ECLI:NL:TGZCTG:2026:69 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3020
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:69 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-04-2026 |
| Datum publicatie: | 02-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/3020 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een gz-psycholoog. Klager is door de instelling waar hij verbleef ten behoeve van psychodiagnostiek en mogelijke behandeling/advisering verwezen naar de organisatie waar degz-psycholoog werkt. De gz-psycholoog werd regiebehandelaar. Klager is onderzocht en er is een onderzoeksverslag gemaakt (medeondertekend door de gz-psycholoog als supervisor). Klager verwijt de gz-psycholoog dat (1) er onwaarheden en beledigingen in het onderzoeksverslag staan, (2) niks is overgenomen van wat klager heeft gezegd, maar dat alleen is geluisterd naar medewerkers van de instelling, (3) geen rekening is gehouden met de situatie waarin klager zat (zoals ernstige jeuk, waarin klager niet serieus werd genomen) en (4) er diverse stoornissen in het onderzoeksverslag staan die er niet zijn. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3020 van:
A., verblijvende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
gemachtigde: C. te D.,
tegen
E., destijds werkzaam te F.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de GZ-psycholoog,
gemachtigde: mr. A.F. Maatje, werkzaam te Amsterdam.
1. Kern van de zaak
1.1 Klager is door de instelling waar hij verbleef aangemeld bij G. ten behoeve
van psychodiagnostiek en behandeling. De GZ-psycholoog was de regiebehandelaar. Klager
is het met de inhoud en conclusie van het onderzoeksverslag niet eens.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 19 september 2025 met nummer Z2024/7932 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:108).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift, het verweerschrift en aanvullende stukken van klager, ingediend op 9 januari 2026 en 6 februari 2026.
2.3 De zaak is op de zitting van 2 maart 2026 behandeld. Klager was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde (via beeldverbinding). Daarnaast was de GZ-psycholoog aanwezig, bijgestaan door mr. P.H.N. Keuning-Taapken. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van GZ-psycholoog zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2 Klager woonde sinds 2015 in een 24-uurs woonvoorziening met een eigen appartement van de H.-groep (hierna: H.).
3.3 Klager werd door H. bij G. aangemeld voor diagnostiek en mogelijke behandeling/ advisering. De GZ-psycholoog werd regiebehandelaar.
3.4 Het onderzoek vond plaats van 25 september 2019 tot en met 26 februari 2020. Bij het onderzoek werd gebruik gemaakt van de informatie die in het dossier aanwezig was, zoals informatie over de achtergrond van de vraagstelling, informatie uit eerder onderzoek, informatie van de huisarts, informatie van de casemanager en de conclusie van een in juli 2019 gedaan psychiatrisch onderzoek. Verder waren er diverse gesprekken met klager en werden bij klager diverse testen afgenomen. Voor een heteroanamnese werd in februari 2020 gesproken met twee begeleiders van klager bij H..
3.5 In het onderzoeksverslag (mede ondertekend door de GZ-psycholoog als supervisor) wordt – kort weergegeven – geconcludeerd dat het intelligentieprofiel van klager disharmonisch is. Met betrekking tot verbaal begrip en perceptueel redeneren functioneert klager op beneden gemiddeld niveau, terwijl klager met betrekking tot zijn werkgeheugen en verwerkingssnelheid op licht verstandelijk beperkt niveau functioneert. Verder komen er aanwijzingen naar voren van onderliggende ontwikkelingsproblematiek, waarbij voldoende aanwijzingen naar voren komen om te kunnen stellen dat er sprake is van een gecombineerd beeld met zowel kenmerken van een autismespectrumstoornis (ASS) als ADHD bij klager, een en ander met de kanttekening dat de omgeving van klager op dat moment niet ideaal/goed afgestemd is op klager en niet goed in beeld is hoe vaak en wanneer hij middelen gebruikt. Ook is de informatie uit de voorgeschiedenis van klager beperkt. Van belang is volgens het onderzoeksverslag te kijken hoe de kenmerken zich ontwikkelen wanneer de situatie beter op klager afgestemd is. Verder lijkt er sprake te zijn van hechtingsproblematiek, waarbij er voldoende aanwijzingen naar voren komen om te kunnen spreken van een persoonlijkheidsstoornis met zowel paranoïde als borderline trekken. Hierbij wordt in het onderzoeksverslag de kanttekening gemaakt dat de paranoïde trekken van klager mogelijk versterkt zijn door zijn middelengebruik. De combinatie van het disharmonische intelligentieprofiel en de gecombineerde ontwikkelingsproblematiek, maakt volgens het onderzoeksverslag dat klager zeer kwetsbaar is. Het inzicht in zijn eigen belevingswereld is zeer beperkt, waarbij klager al snel geneigd lijkt om onrustige gevoelens/innerlijke spanningen te verklaren aan de hand van eerdere gebeurtenissen waarover hij nog wrok koestert.
3.6 Als DSM 5 diagnose is in het onderzoeksverslag opgenomen:
299.00 Autismespectrumstoornis: mate van ernst niveau 1 (vereist ondersteuning)
op beide domeinen ‘Sociale communicatie’ en ‘Beperkt, repetitief
gedrag
314.01 Aandachtsdeficiëntie- / hyperactiviteitstoornis: gecombineerd beeld.
301.89 Andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Toelichting: paranoïde-
en borderline trekken ontstaan vanuit hechtingsproblematiek
305.60 Stoornis in het gebruik van een stimulantium: cocaïne, licht
V62.89 Zwakbegaafdheid
V60.6 Probleem verband houdend met wonen in een instelling.
3.7 In de in het onderzoeksverslag gegeven adviezen voor behandeling wordt beschreven dat het van belang is om in te steken op het aanpassen van de omgeving van klager aan wat hij nodig heeft, zodat hij met een passende begeleidingsstijl/intensiviteit op een zo goed mogelijke manier kan functioneren. Daarnaast wordt psycho-educatie geadviseerd en een medicatieconsult bij een psychiater in verband met gewijzigde diagnoses.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verweet de GZ-psycholoog bij het Regionaal Tuchtcollege dat:
a) er onwaarheden en beledigingen in het onderzoeksverslag staan (in het klaagschrift
zijn voorbeelden gegeven met een verwijzing naar de bladzijde in het verslag);
b) niks is overgenomen van wat klager heeft gezegd, maar dat alleen is geluisterd
naar medewerkers van H.;
c) geen rekening is gehouden met de situatie waarin klager zat (zoals ernstige
jeuk, waarin klager niet serieus werd genomen);
d) er diverse stoornissen in het onderzoeksverslag staan die er niet zijn.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft - naar het Centraal Tuchtcollege begrijpt - tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard en dat aan de GZ-psycholoog een maatregel wordt opgelegd.
4.3 De GZ-psycholoog vraagt het Centraal Tuchtcollege om klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, omdat klager onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij het niet eens is met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Inhoudelijke beoordeling
4.4 Het Centraal Tuchtcollege acht het beroep ontvankelijk omdat uit het beroepschrift
volgt dat klager zijn klacht integraal aan het Centraal Tuchtcollege wil voorleggen.
4.5 Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege en neemt datgeen wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen hier over. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de GZ-psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Ook de verklaringen van klager tijdens de zitting in beroep kunnen niet leiden tot een ander oordeel.
Conclusie
4.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Centraal Tuchtcollege het beroep
van klager zal verwerpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, A.R.O. Mooy en M.C.
Stoové,
leden-juristen, en F.D.F. Steenbakkers en M. Verkade, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
M. van Esveld, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.