ECLI:NL:TGZCTG:2026:77 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2983

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:77
Datum uitspraak: 13-04-2026
Datum publicatie: 13-04-2026
Zaaknummer(s): C2025/2983
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een psychiater. De klacht gaat over een door de psychiater opgesteld keuringsrapport rijgeschiktheid van klager, waarin werd geconcludeerd dat klager niet rijgeschikt was. Klager was het daar niet mee eens en liet een onafhankelijke herkeuring doen, daaruit kwam naar voren dat er geen beperkingen waren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat de psychiater in het rapport op onvoldoende inzichtelijke en consistente wijze uiteen heeft gezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. De psychiater heeft in dit geval op meerdere onderdelen onvoldoende blijk gegeven van de vereiste vakkundigheid en zorgvuldigheid, niet alleen bij het afnemen van het onderzoek maar ook bij het opstellen van de rapportage. Gelet op de opstelling van de psychiater in de aan de tuchtprocedure voorafgaande correspondentie tussen hem en klager en ook in de procedure voor het Regionaal Tuchtcollege heeft de psychiater weinig zelfinzicht en -reflectie getoond. Het Regionaal Tuchtcollege acht een berisping daarom passend en geboden. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de psychiater.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2983 van:

A., werkzaam te B., appellant, verweerder in eerste aanleg,
hierna: psychiater, gemachtigde: mr. A.F. Maatje, werkzaam te Amsterdam,

tegen

C., wonende te D., verweerder in beroep, klager in eerste aanleg, 
hierna: klager, gemachtigde: mr. A. Ibn el Kadi, werkzaam te Rotterdam.

1.    Kern van de zaak
1.1    De klacht gaat over een door de psychiater opgesteld keuringsrapport rijgeschiktheid van klager. Klager was drie keer gezakt voor zijn rijexamen en kreeg na de derde keer zakken het advies van de examinator van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) om zich te laten onderzoeken wegens aandachtsproblemen tijdens het rijden. Op 2 maart 2024 kwam klager bij de psychiater voor een onderzoek/keuring. Uit het keuringsrapport kwam naar voren dat de psychiater klager niet rijgeschikt achtte. Klager was het daar niet mee eens en diende een klacht in bij de psychiater. Hierna liet klager op 20 juli 2024 een onafhankelijke herkeuring doen, waarbij werd geconcludeerd dat hij rijgeschikt is en er geen beperkingen waren. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht gegrond verklaard en aan de psychiater de maatregel van berisping opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de psychiater.

2.    Verloop van de procedure

2.1    De psychiater heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 22 juli 2025 met nummer Z2024/7764 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:83). 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift en het verweerschrift.

2.3    De zaak is op de zitting van 2 maart 2026 behandeld. De psychiater was aanwezig, bijgestaan door mr. M. Santema. Daarnaast was gemachtigde van klager, mr. A Ibn el Kadi aanwezig. Klager nam deel via een beeldverbinding. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van de psychiater zijn aan het dossier toegevoegd.    

3.    Feiten

3.1    Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.

3.2    Klager, geboren in 2003, werd als vijfjarig kind psychologisch onderzocht vanwege 
concentratieproblemen op school. In het onderzoeksrapport van 2009 werd geconcludeerd (alle citaten zijn overgenomen inclusief eventuele spel- en typfouten):

‘(..) Concluderend kan er gezegd worden dat er mogelijk sprake is van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit. Er zijn kenmerken van ODD, alhoewel deze meer naar voren komen in een schoolse situatie. Doordat [RTG: voornaam klager] nog erg jong is, en nog volop in ontwikkelin, is het moeilijk om nu al een goede diagnose te stellen. (..)’

De behandeling van klager bestond onder andere uit medicatie methylfenidaat en daarna Concerta. Klager stopte in 2023/2024 met het innemen van de medicijnen.

3.3    Toen klager in 2024 voor de derde keer zakte voor zijn rijexamen, adviseerde de 
CBR-examinator om een medische keuring te ondergaan in verband met aandacht- en concentratieproblemen tijdens het rijden. De CBR-examinator vroeg klager of hij mogelijk ADHD had. Klager bevestigde dat. 

3.4    Op 2 maart 2024 werd klager onderzocht. De anamnese wed afgenomen door een daartoe opgeleide intaker waarna verweerder het gesprek afrondde en observaties verrichtte. 
Vervolgens stelde verweerder een keuringsrapport rijgeschiktheid op, waarin hij klager niet rijgeschikt achtte. Hierover noteerde verweerder in de rapportage van 26 maart 2024 - na correctie op verzoek van klager - het volgende:

‘(..) C. werd op zijn 12e jaar onderzocht op ASS. De diagnose werd destijds niet gesteld, maar bij ons onderzoek lijken er wel kenmerken van ASS zichtbaar, onder meer de vlakke mimiek en het niet zo goed zicht hebben op zichzelf. Zo vindt hij onder meer de kritiek van de examinatoren niet terecht, herkent het niet. Hij lijkt zichzelf enigszins te overschatten. (..)
Bij het onderzoek valt op dat veel vragen door moeder worden beantwoord, voor C.. zelf de kans krijgt om te antwoorden. Er lijkt sprake van een trage informatieverwerking bij C. 
C. lijkt overigens goed in zijn vel te zitten. Er lijkt, afgezien van enige ASS kenmerken, geen sprake van comorbiditeit. Hij ontwikkelt zich goed. Hij heeft een bijbaan, hobby’s, voldoende sociale contacten, is lichamelijk gezond, psychisch stabiel. 
Er blijken bij onderzoek bijzonderheden, waardoor er lichte twijfels zijn aan zijn rijgeschiktheid. (..)

Conclusie
C. is bekend met ADHD en er zijn kenmerken van ASS. Er lijkt sprake van een gebrek aan zelfreflectie, enig overschatten van zichzelf, een gebrek aan ziektebesef en -inzicht. De examinatoren signaleren aandachtsproblemen en een moeite met vooruitkijken, anticiperen, bij deelname aan het verkeer. Omdat C. nu niet meer behandeld wordt voor zijn ADHD en gezien de gesignaleerde problemen, gekoppeld aan zijn, in dit licht bijzondere, wens om piloot te worden, kreeg C. het advies om zich nader te laten onderzoeken en mogelijk behandelen, omdat C. nu niet rijgeschikt te achten is.’

3.5    Klager was het niet eens met de rapportage en diende op 29 april 2024 een klacht in bij CBR Keuringen, het bureau waaraan verweerder verbonden is. Verweerder reageerde schriftelijk op de klacht. Op 20 juli 2024 liet klager een herkeuring doen bij een onafhankelijke psychiater. Daaruit kwam naar voren dat er geen beperkingen in de rijvaardigheid van klager werden gezien en klager dus rijgeschikt werd geacht.    

4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over
4.1    Klager verweet de psychiater bij het Regionaal Tuchtcollege dat hij
a)    onzorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht;
b)    een onjuiste rapportage heeft opgesteld, onder andere door misinterpretatie van ADHD-diagnose, foute observaties over gedrag en het gebrek aan een eigen evaluatie.

4.2    De psychiater is het niet eens met de gegrondverklaring van de klacht door het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de klacht nogmaals beoordeelt en alsnog ongegrond verklaart. Subsidiair verzoekt de psychiater de opgelegde maatregel te matigen tot een waarschuwing. 

4.3    Klager heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep te verwerpen. 

4.4    Het gevolg is dat de oorspronkelijke klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voorligt. 

Inhoudelijke beoordeling
4.5    Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht gegrond heeft verklaard, omdat de psychiater in zijn rapport op onvoldoende inzichtelijke en consistente wijze uiteen heeft gezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft de overwegingen en de conclusie van het Regionaal Tuchtcollege, ook ten aanzien van de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel. Het Centraal Tuchtcollege neemt daarom datgeen wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen hier over. Naar aanleiding van de behandeling van de zaak in beroep voegt het Centraal Tuchtcollege nog het volgende toe. 

4.6    De psychiater schrijft in zijn rapportage dat klager goed in zijn vel zit en dat er, afgezien van enige ASS-kenmerken, geen sprake is van comorbiditeit. Verder schrijft hij dat klager ten tijde van het opstellen van de rapportage een bijbaan, hobby’s en voldoende sociale contacten had, lichamelijk gezond was en psychisch stabiel. Op basis van lichte twijfels (gevoed door de observaties van de rijexaminator) heeft de psychiater geconcludeerd dat klager niettemin rijongeschikt was. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat deze conclusie in het licht van de overige bevindingen over klager in redelijkheid niet getrokken kon worden. Daarbij neemt het Centraal Tuchtcollege in aanmerking dat de psychiater heeft erkend dat de constatering over trage informatieverwerking onzorgvuldig was. 

Maatregel
4.7    Net als het Regionaal Tuchtcollege oordeelt het Centraal Tuchtcollege de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden. Het Centraal Tuchtcollege deelt het standpunt van de psychiater dat hij is gebleven binnen de grenzen van een zorgvuldig uitgevoerde keuring niet. De rapportage voldoet immers niet aan de eisen, de bevindingen -indien juist- kunnen de conclusie niet dragen en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek is te summier geweest. Ook in beroep, zowel in het beroepschrift als bij de beantwoording van de vragen van het Centraal Tuchtcollege tijdens de zitting, heeft de psychiater bovendien onvoldoende blijk gegeven van reflectie over (de totstandkoming van) zijn rapportage en de gevolgen daarvan voor klager. Dat maakt dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een waarschuwing zoals door de psychiater is verzocht. 

Conclusie
4.8    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Centraal Tuchtcollege het beroep van de psychiater zal verwerpen. 

Publicatie
4.9    In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen herleidbare gegevens.

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep; bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan¬geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, A.R.O. Mooy en M.C. Stoové,
leden-juristen, en M.C. ten Doesschate en J.A.M. Rutgers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. van Esveld, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2026.
    
   Voorzitter w.g.                    Secretaris  w.g.