ECLI:NL:TGZCTG:2026:68 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2977
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:68 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-04-2026 |
| Datum publicatie: | 02-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2977 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts. De echtgenote van klager, patiënte, had diverse klachten en problemen die de huisarts moeilijk kon duiden. Hij vermoedde een maligniteit. Dit werd na onderzoek door de internist uitgesloten, maar hij concludeerde tot een anemie van chronische origine. Na enkele maanden werd patiënte plotseling in het ziekenhuis opgenomen. Daar werd hartfalen en darmischemie vastgesteld, als gevolg waarvan zij is overleden. Klager verwijt de huisarts onvoldoende onderzoek te hebben gedaan, de diagnose hartfalen te hebben gemist, een kokervisie te hebben gehad op een maligniteit en geen regie te hebben gevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2977 van:
A., wonende in B.,
klager in beide instanties,
hierna: klager
gemachtigde: C.
tegen
D., huisarts, werkzaam te E.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. J.A. de Clerck, werkzaam te Utrecht.
1. Kern van de zaak
1.1 De echtgenote van klager, patiënte, had diverse klachten en problemen die
de huisarts moeilijk kon duiden. Hij vermoedde een maligniteit. De internist sloot
dit uit met een PET-scan en concludeerde tot een anemie van chronische origine. Na
enkele maanden werd patiënte met spoed in het ziekenhuis opgenomen. Daar werd hartfalen
en darmischemie vastgesteld, als gevolg waarvan zij is overleden.
1.2 Klager verwijt de huisarts onvoldoende onderzoek te hebben gedaan, de diagnose
hartfalen te hebben gemist, een kokervisie te hebben gehad op een maligniteit en geen
regie te hebben gevoerd en geen empathie te hebben getoond.
1.3 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht ongegrond verklaard.
Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Amsterdam met nummer A2024/7761 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:198).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift en het verweerschrift in beroep.
2.3 De zaak is op de zitting van 23 februari 2026 behandeld. Verschenen zijn de gemachtigde van klager, mevrouw C.. Klager is met bericht van verhindering niet verschenen. Ook is de huisarts verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. De Clerck. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van mevrouw C. zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Klager heeft in beroep bezwaar gemaakt tegen de, volgens hem, niet geheel
juiste wijze van formuleren van de feiten door het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal
Tuchtcollege overweegt dat het aan de tuchtrechter is voorbehouden om die feiten en
omstandigheden in de beslissing op te nemen die hij voor zijn beoordeling en beslissing
relevant acht, zonder daarbij uitputtend te zijn. Het gaat hierbij om objectief vast
te stellen feiten, zoals data en de aantekeningen in het medisch dossier. Het Centraal
Tuchtcollege heeft goed naar de feiten gekeken en ziet geen aanleiding om de door
het Regionaal Tuchtcollege in zijn beslissing opgenomen feiten ingrijpend aan te passen,
maar zal deze op enkele punten iets anders formuleren of aanvullen. Het Centraal Tuchtcollege
gaat in de beoordeling uit van de volgende feiten.
3.2 De zaak gaat over de zorg die de huisarts heeft verleend aan de echtgenote van klager (hierna: de patiënte) in de periode februari 2021 tot aan haar overlijden op 10 mei 2021.
3.3 Op 25 februari 2021 neemt klager contact op met de praktijk van de huisarts vanwege vermoeidheid en afvallen van patiënte. Op 2 maart 2021 wordt thuis bloed geprikt en blijkt sprake te zijn van een lichte ijzergebreksanemie. Tijdens het consult van 4 maart 2021 geeft patiënte aan dat haar ontlastingspatroon is veranderd sinds ze op advies van de reumatoloog methotrexaat gebruikt. Besloten wordt tot een coloscopie.
3.4 Op 11 maart 2021 bezoekt patiënte de huisarts, omdat zij last heeft van haar rechterkuit. Uit de vervolgens gemaakte echo blijkt dat sprake is van trombose van de kuitvenen en een aderontsteking. Doorverwijzing vindt plaats naar de spoedeisende hulp. Daarop start de internist met rivaroxaban (een bloedverdunner) en de dag erna de begint de dermatoloog met ambulante compressietherapie. Op 19 maart 2021 stelt de reumatoloog een aderontsteking van de arm vast.
3.5 Op 24 maart 2021 uit de praktijkondersteuner van de huisarts haar zorgen over de situatie van patiënte en een dag later legt de huisarts een visite af.
3.6 Op 30 maart 2021 laat de kliniek, waar patiënte de coloscopie zou ondergaan, haar weten dat het onderzoek niet door kan gaan omdat zij bloedverdunners gebruikt en zij daarom moet worden verwezen naar een regulier ziekenhuis.
3.7 Op 31 maart 2021 legt de huisarts opnieuw een visite af bij patiënte. In het medisch dossier staat hierover het volgende genoteerd:
‘S (…) Klachten nemen toe: meer pijn in de handen, onderarmen en voeten. Toenemend
vermoeid, stramme spieren, wel iets aangekomen in gewicht
O Iets grauwe vrouw. Cor: S1S2, geen souffles. Pulm: VAG bdz, geen bijgeluiden.
Handen iets rood en opgezet, vingers in flexiestand, ‘strak’ gespannen. Flebitis beeld
onderarmen, zwachtel re onderbeen vanwege DVT, onderbeen li ook iets oedemateus.
P Morgen overleg INT (…).’
3.8 Op 1 april 2021 neemt de huisarts contact op met de dienstdoende internist. Hierop volgt een spoeddoorverwijzing naar de internist.
3.9 Op 6 april 2021 belt patiënte naar de praktijk omdat zij keel- en slikklachten
heeft, het erg snel koud heeft en haar linker onderbeen dikker wordt. Dezelfde dag
legt de huisarts een visite af. Hierover heeft hij in dossier onder meer het volgende
genoteerd:
‘(…)
O oogt minder grauw dan vorige week. T37,8. S96%, reg pols 80/min. Cor: S1S2, geen
souffles. Handen en onderarmen nog iets opgezet, huid niet rood of warm, geen drukpijn.
Onderbeen li minimaal pitting oedeem, huid niet rood, niet warm, geen evidente drukpijn.
Kuit is soepel. Keel iets rood, rustige tonsillen. Aantal klieren palpabel in de hals.
Syst.RR: 120 Diast.RR: 70
(…)’
De dosering van de paracetamol wordt verhoogd. Bloedonderzoek wordt gepland voor de volgende dag. Een vangnetadvies wordt gegeven: ‘Bij koorts, zieker worden of ongerustheid direct contact!’
3.10 In het dossier staat over de uitslag van het bloedonderzoek het volgende:
‘P De bloedarmoede is iets verder gezakt, daarentegen is de ontstekingswaarde iets
gestegen. Ik stuur het direct door naar de internist zodat die op de hoogte is van
de waarden vanmiddag.’
3.11 Op 8 april 2021 verwijst de huisarts patiënte naar de buurtzorg om het linker been te laten inzwachtelen. Op diezelfde dag vindt ook het consult bij de internist plaats. Daarover heeft de huisarts op 12 en 13 april 2021 telefonisch contact met patiënte. De internist adviseert een PET-scan te laten maken.
3.12 De PET-scan laat geen aanwijzingen voor een maligniteit zien en ook geen ontstekingsactiviteit, al is de scan wel onder prednison gemaakt, zo laat de internist in zijn brief van 19 april 2021 aan de huisarts weten. Ook heeft hij geen andere afwijkingen vastgesteld, die de klachten van patiënte kunnen verklaren. Hij concludeert tot: ‘anemie van chronische origine’. Er vindt bij de internist geen vervolg plaats en patiënte wordt terugverwezen naar de reumatoloog.
3.13 Op 23 april 2021 heeft patiënte een afspraak met de reumatoloog. Besloten wordt te stoppen met het gebruik van methotrexaat en alendroninezuur. Diezelfde dag is er telefonisch contact tussen de huisarts en de reumatoloog. De huisarts noteert in het dossier ‘dat hij niet overtuigd [is] van het feit dat de dalende anemie veroorzaakt wordt door de MTX. Afgesproken elkaar op de hoogte te houden.’
3.14 Op 28 april 2021 geeft patiënte tijdens een visite van de huisarts aan dat het elke dag iets beter gaat sinds zij gestopt is met de alendroninezuur. Wel is ze nog behoorlijk vermoeid. Afgesproken wordt opnieuw bloed te laten prikken.
3.15 De uitslag van het bloedonderzoek wordt besproken tijdens de visite van 30 april 2021. Over het bloedonderzoek staat in het dossier: ‘De ontstekingswaarden blijven hoog, de bloedarmoede is minimaal verder gezakt net als het ijzer’. De huisarts geeft aan een teleconsult te willen aanvragen bij de internist om te overleggen over een mogelijke coloscopie. Hij vraagt zich namelijk af of een PET-scan een maligniteit in de darmen wel voldoende uitsluit. Het teleconsult heeft uiteindelijk niet plaatsgehad.
3.16 Op 3 mei 2021 is er telefonisch contact tussen patiënte en een waarnemer van de huisarts. Patiënte geeft aan dat zij sinds het staken van de alendroninezuur: ‘geen opgezette handen [heeft], geen pijnen, [zij] voelt zich nu een stuk beter maar de vermoeidheid is erger dan ooit. Kan er amper door eten’. Gestart wordt met ijzersuppletie.
3.17 Op 4 mei 2021 legt de huisarts opnieuw een visite af bij patiënte. Zij geeft aan dat het zo niet langer gaat. De huisarts onderzoekt hart en longen: ‘O Syst. RR:110 Diast. RR:70 T37,2. S97%, irr pols 76/min. Cor: iets irr hartactie, geen souffles. Pulm: VAG bdz, geen bijgeluiden. E Anemie’. Vanwege de ernstige vermoeidheid overlegt de huisarts tijdens de visite telefonisch met de internist. Die ziet geen indicatie voor een ijzerinfuus of een transfusie. Zijn advies is: ‘reticulocyten bepalen, dagelijks ferro en controle reticulocyten en ijzer / hb over 1-2wkn’. Het bloedonderzoek wordt voor de volgende dag aangevraagd en met de patiënt wordt afgesproken op 6 mei 2021 telefonisch contact te hebben. ‘Eerder bij toename of verandering van klachten’, zo staat in het dossier.
3.18 Op 6 mei 2021 volgt de uitslag van het bloedonderzoek, dat op die dag is verricht. In het dossier noteert de huisarts het volgende:
‘P Het Hb is 0.1 verder gedaald, de chronische ontstekingswaarde (BSE) blijft gelijk ten opzichte van de vorige keer. De reticulocyten (jonge rode bloedcellen) zijn iets gestegen ten opzichte van de meting bij de internist en zitten keurig binnen de grenzen van de normaalwaarden. Het lijkt er dus op dat de aanmaak van rode bloedcellen in orde is en er géén probleem is in het beenmerg. (…)’
3.19 Op 7 mei 2021 geeft de gemachtigde van klager (dochter) telefonisch aan dat het echt niet meer gaat en vraagt of de prednison kan worden opgehoogd. De huisarts overlegt vervolgens met de dienstdoende reumatoloog. In het dossier noteert de huisarts over dit gesprek: ‘P Anamnestisch niet evident een verhaal van opvlammende artritis. Geen andere evident substraat voor een ontsteking en daarmee de verhoogde ontstekingswaarden.’ Besloten wordt de prednison op te hogen.
3.20 Op 8 mei 2021 wordt patiënte acuut opgenomen op de afdeling cardiologie in verband met atriumfibrilleren, hartfalen en buikklachten. Voor het atriumfibrilleren en het hartfalen wordt behandeling ingezet. Daags erna wordt vanwege een verdenking van darmischemie onder meer een darmresectie uitgevoerd.
3.21 Na de operatie wordt patiënte op de intensive care opgenomen vanwege SIRS en multi-orgaanfalen. Daar overlijdt zij op 10 mei 2021.
4. het beroep
Waar gaat het in beroep over?
4.1 Klager verwijt de huisarts dat hij:
a) geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht en ten onrechte de diagnose hartfalen
niet heeft gesteld;
b) een kokervisie heeft gehad op het ijzergebrek en een maligniteit in de darmen:
hij heeft niet verder gekeken en geen open blik gehad;
c) geen regie heeft gevoerd, geen verantwoordelijkheid heeft genomen en geen
empathie heeft getoond;
d) op 1 mei 2021 een teleconsult heeft aangevraagd bij de internist, terwijl
er sprake was van een (medische) noodsituatie en een dergelijke aanvraag niet voor
noodsituaties is bedoeld.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard.
4.3 De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep te verwerpen.
Toetsingskader
4.4 Het Centraal Tuchtcollege merkt allereerst op dat het zich realiseert dat
het overlijden van patiënte een zeer verdrietige en ingrijpende gebeurtenis is voor
klager en de gemachtigde, die een grote invloed heeft gehad en nog altijd heeft op
hun leven. Het college heeft daar oog voor, maar zal op een zakelijke manier moeten
beoordelen of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm hiervoor is een redelijk bekwame en redelijk handelend huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor hem geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Het gaat er niet om of de huisarts, achteraf beschouwd, misschien beter
of anders had kunnen handelen, maar of hij redelijkerwijs heeft kunnen handelen zoals
hij heeft gedaan.
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdeel a) en b) geen zorgvuldig onderzoek; diagnose hartfalen niet gesteld;
kokervisie
4.5 Het Regionaal Tuchtcollege heeft op goede gronden geoordeeld dat deze klachtonderdelen
ongegrond zijn. Het Centraal Tuchtcollege neemt dit oordeel en de daaraan ten grondslag
liggende motivering over. Het Centraal Tuchtcollege voegt hier nog het volgende aan
toe.
4.6 Kern van de klacht van klager is niet zozeer dat de huisarts een diagnose heeft gemist, maar dat hij zich in de zoektocht naar de oorzaak van de klachten niet voldoende heeft ingespannen. De huisarts bleef volgens klager vasthouden aan een maligniteit of bloedarmoede terwijl er genoeg symptomen waren om van een andere oorzaak uit te gaan. Als de huisarts vaker had geluisterd naar het hart van patiënte, advies had gevraagd aan een collega en besluitvaardiger was geweest had hij de diagnose hartfalen moeten kunnen stellen, aldus klager.
4.7 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de huisarts gezien de vele consulten en overleggen met behandelend specialisten intensief zorg heeft besteed aan de situatie van patiënte. Gezien het medisch dossier heeft de huisarts daarbij ook duidelijk aandacht gehad voor de toestand van het hart van patiënte. Hij heeft op zitting toegelicht dat alleen bij het huisbezoek op 4 mei 2021 sprake was van een irreguliere pols, maar dat hij dit heeft geduid als een extrasystole en niet als een aanwijzing voor boezemfibrilleren dan wel hartfalen. Het Centraal Tuchtcollege vindt deze overweging mede in het licht van de overige gegevens in het medisch dossier van patiënte navolgbaar. Zo had de internist die patiënte op 8 april 2021 heeft onderzocht geen bijzonderheden ten aanzien van het hart geconstateerd. Verder blijkt dat patiënte zich soms ook beter voelde gedurende de periode waarop het handelen ziet. Daarbij is het Centraal Tuchtcollege met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat sprake was van een moeilijk te duiden ziektebeeld waarbij het hartfalen zich op atypische wijze heeft gepresenteerd en uiteindelijk mede heeft bijgedragen aan het overlijden van patiënte. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de huisarts, met de kennis die hij had op het moment van handelen, niet had hoeven voorzien dat bij patiënte sprake was van hartfalen.
4.8 Klachtonderdelen a) en b) zijn daarom terecht ongegrond verklaard door het Regionaal Tuchtcollege.
Klachtonderdeel c) en d) geen regie, verantwoordelijkheid en empathie en aanvraag
teleconsult
4.9 Met deze klachtonderdelen verwijt klager de huisarts dat hij geen regie heeft
gevoerd, geen verantwoordelijkheid heeft genomen en geen empathie heeft getoond. De
aanvraag van een teleconsult paste volgens klager niet bij de medische noodsituatie
waarin patiënte verkeerde en laat zien dat de huisarts de ernst van haar situatie
niet goed heeft ingeschat.
4.10 Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn uitspraak toegelicht op basis waarvan het tot het oordeel komt dat de huisarts de regie en de eindverantwoordelijkheid heeft behouden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft ook toegelicht dat niet is gebleken waarom een teleconsult niet passend zou zijn in de situatie van patiënte. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de ongegrondverklaring van de twee klachtonderdelen en neemt dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen over. Wat klager in beroep hierover naar voren heeft gebracht geeft het college geen aanleiding tot andere beschouwingen of beslissing.
Conclusie
4.11 Het voorgaande betekent dat het beroep van klager zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door R.C.A.M. Philippart, voorzitter, J.M.T. van der Hoeven-Oud
en
T. Dompeling, leden-juristen, en D. Coppoolse en O.T.M. Schouten, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.