ECLI:NL:TGZCTG:2026:67 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2976

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:67
Datum uitspraak: 01-04-2026
Datum publicatie: 02-04-2026
Zaaknummer(s): C2025/2976
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de arts dat zij niet de diagnose ‘lepra’ heeft gesteld en zich bovendien neerbuigend en discriminerend heeft uitgelaten onder meer in de brief aan de huisarts van klager.Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klager heeft beroep ingesteld tegen die beslissing. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt ook dat de klacht ongegrond is, en verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2976 van:
A., wonende te B,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
gemachtigde: mr. D.B. Holthinrichs, werkzaam te Amsterdam,

tegen

D., arts, destijds werkzaam te B.,
verweerster in beide instanties, 
hierna: de arts,
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam te Utrecht.

1.    Kern van de zaak

1.1    Klager verwijt de arts dat zij niet de diagnose ‘lepra’ heeft gesteld en zich bovendien neerbuigend en discriminerend over klager heeft uitgelaten, onder meer in de brief aan de huisarts van klager.

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege komt tot hetzelfde oordeel en zal dat hieronder toelichten.

2.    Verloop van de procedure

2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/7538 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:194). 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedure in eerste aanleg, het beroepschrift van klager en het verweerschrift in beroep van de arts.

2.3    De zaak is op de zitting van 23 februari 2026 behandeld. Daar waren aanwezig klager, bijgestaan door mr. D.B. Holthinrichs, en de arts, bijgestaan door mr. H.B.M. Vrieling. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van mr. Holthinrichs zijn aan het dossier toegevoegd.
    
3.    Feiten en omstandigheden

3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.2     De arts was van oktober 2022 tot oktober 2024 als arts niet in opleiding tot specialist werkzaam bij de ‘Kliniek E.’ te B. (hierna ook: ‘de kliniek’). De arts stond gedurende die periode onder supervisie van twee dermatologen.

3.3     Klager, afkomstig uit F., heeft zich op 17 juni 2021 tot zijn huisarts gewend in verband met pijn in zijn ellebogen en een wondje op zijn rechterhand dat steeds terugkwam. Klager had in het verleden in India lepra gehad en wilde graag uitsluiten (of bevestigd hebben) dat hij opnieuw aan deze ziekte leed. De huisarts heeft klager hierop verwezen naar de kliniek. Op de verwijzing staat het volgende: ‘Graag uw expertise bij terugkomende zweer/wond op rechterhand. Dhr heeft in het verleden lepra doorgemaakt en denkt dat het daarmee te maken heeft? Graag jullie expertise en behandeling’.

3.4    Klager bezocht op 2 juli 2021 de kliniek en werd gezien door een dermatoloog. Deze heeft de hand van klager bekeken en klager daarover vragen gesteld. De dermatoloog stelde de diagnose ‘lichen simplex’. De dermatoloog schreef een zalf voor, die klager tweemaal daags moest aanbrengen. Bij geen verbetering zou de dermatoloog een biopt nemen. Op 23 juli 2021 volgde een controleafspraak. De behandeling met de zalf had geholpen; de schilfering en roodheid waren verminderd. Er werd geen biopt verricht.

3.5     Bij mail van 2 november 2022 heeft klager de kliniek opnieuw benaderd. Hij wilde een afspraak ‘voor hetzelfde probleem’. Klager kreeg een afspraak voor 4 november 2022.

3.6    Op 4 november 2022 werd klager gezien door de arts. Klager heeft haar zijn klachten omschreven, de arts heeft klagers hand bekeken en geluisterd naar het verhaal van de doorgemaakte lepra in het verleden. De arts heeft vervolgens telefonisch overleg gehad met haar supervisor. Deze supervisor adviseerde de arts klager te (laten) verwijzen naar een neuroloog om een (andere) neurologische aandoening uit te sluiten. Vooralsnog werd de diagnose ‘lichen simplex’ gehandhaafd, met name omdat het beeld ten opzichte van het eerdere onderzoek niet was veranderd. 
Een en ander heeft de arts met klager besproken. Klager was het met de verwijzing naar de neuroloog niet eens en maakte dat aan de arts kenbaar. De arts heeft het door de supervisor geadviseerde beleid opgevolgd. Omdat er al via de huisarts een afspraak met de neuroloog stond, is die afspraak niet meer aangevraagd. De arts heeft van het consult de volgende aantekening gemaakt:
‘Anamnese: patient merkt dat hij weer opvlammingen krijgt passend bij zijn lepra. Ruim 20 jaar geleden besmet, altijd in F. bij een dermatoloog behandeld geweest. Nu klachten van schietende pijn vanuit de elleboog naar de hand en een pink die na buigen hij niet meer kan strekken. Er zijn geen huidklachten, deze zijn sinds vorig jaar goed onder controle met de eerder meegegeven zalf.
Lichamelijk onderzoek: dermatologisch grove en verdikte huid tpv knokkel dig V rechter hand, rustig.
Conclusie: lichen simplex tpv de hand.
Beleid iom JT: Uitleg gegeven dat hij voor pijnklachten een verwijzing nodig heeft naar een neuroloog. Deze moet de klachten analyseren. Hij geeft aan in F. daar altijd door een dermatoloog behandeld te zijn en die gaf hem alle medicatie. Nogmaals herhaald dat ik het vervelend vind maar ik hem nu niet verder kan helpen en deze symptomen eerst beoordeeld moeten worden door een neuroloog. Patient is niet tevreden maar geeft aan het te begrijpen.’

3.7    Bij e-mail van 6 november 2022 heeft klager de kliniek laten weten erg teleurgesteld te zijn over het consult van 4 november 2022.
 
3.8    Bij brief van 18 november 2022 heeft de arts haar bevindingen en het beleid aan de huisarts laten weten. De inhoud van de brief is de volgende:
‘Anamnese: patient merkt dat hij weer opvlammingen krijgt passend bij zijn lepra. Ruim 20 jaar geleden besmet, altijd in F. bij een dermatoloog behandeld geweest. Nu klachten van schietende pijn vanuit de elleboog naar de hand en een pink die na buigen hij niet meer kan strekken. Er zijn geen huidklachten, deze zijn sinds vorig jaar goed onder controle met de eerder meegegeven zalf.
Lichamelijk onderzoek: dermatologisch grove en verdikte huid tpv knokkel dig V rechter hand, rustig.
Conclusie: lichen simplex tpv de hand, niet veranderd.
Beleid: Uitleg gegeven dat hij voor de pijnklachten een verwijzing nodig heeft naar een neuroloog. Deze moet de klachten analyseren. Hij geeft aan in F. daar altijd door een dermatoloog behandeld te zijn en die gaf hem alle medicatie. Nogmaals herhaald dat ik het vervelend vind maar ik hem nu niet verder kan helpen en deze symptomen eerst beoordeeld moeten worden door een neuroloog. Patient is niet tevreden maar geeft aan het te begrijpen.’

De arts heeft het verslag tevens telefonisch aan de huisarts toegelicht, in de hoop dat de huisarts klager andermaal kon uitleggen waarom een verwijzing naar een neuroloog op dit moment aangewezen was. Het contact met de huisarts is aangetekend in het huisartsenjournaal. 
Zowel over de brief als het telefonisch overleg met de huisarts heeft de arts van tevoren overleg gevoerd met haar supervisor.

3.9    Klager heeft zich nadien tot een dermatoloog in F. gewend. Deze heeft de diagnose ‘lepra’ gesteld. In het G. is in januari 2023 de diagnose ‘relapse lepra’ bevestigd.
    
4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over?
4.1    Klager verwijt de arts dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat zij a) op het moment
van onderzoek niet de diagnose ‘lepra’ heeft gesteld, b) klager ‘vervelend’ heeft genoemd in de brief aan de huisarts, en c) klager heeft gediscrimineerd op basis van zijn nationaliteit. 

4.2    Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat klachtonderdeel a alsnog gegrond wordt verklaard en dat aan de arts een passende maatregel wordt opgelegd. De beslissingen van het Regionaal Tuchtcollege ten aanzien van de klachtonderdelen b en c worden door klager niet bestreden; die klachtonderdelen zijn daarom in beroep niet meer aan de orde.

4.3    De arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep van klager te verwerpen. 

Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.4     Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake is van uitbreiding van de klacht, kan klager daarin dus niet worden ontvangen.

Inhoudelijke beoordeling van klachtonderdeel a
4.5    Met het Regionaal Tuchtcollege stelt het Centraal Tuchtcollege voorop dat het niet stellen van de juiste diagnose op zichzelf nog niet verwijtbaar hoeft te zijn. Wel relevant is of de arts voldoende naar klager heeft geluisterd, klager voldoende heeft onderzocht en hoe zij naar aanleiding daarvan heeft gehandeld.

4.6    Vastgesteld kan worden dat de arts een anamnese heeft opgenomen en dat zij de hand van klager heeft onderzocht. Dit volgt uit de verslaglegging. Er zijn geen aanwijzingen dat de arts daarin onvolledig of onzorgvuldig is geweest. Haar onderzoek is aldus voor dat moment, mede gezien haar beperkte kennis van de dermatologie, voldoende geweest.    

4.7    Omdat de arts zich bewust was van haar beperkte kennis van de dermatologie, heeft zij de (pijn)klachten van klager en haar bevindingen telefonisch met haar supervisor besproken. Het Centraal Tuchtcollege acht dit zorgvuldig en gaat ervan uit dat de arts in dit contact alle relevante informatie met haar supervisor heeft gedeeld, dus ook de voorgeschiedenis van klager. Op basis van dit contact adviseerde de supervisor om de diagnose ‘lichen simplex’ te handhaven en om klager te (laten) verwijzen naar een neuroloog om een (andere) neurologische aandoening uit te sluiten. Er werd niet geadviseerd om nader onderzoek te (laten) verrichten. Hoewel er naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege gelet op de inhoud van het dossier vraagtekens zijn te plaatsen bij dit advies, acht het Centraal Tuchtcollege het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de arts dit advies heeft opgevolgd. Daarbij betrekt het Centraal Tuchtcollege de onervarenheid van de arts en de omstandigheid dat klager op dat moment geen actieve huidklachten had. Dit betekent dat klachtonderdeel a ongegrond is en dat het beroep van klager wordt verworpen.  

4.8    Ten overvloede overweegt het Centraal Tuchtcollege dat het, met het Regionaal Tuchtcollege, vragen heeft over de manier waarop de supervisie van de arts was georganiseerd. Het niet aanwezig zijn van de supervisor op de werkvloer is niet zonder meer navolgbaar. Een supervisor kan op dergelijke wijze niet afdoende patiënt(en) beoordelen, wat nodig kan zijn bij een op het gebied van de dermatologie onervaren arts. Dit is evenwel geen onderdeel van de klacht en het maakt bovenstaande beoordeling ook niet anders. 

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover hij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is genomen door R.C.A.M. Philippart, voorzitter, J.M.T. van der Hoeven-Oud en
T. Dompeling, leden-juristen, en E.R.M. de Haas en B. Velstra, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2026.

    Voorzitter   w.g.                    Secretaris  w.g.