ECLI:NL:TGZRAMS:2025:194 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7538

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:194
Datum uitspraak: 05-08-2025
Datum publicatie: 05-08-2025
Zaaknummer(s): A2024/7538
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klager verwijt de arts dat zij niet tijdig de diagnose ‘lepra’ heeft gesteld. Het college is van oordeel dat het onderzoek van de arts, mede gezien haar beperkte kennis van de dermatologie, voldoende is geweest. De arts heeft haar bevindingen telefonisch met haar supervisor besproken en heeft het door haar supervisor geadviseerde beleid – terugverwijzen naar de huisarts voor een verwijzing naar een neuroloog – opgevolgd. Daarmee heeft de arts, in haar rol als arts niet in opleiding tot specialist, zorgvuldig gehandeld. De klacht is kennelijk ongegrond.

A2024/7538
Beslissing van 5 augustus 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 5 augustus 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,

tegen

C,
arts,
destijds werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam te Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager verwijt de arts dat zij niet tijdig de diagnose ‘lepra’ heeft gesteld en zich bovendien neerbuigend en discriminerend heeft uitgelaten onder meer in de brief aan de huisarts van klager. De arts betwist dit; zij heeft naar eer en geweten gehandeld, zo meent zij.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht van klager kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 augustus 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de repliek met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 27 februari 2025;
- de dupliek.


2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. De zaak kent een samenhang met de zaak tegen een dermatoloog, bij het college bekend onder zaaknummer A2024/7537. Deze zaak heeft het college op de zitting van 24 juni 2025 behandeld.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 De arts was van oktober 2022 tot oktober 2024 als arts niet in opleiding tot specialist werkzaam bij D te B (hierna ook: ‘de kliniek’). De arts stond gedurende die periode onder supervisie van twee dermatologen.

3.2 Klager, afkomstig uit E, heeft zich op 17 juni 2021 tot zijn huisarts gewend in verband met pijn in zijn ellebogen en een wondje op zijn rechterhand dat steeds terugkwam. Klager had in het verleden in E lepra gehad en wilde graag uitsluiten (of bevestigd hebben) dat hij opnieuw aan deze ziekte leed. De huisarts heeft klager hierop verwezen naar de kliniek. Op de verwijzing staat het volgende: ‘Graag uw expertise bij terugkomende zweer/wond op rechterhand. Dhr heeft in het verleden lepra doorgemaakt en denkt dat het daarmee te maken heeft? Graag jullie expertise en behandeling’.

3.3 Klager bezocht op 2 juli 2021 de kliniek en werd gezien door een dermatoloog. Deze heeft de hand van klager bekeken en klager daarover vragen gesteld. De dermatoloog stelde de diagnose ‘lichen simplex’ (een sterk jeukende plek op de huid). De dermatoloog schreef een zalf voor, die klager tweemaal daags moest aanbrengen. Bij geen verbetering zou de dermatoloog een biopt nemen. Op 23 juli 2021 volgde een controleafspraak. De behandeling met de zalf had geholpen; de schilfering en roodheid waren verminderd. Er werd geen biopt verricht.

3.4 Bij mail van 2 november 2022 heeft klager de kliniek opnieuw benaderd. Hij wilde een afspraak ‘voor hetzelfde probleem’. Klager kreeg een afspraak voor 4 november 2022.

3.5 Op 4 november 2022 werd klager gezien door de arts. Klager heeft haar zijn klachten omschreven, de arts heeft klagers hand bekeken en geluisterd naar het verhaal van de doorgemaakte lepra in het verleden. De arts heeft vervolgens overleg gehad met haar supervisor. Deze supervisor adviseerde de arts klager te (laten) verwijzen naar een neuroloog om een (andere) neurologische aandoening uit te sluiten. Vooralsnog werd de diagnose ‘lichen simplex’ gehandhaafd, met name omdat het beeld ten opzichte van het eerdere onderzoek niet was veranderd.
Een en ander heeft de arts met klager besproken. Klager was het met de verwijzing naar de neuroloog niet eens en maakte dat aan de arts kenbaar. De arts heeft het door de supervisor geadviseerde beleid opgevolgd. Omdat er al via de huisarts een afspraak met de neuroloog stond, is die afspraak niet meer aangevraagd. De arts heeft van het consult de volgende aantekening gemaakt:


Anamnese: patient merkt dat hij weer opvlammingen krijgt passend bij zijn lepra. Ruim 20 jaar geleden besmet, altijd in E bij een dermatoloog behandeld geweest. Nu klachten van
schietende pijn vanuit de elleboog naar de hand en een pink die na buigen hij niet meer kan strekken. Er zijn geen huidklachten, deze zijn sinds vorig jaar goed onder controle met de eerder meegegeven zalf.
Lichamelijk onderzoek: dermatologisch grove en verdikte huid tpv knokkel dig V rechter hand, rustig.
Conclusie: lichen simplex tpv de hand.
Beleid iom F: Uitleg gegeven dat hij voor pijnklachten een verwijzing nodig heeft naar een neuroloog. Deze moet de klachten analyseren. Hij geeft aan in E daar altijd door een dermatoloog behandeld te zijn en die gaf hem alle medicatie. Nogmaals herhaald dat ik het vervelend vind maar ik hem nu niet verder kan helpen en deze symptomen eerst beoordeeld moeten worden door een neuroloog. Patient is niet tevreden maar geeft aan het te begrijpen
.’

3.6 Bij e-mail van 6 november 2022 heeft klager de kliniek laten weten erg teleurgesteld te zijn over het consult van 4 november 2022.

3.7 Bij brief van 18 november 2022 heeft de arts haar bevindingen en het beleid aan de huisarts laten weten. De inhoud van de brief is de volgende:
Anamnese: patient merkt dat hij weer opvlammingen krijgt passend bij zijn lepra. Ruim 20 jaar geleden besmet, altijd in E bij een dermatoloog behandeld geweest. Nu klachten van schietende pijn vanuit de elleboog naar de hand en een pink die na buigen hij niet meer kan strekken. Er zijn geen huidklachten, deze zijn sinds vorig jaar goed onder controle met de eerder meegegeven zalf.
Lichamelijk onderzoek: dermatologisch grove en verdikte huid tpv knokkel dig V rechter hand, rustig.
Conclusie: lichen simplex tpv de hand, niet veranderd.
Beleid: Uitleg gegeven dat hij voor de pijnklachten een verwijzing nodig heeft naar een neuroloog. Deze moet de klachten analyseren. Hij geeft aan in E daar altijd door een dermatoloog behandeld te zijn en die gaf hem alle medicatie. Nogmaals herhaald dat ik het vervelend vind maar ik hem nu niet verder kan helpen en deze symptomen eerst beoordeeld moeten worden door een neuroloog. Patient is niet tevreden maar geeft aan het te begrijpen
.’

De arts heeft het verslag tevens telefonisch aan de huisarts toegelicht, in de hoop dat de huisarts klager andermaal kon uitleggen waarom een verwijzing naar een neuroloog op dit moment aangewezen was. Het contact met de huisarts is aangetekend in het huisartsenjournaal. Zowel over de brief als het telefonisch overleg met de huisarts heeft de arts van tevoren overleg gevoerd met haar supervisor.

3.8 Klager heeft zich nadien tot een dermatoloog in E gewend. Deze heeft de diagnose ‘lepra’ gesteld. In het G is in januari 2023 de diagnose ‘relapse lepra’ bevestigd.

4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Volgens klager heeft de arts onzorgvuldig gehandeld, omdat zij:

a) op het moment van onderzoek niet de diagnose ‘lepra’ heeft gesteld;
b) klager ‘vervelend’ heeft genoemd in de brief aan de huisarts;
c) klager heeft gediscrimineerd op basis van zijn nationaliteit. Klager heeft schade geleden die hij begroot op € 500.000,-.

4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5 De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

5.2 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college legt dat hierna uit.

Klachtonderdeel a) niet stellen van de juiste diagnose
5.3 Wat het eerste klachtonderdeel in relatie tot de beroepsnormen betreft, stelt het college voorop dat het niet stellen van de juiste diagnose op zichzelf nog niet verwijtbaar hoeft te zijn. Wel relevant is of de arts voldoende naar de patiënt heeft geluisterd, de patiënt voldoende heeft onderzocht en of de bevindingen van de arts aansluiten bij de uit anamnese en onderzoek verkregen informatie.

5.4 Wordt het handelen van de arts bezien, dan stelt het college vast dat de arts een anamnese heeft opgenomen en dat zij de hand van klager heeft onderzocht. Het college heeft geen aanwijzingen dat de arts daarin onvolledig of onzorgvuldig is geweest. Haar onderzoek is aldus voor dat moment, mede gezien haar beperkte kennis van de dermatologie, voldoende geweest.


5.5 Dat de arts zich bewust was van haar beperkte kennis volgt uit de omstandigheid dat zij zich genoodzaakt voelde de (pijn)klachten van klager en eigen bevindingen telefonisch met haar supervisor te bespreken. Ook deze handelwijze getuigt naar het oordeel van het college van zorgvuldig handelen van de arts; het college heeft geen aanwijzingen dat de bevindingen niet volledig met de supervisor zijn doorgesproken. Het college vindt het daarnaast begrijpelijk dat de arts het door haar supervisor geadviseerde beleid – terugverwijzen naar de huisarts voor een verwijzing naar een neuroloog – heeft opgevolgd, waarbij doorslaggevend was dat klager geen actieve huidklachten had, maar vooral pijnklachten. Het college acht het daarmee ook te billijken dat de arts op dat moment de diagnose ‘lepra’ niet stelde en als gevolg daarvan geen medicatie voorschreef.

5.6 Dat nadien in E en in het G de diagnose ‘lepra’ wel is gesteld, maakt het oordeel van het college niet anders, al begrijpt het college dat dit bij klager vragen heeft opgeroepen.

5.7 Het college heeft overigens zelf vragen waar het gaat om de supervisie van de arts. Hoewel het geen onderdeel is van de klacht, merkt het college op dat het niet aanwezig zijn van de supervisor op de werkvloer niet zonder meer navolgbaar is. Een supervisor kan op dergelijke wijze niet afdoende de patiënt(en) beoordelen, wat nodig kan zijn bij een op het gebied van de dermatologie onervaren arts.

Klachtonderdeel b) klager ‘vervelend’ genoemd
5.8 Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel stelt het college vast dat in de brief van de arts aan de huisarts (gedateerd 18 november 2022) het woord ‘vervelend’ is opgenomen. Dit is in de zin ‘nogmaals herhaald dat ik het vervelend vind’. Daarmee heeft de arts bedoeld te zeggen dat zij de situatie voor klager naar vindt, en dat zij zich in zijn gevoel kan inleven. Het is in Nederland gebruikelijk om dat op de hiervoor beschreven wijze uit te drukken. Het betekent geenszins dat de arts klager een vervelende man zou vinden. Het college begrijpt uit de klacht dat klager het woord zo heeft opgevat, maar dat is niet aan de arts te wijten. Veeleer lijkt hier een taalbarrière debet aan. Het college acht het voorts zorgvuldig dat de arts contact heeft gezocht met de huisarts teneinde de situatie uit te leggen.

Klachtonderdeel c) discriminerend gedrag
5.9 Wat het derde klachtonderdeel betreft – het discrimineren van klager – heeft het college geen enkele aanwijzing dat de arts zich over de afkomst van klager discriminerend heeft uitgelaten of zich discriminerend heeft gedragen. Klager heeft het verwijt ook niet concreet gemaakt, anders dan dat de arts het woord ‘vervelend’ zou hebben gebruikt, wat – zoals hiervoor is overwogen – door klager helaas verkeerd is geïnterpreteerd. Voor zover klager heeft willen aanvoeren dat de arts zich negatief zou hebben uitgelaten over de medische situatie in E nadat hij had gezegd dat er in E geen verwijzing naar een neuroloog zou plaatsvinden, heeft het college daarvoor geen aanknopingspunt gevonden. De arts heeft in haar verweerschrift naar voren gebracht dat zij in het gesprek met klager alleen heeft gezegd dat zij niet op de hoogte is van de medische praktijk in E. Dat is niet discriminerend.


Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn. Het college kan bovendien – en los van zijn oordeel over de klachten – geen uitspraak doen over schade en een schadevergoeding.

6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 5 augustus 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, R.P. Wijne, lid-jurist, J.M. Mommers, E.J.M. van Leent en V.M. Schijf, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.