ECLI:NL:TGZRAMS:2025:198 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7761
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:198 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-08-2025 |
| Datum publicatie: | 12-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7761 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. De echtgenote van klager, patiënte, had diverse klachten en problemen die de huisarts moeilijk kon duiden. Hij vermoedde een maligniteit. De internist sloot dit uit met een PET-scan en concludeerde tot een anemie van chronische origine. Na enkele maanden werd patiënte plotseling in het ziekenhuis opgenomen. Daar werd hartfalen en darmischemie vastgesteld, als gevolg waarvan zij is overleden. Klager verwijt de huisarts onvoldoende onderzoek te hebben gedaan, de diagnose hartfalen te hebben gemist, een kokervisie te hebben gehad op een maligniteit en geen regie te hebben gevoerd. Het college komt tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. |
A2024/7761
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 12 augustus 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B, klager, gemachtigde: C,
tegen
D,
huisarts,
werkzaam in E,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. J.A. de Clerck, werkzaam te Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De echtgenote van klager, patiënte, had diverse klachten en problemen die
de huisarts
moeilijk kon duiden. Hij vermoedde een maligniteit. De internist sloot dit uit met
een PET-scan en
concludeerde tot een anemie van chronische origine. Na enkele maanden werd patiënte
plotseling in
het ziekenhuis opgenomen. Daar werd hartfalen en darmischemie vastgesteld, als gevolg
waarvan zij
is overleden.
1.2 Klager verwijt de huisarts onvoldoende onderzoek te hebben gedaan, de diagnose
hartfalen te
hebben gemist, een kokervisie te hebben gehad op een maligniteit en geen regie te
hebben gevoerd.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna
licht het college
de beslissing toe.
2. Welke procedure is gevolgd?
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 oktober 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 5 maart 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek,
waarop alleen verweerder en zijn gemachtigde aanwezig waren.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 1 juli 2025. Klager was afwezig
met bericht
van verhindering; zijn dochter, tevens zijn gemachtigde, was wel aanwezig. Verweerder
was aanwezig,
bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder en de beide gemachtigden hebben hun
standpunten
mondeling toegelicht. De gemachtigde van klager heeft een pleitnotitie voorgelezen
en aan het
college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De zaak gaat over de zorg die de huisarts heeft verleend aan de echtgenote
respectievelijk de
moeder van klager en zijn gemachtigde (hierna: de patiënte) in de periode februari
2021 tot aan
haar overlijden op 10 mei 2021.
3.2 Op 25 februari 2021 neemt klager contact op met de praktijk van de huisarts
vanwege
vermoeidheid en afvallen van zijn echtgenote, patiënte. Op 2 maart 2021 wordt thuis
bloed geprikt
en blijkt sprake te zijn van een lichte ijzergebreksanemie. Op het consult van 4
maart 2021 geeft
patiënte aan dat haar ontlastingspatroon is veranderd sinds ze op advies van de
reumatoloog
methotrexaat gebruikt. Besloten wordt tot een coloscopie.
3.3 Op 11 maart 2021 bezoekt patiënte de huisarts, omdat zij last heeft van haar
rechterkuit. Uit
de vervolgens gemaakte echo blijkt dat sprake is van trombose van de kuitvenen en
een
aderontsteking. Doorverwijzing vindt plaats naar de spoedeisende hulp. Daarop start
de internist
met rivaroxaban (een bloedverdunner) en de dag erna de begint de dermatoloog met
ambulante
compressietherapie. Op 19 maart 2021 stelt de reumatoloog een aderontsteking van
de arm vast.
3.4 Op 24 maart 2021 uit de praktijkondersteuner van de huisarts haar zorgen over
de situatie van
patiënte en een dag later legt de huisarts een visite af.
3.5 Op 30 maart 2021 laat de kliniek, waar patiënte de coloscopie zou ondergaan,
haar weten dat
het onderzoek niet door kan gaan omdat zij bloedverdunners gebruikt en zij daarom
moet worden
verwezen naar een regulier ziekenhuis.
3.6 Op 31 maart 2021 legt de huisarts opnieuw een visite af bij patiënte. In het
medisch dossier
staat hierover het volgende genoteerd:
‘S (…) Klachten nemen toe: meer pijn in de handen, onderarmen en voeten. Toenemend
vermoeid,
stramme spieren, wel iets aangekomen in gewicht
O Iets grauwe vrouw. Cor: S1S2, geen souffles. Pulm: VAG bdz, geen bijgeluiden.
Handen iets rood en
opgezet, vingers in flexiestand, ‘strak’ gespannen. Flebitis beeld onderarmen, zwachtel
re
onderbeen vanwege DVT, onderbeen li ook iets oedemateus.
P Morgen overleg INT (…).’
3.7 Op 1 april 2021 neemt de huisarts contact op met de dienstdoende internist.
Hierop volgt een
spoeddoorverwijzing naar de internist.
3.8 Op 6 april 2021 belt patiënte naar de praktijk omdat zij keel- en slikklachten
heeft, het erg
snel koud heeft en haar linker onderbeen dikker wordt. Dezelfde dag legt de huisarts
een visite af.
Hierover heeft hij in dossier onder meer het volgende genoteerd:
‘(…)
O oogt minder grauw dan vorige week. T37,8. S96%, reg pols 80/min. Cor: S1S2, geen
souffles. Handen
en onderarmen nog iets opgezet, huid niet rood of warm, geen drukpijn. Onderbeen
li minimaal
pitting oedeem, huid niet rood, niet warm, geen evidente drukpijn. Kuit is soepel.
Keel iets rood,
rustige tonsillen. Aantal klieren palpabel in de hals. Syst.RR: 120 Diast.RR: 70
(…)’
De dosering van de paracetamol wordt verhoogd. Bloedonderzoek wordt gepland voor de
volgende dag.
Een vangnetadvies wordt gegeven: ‘Bij koorts, zieker worden of ongerustheid direct contact!’
3.9 In het dossier staat over de uitslag van het bloedonderzoek het volgende:
‘P De bloedarmoede is iets verder gezakt, daarentegen is de ontstekingswaarde iets
gestegen. Ik
stuur het direct door naar de internist zodat die op de hoogte is van de waarden
vanmiddag.’
3.10 Op 8 april 2021 verwijst de huisarts patiënte naar de buurtzorg om het linker
been te laten
inzwachtelen. Op diezelfde dag vindt ook het consult bij de internist plaats. Daarover
heeft de
huisarts op 12 en 13 april 2021 telefonisch contact met patiënte. De internist adviseert
een
PET-scan te laten maken.
3.11 De PET-scan laat geen aanwijzingen voor een maligniteit zien en ook geen
ontstekingsactiviteit, al is de scan wel onder prednison gemaakt, zo laat de internist
in zijn
brief van 19 april 2021 aan de huisarts weten. Ook heeft hij geen andere afwijkingen
vastgesteld,
die de klachten van patiënte kunnen verklaren. Hij concludeert tot: ‘anemie van chronische
origine’. Er vindt bij de internist geen vervolg plaats en patiënte wordt terugverwezen naar
de
reumatoloog.
3.12 Op 23 april 2021 heeft patiënte een afspraak met de reumatoloog. Besloten wordt
te stoppen
met het gebruik van methotrexaat en alendroninezuur. Diezelfde dag belt de huisarts
naar de
reumatoloog. De reumatoloog laat hem weten dat hij: ‘niet overtuigd [is] van het feit dat de
dalende anemie veroorzaakt wordt door de MTX’, zo schrijft de huisarts in zijn dossier. Afgesproken
wordt elkaar op de hoogte te houden.
3.13 Op 28 april 2021 geeft patiënte tijdens een visite van de huisarts aan dat het
elke dag iets
beter gaat sinds zij gestopt is met de alendroninezuur. Wel is ze nog behoorlijk
vermoeid.
Afgesproken wordt opnieuw bloed te laten prikken.
3.14 De uitslag van het bloedonderzoek wordt besproken tijdens de visite van 30 april
2021. Over
het bloedonderzoek staat in het dossier: ‘De ontstekingswaarden blijven hoog, de bloedarmoede is
minimaal verder gezakt net als het ijzer’. De huisarts geeft aan een teleconsult te willen
aanvragen bij de internist om te overleggen over een mogelijke coloscopie. Hij vraagt
zich namelijk
af of een PET-scan een maligniteit in de darmen wel voldoende uitsluit. Het teleconsult
heeft
uiteindelijk niet plaatsgehad.
3.15 Op 3 mei 2021 is er telefonisch contact tussen patiënte en een waarnemer van
de huisarts.
Patiënte geeft aan dat zij sinds het staken van de alendroninezuur: ‘geen opgezette handen [heeft],
geen pijnen, [zij] voelt zich nu een stuk beter maar de vermoeidheid is erger dan
ooit. Kan er
amper door eten’. Gestart wordt met ijzersuppletie.
3.16 Op 4 mei 2021 legt de huisarts opnieuw een visite af bij patiënte. Zij geeft
aan dat het zo
niet langer gaat. De huisarts onderzoekt hart en longen: ‘O Syst. RR:110 Diast. RR:70 T37,2. S97%,
irr pols 76/min. Cor: iets irr hartactie, geen souffles. Pulm: VAG bdz, geen bijgeluiden.
E
Anemie’. Vanwege de ernstige vermoeidheid overlegt de huisarts tijdens de visite telefonisch
met de
internist. Die ziet geen indicatie voor een ijzerinfuus of een transfusie. Zijn
advies is:
‘reticulocyten bepalen, dagelijks ferro en controle reticulocyten en ijzer / hb over
1-2wkn’. Het
bloedonderzoek wordt voor de volgende dag aangevraagd en met de patiënt wordt afgesproken
op 6 mei
2021 telefonisch contact te hebben. ‘Eerder bij toename of verandering van klachten’,
zo staat in
het dossier.
3.17 Op 6 mei 2021 volgt de uitslag van het bloedonderzoek, dat op die dag is verricht.
In het
dossier noteert de huisarts het volgende:
‘P Het Hb is 0.1 verder gedaald, de chronische ontstekingswaarde (BSE) blijft gelijk
ten opzichte
van de vorige keer. De reticulocyten (jonge rode bloedcellen) zijn iets gestegen
ten opzichte van
de meting bij de internist en zitten keurig binnen de grenzen van de normaalwaarden.
Het lijkt er
dus op dat de aanmaak van rode bloedcellen in orde is en er géén probleem is in
het beenmerg. (…)’
3.18 Op 7 mei 2021 vraagt de gemachtigde van patiënte (haar dochter) telefonisch
of de prednison
kan worden opgehoogd. De huisarts overlegt vervolgens met de dienstdoende reumatoloog.
In het
dossier noteert de huisarts over dit gesprek: ‘P Anamnestisch niet evident een verhaal van
opvlammende artritis. Geen andere evident substraat voor een ontsteking en daarmee
de verhoogde
ontstekingswaarden.’ Besloten wordt de prednison op te hogen.
3.19 Op 8 mei 2021 wordt patiënte acuut opgenomen op de afdeling cardiologie in verband
met
atriumfibrilleren, hartfalen en buikklachten. Voor het atriumfibrilleren en het
hartfalen wordt behandeling ingezet. Daags erna wordt vanwege een verdenking van darmischemie
een darmresectie uitgevoerd, terwijl ook enkele andere organen worden verwijderd.
3.20 Na de operatie wordt patiënte op de intensive care opgenomen vanwege SIRS en
multi-orgaanfalen. Daar overlijdt zij op 10 mei 2021.
4. Wat is de klacht en wat is de reactie van de huisarts?
4.1 De klacht bestond oorspronkelijk uit acht onderdelen. Vanwege hun overlap
heeft de huisarts
de klacht geherformuleerd in vier onderdelen. Klager heeft daartegen geen bezwaar
gemaakt.
4.2 Klager verwijt de huisarts dat hij:
a) geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht en ten onrechte de diagnose hartfalen
niet heeft
gesteld;
b) een kokervisie heeft gehad op het ijzergebrek en een maligniteit in de darmen:
hij heeft niet
verder gekeken en geen open blik gehad;
c) geen regie heeft gevoerd, geen verantwoordelijkheid heeft genomen en geen empathie
heeft
getoond;
d) op 1 mei 2021 een teleconsult heeft aangevraagd bij de internist, terwijl er
sprake was van een
(medische) noodsituatie en een dergelijke aanvraag niet voor noodsituaties is bedoeld.
4.3 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.4 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. Wat zijn de overwegingen van het college?
5.1 Het college vindt het heel verdrietig dat klager en zijn gemachtigde op deze
wijze hun
echtgenote en moeder hebben verloren. Duidelijk is dat zij daar nog dagelijks de
gevolgen van
ondervinden. Het gebeurde heeft ook de huisarts erg aangegrepen. Niettemin ontkomt
het college niet
aan een zakelijke beoordeling van het handelen van de huisarts.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij deze beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt. Verder is het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) en b) geen zorgvuldig onderzoek; diagnose hartfalen niet gesteld;
kokervisie
5.3 Het college neemt de eerste twee klachtonderdelen tezamen.
5.4 Volgens klager heeft de huisarts de klachten van patiënte niet serieus genomen,
geen
zorgvuldig onderzoek verricht, een kokervisie gehad op ijzergebrek en maligniteit
en daardoor niet
open gestaan voor de mogelijkheid van andere aandoeningen. Hij heeft de diagnose
hartfalen gemist
terwijl zij hiervan alle symptomen had.
5.5 Volgens de huisarts heeft hij de klachten van patiënte wel degelijk serieus
genomen en heeft
hij zich actief ingezet om de oorzaak hiervan te achterhalen. Van een kokervisie
is geen sprake
geweest. Hij is steeds breder blijven kijken, maar de klachten en de laboratoriumuitslagen
wezen in
de richting van bloedarmoede en een maligniteit. Voor hartfalen had hij geen duidelijke
aanwijzingen. Ook de internist heeft deze diagnose niet gesteld.
5.6 Het college overweegt dat het missen van een diagnose niet hoeft te betekenen
dat
tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld. Voorop staat immers de vraag of de huisarts
naar
aanleiding van de klachten heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk
handelende
huisarts mag worden verwacht. Gelet op de vele consulten, visites en overleggen
met de internist en
de reumatoloog kan niet worden volgehouden dat de huisarts zich niet of onvoldoende
heeft
ingespannen om de oorzaak van de klachten en symptomen van patiënte te achterhalen.
Hij heeft
daarbij ook gelet op de conditie van het hart, zoals onder meer blijkt uit de dossieraantekeningen
van de visites van 31 maart, 6 april en 4 mei 2021.
5.7 Van een kokervisie is naar het oordeel van het college geen sprake geweest.
Anders dan klager
stelt wezen de klachten, symptomen en onderzoeksbevindingen niet in de richting
van hartfalen. In
die zin presenteerde dit ziektebeeld zich op atypische wijze. De irregulaire hartactie
(extra
systole) die de huisarts op 4 mei 2021 tijdens zijn visite constateerde, maakt dit
niet anders. Het
kan de huisarts niet worden verweten dat hij zijn aandacht richtte op de bloedarmoede
en, daarmee
samenhangend, een mogelijke maligniteit. Hij werd daarin gesteund door de internist,
die met een
PET-scan een maligniteit heeft willen uitsluiten en uiteindelijk tot de diagnose
anemie van
chronische origine kwam.
5.8 Voor het college is duidelijk geworden dat de huisarts zich grote zorgen maakte
over de
toestand van patiënte. Hij zag dat het niet goed met haar ging, maar hij kon niet
de vinger krijgen
achter de oorzaak van de uiteenlopende klachten en symptomen. Het college kan daar
begrip voor
opbrengen. Er was weliswaar sprake van anemie, maar niet van een echte ijzergebreksanemie,
omdat de
rode bloedcellen normaal van grootte waren. Ook de embolie aan eerst het ene been
en later het
andere, en de aderontsteking in beide armen zijn niet goed te verklaren, gelet op
de
bloedverdunners die patiënte gebruikte. Bij hartfalen zou men verder verwachten
dat het oedeem zich
aan beide benen zou voordoen. Voorts wijst het college er op dat vermoeidheid allerlei
oorzaken kan hebben. De later gebleken darmischemie is ten slotte opmerkelijk omdat
patiënte geen buikklachten had en darmischemie in het algemeen geen gevolg is van
hartfalen. Al met al was er sprake van een complex en moeilijk te duiden ziektebeeld,
waarbij ook de internist geen uitsluitsel heeft kunnen bieden.
5.9 Alles bijeengenomen komt het college tot de conclusie dat de eerste twee klachtonderdelen
ongegrond zijn.
Klachtonderdeel c) geen regie, verantwoordelijkheid en empathie
5.10 Volgens klager heeft de huisarts geen regie gevoerd, geen verantwoordelijkheid
genomen en
geen empathie getoond zoals van een goede huisarts mag worden verwacht. De huisarts
herkent zich
niet in dit beeld.
5.11 Zoals reeds overwogen heeft de huisarts grote moeite gehad om de klachten en
symptomen van
patiënte te duiden. Naar het college heeft begrepen heeft de gemachtigde dochter
van klager
verschillende malen suggesties gedaan over de te volgen handelwijze, en heeft de
huisarts met die
suggesties ingestemd, maar dat betekent nog niet dat de huisarts daarmee de regie
uit handen heeft
gegeven. Het is niet ongebruikelijk dat een huisarts in samenspraak met een patiënt
en familie tot
besluiten over de behandelkoers komt, zolang hij de eindverantwoordelijkheid maar
niet uit handen
geeft, en dat is hier niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de huisarts blind
heeft gevaren op
het oordeel van de internist, getuige onder meer het feit dat hij ondanks de negatieve
PET-scan een
coloscopie overwoog.
5.12 Of de huisarts zich onvoldoende empathisch heeft opgesteld, is naar het oordeel
van het
college deels een subjectieve kwestie. Voor het overige blijkt gebrek aan empathie
in ieder geval
niet uit de vele consulten die hebben plaatsgevonden. De huisarts heeft daarbij,
zo blijkt uit het
dossier, de tijd genomen voor anamnese en onderzoek en waar nodig een luisterend
oor geboden. Ook
is, waar dit aangewezen was, overleg gevoerd met en doorverwezen naar de medisch
specialist. Anders
dan dat de huisarts onvoldoende empathie zou hebben getoond, lijkt het er eerder
op dat hij zich de
problematiek van patiënte erg heeft aangetrokken en geworsteld heeft met de duiding
van haar
ziektebeeld.
5.13 Klager heeft nog aangevoerd dat de huisarts ten onrechte geen intercollegiaal
overleg heeft
gevoerd met zijn medepraktijkhouder. Hij stelt dat hij een aantal keer heeft gevraagd
om een
dergelijk overleg. De huisarts ontkent echter dat klager dit heeft gevraagd en in
het medisch
dossier is over deze verzoeken van klager niets te vinden. Ter zitting heeft de
huisarts verklaard
dat hij dit anders zeker zou hebben gedaan. Het college heeft geen reden om hieraan
te twijfelen en
ziet dan ook geen reden voor een tuchtrechtelijk verwijt.
5.14 Dat de huisarts zijn belofte om de patiënte terug te bellen, een paar keer niet
is nagekomen,
zoals op 16 april 2021 over de PET-scan en de Covid-vaccinatie, is slordig, hetgeen
de huisarts ook inziet, maar niet zodanig dat hiervoor een tuchtrechtelijk verwijt
op zijn
plaats is.
5.15 Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel d) aanvraag teleconsult
5.16 Klager verwijt de huisarts op 1 mei 2021 een teleconsult bij de internist
te hebben
aangevraagd, terwijl er sprake was van een (medische) noodsituatie en een dergelijke
aanvraag niet
voor noodsituaties is bedoeld. De huisarts stelt dat de aanvraag is gedaan in overleg
met patiënte,
klager en de gemachtigde. Er was verder op die dag sprake van een stabiele medische
situatie en
daarmee dus niet van een (medische) noodsituatie. Voorts hebben in de dagen erna
meerdere contacten
en visites plaatsgevonden.
5.17 Het college volgt de huisarts in zijn betoog dat op 1 mei 2021 geen sprake was
van een
(medische) noodsituatie waardoor het aanvragen van een teleconsult op dat moment
niet passend zou
zijn geweest. Op 23 april 2021 was patiënte in overleg met de reumatoloog, met het
oog op de
ijzergebreksanemie, gestopt met methotrexaat en alendroninezuur. Bij zijn visites
op 28 april 2021
en 30 april 2021 leek haar medische situatie zich te hebben gestabiliseerd. Dat
de zaken enkele
dagen later een dramatische wending hebben genomen, maakt dit niet anders. Voor
hartfalen waren op
1 mei 2021 immers geen concrete aanwijzingen.
5.18 Het teleconsult was met name bedoeld voor een overleg over een eventuele coloscopie
ter
verdere uitsluiting, naast de PET-scan, van een maligniteit in de darm. Ook op 4
mei 2021 waren er
geen concrete aanwijzingen voor het zich later openbarende hartfalen, al hoorde
de huisarts bij
onderzoek af en toe een extrasystole. Op 7 mei 2021 is er telefonisch overleg geweest
tussen
patiënte, de gemachtigde, de huisarts en de reumatoog, waarbij is besloten de prednison
op te
hogen.
5.19 Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van het college niet worden gezegd
dat, op basis
van de informatie waarover de huisarts toen beschikte en kon beschikken, de aanvraag
voor een
teleconsult met de internist niet op zijn plaats was of dat hij in dat kader anderszins
onzorgvuldig heeft gehandeld.
5.20 Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Slotsom
Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.
6. Wat is de beslissing?
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, J.C.J. Dute,
lid-jurist,
G.J. Dogterom, A. Medema en A. Wewerinke, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
T.C.
Brand, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2025.