdoven met een intraligamentaire verdoving.
4.6 Het college kan zich voorstellen dat de gang van zaken erg vervelend is geweest voor klaagster. Ook kan het college begrijpen dat klaagster is geschrokken van de situatie, mede omdat niet van tevoren is gesproken over de soort verdoving die zou worden toegepast en klaagster op basis van eerdere ervaringen andere verwachtingen had. Dit leidt echter niet tot tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. De gekozen verdovingsmethode was passend voor de ingreep en de tandarts kon niet voorzien dat deze wijze van verdoven bij klaagster onvoldoende werkte. Het is ook niet gebruikelijk om de keuze voor een type verdoving voorafgaand aan een ingreep te bespreken. Wat betreft het behandelresultaat heeft het Regionaal Tuchtcollege terecht geconstateerd dat de tandarts de behandeling technisch adequaat heeft uitgevoerd.
Conclusie
4.7 Het Centraal Tuchtcollege komt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege
de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het beroep van klaagster
wordt verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, H. de Hek en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en I.H.J. Reuser en A. Vissink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.