ECLI:NL:TGZCTG:2026:64 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2868

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:64
Datum uitspraak: 01-04-2026
Datum publicatie: 02-04-2026
Zaaknummer(s): C2025/2868
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager heeft zich in 2014 ziekgemeld bij zijn werkgever. Hij was op dat moment opgenomen op een gesloten psychiatrische afdeling. Klager heeft twee weken doorgebracht op de gesloten afdeling en daarna bijna vier maanden op de open afdeling. De bedrijfsarts was werkzaam bij de arbodienst van de werkgever en werd verantwoordelijk voor de begeleiding van klager. Klager verwijt hem dat hij niet op de juiste wijze heeft gehandeld bij de verzuimbegeleiding. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht deels gegrond verklaard, maar geen maatregel opgelegd. Klager heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt dat beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2868 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,

tegen

C., bedrijfsarts, destijds werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties, 
hierna: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. L. Boor, werkzaam te Rotterdam.

1.    Kern van de zaak

1.1    Klager heeft zich in maart 2014 ziekgemeld bij zijn werkgever in verband met een opname op een gesloten psychiatrische afdeling. Klager heeft twee weken doorgebracht op de gesloten afdeling en daarna bijna vier maanden op de open afdeling. De bedrijfsarts was werkzaam bij de arbodienst van de werkgever en werd verantwoordelijk voor de begeleiding van klager. Klager verwijt hem dat hij niet op de juiste wijze heeft gehandeld bij de verzuimbegeleiding.

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht deels gegrond verklaard, maar geen maatregel opgelegd. Klager heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt dat beroep en zal dat hieronder toelichten. 

2.    Verloop van de procedure

2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/7579 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:128). 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedure in eerste aanleg, het (aanvullend) beroepschrift van klager en het verweerschrift in beroep van de bedrijfsarts.

2.3    De zaak is op de zitting van 11 februari 2026 behandeld. Daar waren klager en de bedrijfsarts aanwezig, laatstgenoemde bijgestaan door mr. L. Boor. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klager zijn aan het dossier toegevoegd.
    
3.    Feiten en omstandigheden

3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.2     Klager is in maart 2014 na contact met de crisisdienst opgenomen in het Regionale Psychiatrisch Centrum E. wegens ernstige depressieve klachten en suïcidale gedachten. Klager heeft daar twee weken doorgebracht op de gesloten afdeling en aansluitend enkele maanden op de open afdeling. Klager is op 10 maart 2014 ziekgemeld bij zijn werkgever.

3.3    De bedrijfsarts is werkzaam bij de arbodienst van de werkgever. De bedrijfsarts werd verantwoordelijk voor de begeleiding van klager. 

3.4    Op 7 augustus 2014 vond het eerste (telefonische) verzuimspreekuur tussen de bedrijfsarts en klager plaats. Het verslag dat naar klager en de werkgever is gestuurd, vermeldt (letterlijk overgenomen):

“(…)
[klager] heeft zich ziek moeten melden als gevolg van forse psychische klachten, zoals bekend bij zijn leidinggevende. 
De aanleiding voor het ontstaan van deze klachten lag in diverse factoren op zijn werk, in samenhang met predisponerende factoren in zijn persoonlijkheid.

Hij is op dit moment volledig arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk. Gezien de beladen rol die het werk voor hem speelt, maar ook de spanningen die contact met de eigen leidinggevende bij hem oproept, is het mijn dringende advies een andere contactpersoon vanuit de werkgever aan te wijzen die de re-integratie volgens Poortwachter kan begeleiden. 


Prognose arbeidsongeschiktheid
[klager] staat op dit moment op de wachtlijst (duur 5 maanden) voor een intensieve vervolgbehandeling voor de duur van 9 maanden gedurende 3 dagen per week. Het moment van (gedeeltelijke) arbeidsgeschiktheid ligt dus 14 maanden verder.
Wel is er behoefte aan dag invulling c.q. structuur welke zijn herstel zal bespoedigen. Gezien zijn beperkingen (zie de deze week te maken probleemanalyse) gaat de voorkeur uit naar twee dagdelen per week in een rustige/natuurlijke omgeving (bijvoorbeeld meelopen met schaapsherder of boswachter).
(…)”

3.5    Op 4 september 2014 vindt opnieuw een verzuimspreekuur plaats. Het verslag hiervan vermeldt onder meer (letterlijk overgenomen):

“(…) Gezien de rol die de diverse factoren in zijn werk hebben gespeeld bij het manifest worden van zijn gezondheidsproblemen, is een arbeidsgeschiktheid (voorlopig) niet aan de orde. Wel zijn er een aantal opties voor re-integratie mogelijkheden genoemd in het vorige verslag, daar heeft [klager] nog niets van vernomen. (…)”

3.6    Dezelfde dag doet de bedrijfsarts een beroepsziektemelding bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). Hierin is te lezen, letterlijk overgenomen en voor zover relevant:

“(…)
Klinisch beeld: Depressieve stoornis, eenmalige episode.
Hoofdoorzaak: Andere psychosociale factoren
Oorzaak2: Inhoudelijke werkbelasting / werkhoeveelheid / monotoon werk
Toelichting oorzaak: Werknemer leverde kwalitatief hoogwaardig werk en kreeg (op grond van hoge opleiding) de moeilijke / grote projecten. Hij werd gedwongen tot een samenwerking met een slecht functionerende collega. Weinig steun van leidinggevende.
(…)
Ernst ziekte: Tijdelijke arbeidsongeschiktheid, verzuim meer dan 6 maanden.
Persoonlijke kenmerken: ja
(…)”

3.7    Op 28 oktober 2014 vindt opnieuw een verzuimgesprek plaats, waarin klager en de bedrijfsarts de invulling van de dagen van klager en de vervolgbehandeling bespreken. De fulltime vervolgbehandeling zal eind 2014 of begin 2015 starten en vier maanden duren.

3.8    Tijdens het verzuimspreekuur op 10 februari 2015 bespreken klager en de bedrijfsarts de vervolgbehandeling, die inmiddels is gestaakt. Het verslag vermeldt hierover:

“Klager is nog steeds volledig arbeidsongeschikt. De grootste beperking voor de start van de re-integratie en arbeidsongeschiktheid is zijn persoonlijke kwetsbaarheid.
Het is na specialistisch onderzoek, duidelijk dat er al langere tijd dat er factoren in de persoonlijkheid van [klager] zitten die hem kwetsbaar maken in samenwerking met anderen c.q. bij interpersoonlijke contacten.
Bij de combinatie van een bepaalde werkomgeving en deze kwetsbaarheid leidt dit tot ontwikkeling van een psychisch ziektebeeld, zoals is gebeurd bij aanvang van deze verzuimperiode bij [werkgever].

Prognose:
[klager] zoekt al geruime tijd naar de juiste vorm van therapie om hem van zijn kwetsbaarheid af te helpen. Het lijkt erop dat hij daar telkens niet in slaagt.
Ook nu weer is de aanvankelijk gestarte behandeling gestaakt vanwege een verkeerde match met de behandelaar. Forse wachttijden en miscommunicatie binnen de behandelende (regionale) instelling leiden tot ongewenste vertraging.
Morgen staat er een nieuw intake gesprek gepland.
Pas na de start met een behandeling zal duidelijk worden hoe lang deze gaat duren en welk perspectief deze biedt. Op dit moment is er geen prognose te geven.”

3.9    In de aanloop naar het tweede ziektejaar ontstaat tussen klager en de werkgever discussie over de hoogte van het loon dat in het tweede ziektejaar moet worden doorbetaald. Volgens klager is sprake van een beroepsziekte en heeft hij daarom recht op doorbetaling van 100% van zijn loon gedurende het tweede ziektejaar. De werkgever ziet dit anders. 

3.10    Naar aanleiding van vragen van de werkgever hierover laat de bedrijfsarts op 9 maart 2015 per e-mail het volgende aan de werkgever weten:

“Een beroepsziekte, is een ziekte die in overwegende mate door het werk veroorzaakt wordt. Dat is geen absolute wetenschap, maar een anonieme melding die ik doe bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. Je kunt er ook een mate van waarschijnlijkheid c.q. zekerheid aan koppelen (in zeer grove zin van niet geheel zeker tot zeker).
Naar aanleiding van mijn eerste spreekuurcontact, heb ik geconstateerd dat [klager] inderdaad psychische klachten heeft ontwikkeld naar aanleiding van zijn werksituatie bij [werkgever] en een dergelijke melding gedaan.
Zoals aangegeven in mijn eerste terugkoppeling (d.d. 7-8-2014) vermoed ik dat er tevens sprake is van predisponerende factoren in de persoonlijkheid.

In mijn latere contacten heeft dat laatste naar mijn gevoel nog meer gewicht gekregen.

Het door [klager] genoemde “terugkrabbelen”, komt voort uit zijn vasthoudende gedrag aangaande het maken van bezwaar. Ik heb hem aangegeven dat ik als bedrijfsarts een absolute onafhankelijke positie inneem tussen werkgever en werknemer en dus niet partijdig kan / mag zijn in een juridische zaak.”

3.11    Bij e-mail van 16 april 2015 vraagt klager de bedrijfsarts met een onderbouwing aan te geven of hij vindt dat klager wel of geen recht heeft op doorbetaling van 100% van zijn loon gedurende het tweede ziektejaar. De bedrijfsarts antwoordt daarop als volgt per e-mail van 20 april 2015:

“Een beroepsziektemelding is anoniem (zonder naam werkgever of werknemer) en bedoeld voor epidemiologische doeleinden om op deze wijze meer inzicht te krijgen in de (mede) oorzaken van arbeidsongeschiktheid als gevolg van werk.
Ik heb deze melding gedaan na ons eenmalig gesprek, wel met de toevoeging dat “persoonlijkheidskenmerken” in grote mate mede een rol spelen.
Bezien in het licht van onderstaand artikel van de F. is deze melding een te grote conclusie, gezien de toevoeging “in overwegende mate”. Met andere woorden: iedere andere werknemer, die niet lijdt aan jouw specifieke kwetsbaarheid, was niet uitgevallen wegens ziekte.”

3.12    Naar aanleiding van het verzuimspreekuur van 28 april 2015 laat de bedrijfsarts aan klager en de werkgever weten dat er op dat moment geen verdere behandelingen worden aangeboden en dat kan worden gestart met re-integratie, mits klager niet wordt geconfronteerd met de medewerkers en leidinggevenden waarmee hij vlak voor zijn uitval te maken had. De bedrijfsarts raadt daarom een functie binnen het hoofdkantoor af. 

3.13    Omdat klager zich hierin niet kan vinden, neemt de bedrijfsarts contact op met de behandelaar van klager. Uit het bericht van de behandelaar van 11 juni 2015 volgt dat het karakter van klager in combinatie met de karakters van de betrokken personen bij werkgever tot klachten heeft geleid. Ook de meest recente werkomstandigheden lijken volgens de behandelaar te hebben bijgedragen aan de problematiek. Er is geen specifieke behandeling voor deze situatie, aldus de behandelaar. Verder vermeldt hij:

“Om te bepalen dat het karakter van client dan ook de belangrijkste reden is voor de uitval is wat mij betreft niet direct juist. Het is wel goed te beseffen dat ik de situatie natuurlijk enkel vanuit het perspectief en informatie van client kan beoordelen, wat objectiviteit in de weg staat. Daarbij valt het beoordelen en inschatten van werkbelasting en de invloed van specifieke werkdruk niet direct binnen mijn expertise.”

3.14    Naar aanleiding van het bericht van de behandelaar stuurt de bedrijfsarts op 16 juni 2015 een e-mail aan klager waarin hij laat weten dat zonder de specifieke samenloop van omstandigheden en karakters klager nog aan het werk was geweest. Volgens de bedrijfsarts heeft de periode van arbeidsongeschiktheid te lang geduurd. In feite gaat het, aldus de bedrijfsarts, om situatieve arbeidsongeschiktheid en hadden de pijlen al eerder gericht moeten worden op re-integratie elders.

3.15    De verzuimbegeleiding door de bedrijfsarts eindigt hierna vanwege de beëindiging van de samenwerking tussen de werkgever en de arbodienst. De laatste e-mail die de bedrijfsarts aan klager en de HRM-adviseur stuurt, dateert van 30 juni 2015. 
    
4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over
4.1    Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij:
a) zich niet autonoom en onafhankelijk heeft opgesteld;
b) niet de richtlijnen heeft gevolgd die gelden voor het diagnosticeren van een beroepsziekte.
Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel b gegrond verklaard, de klacht voor het overige ongegrond verklaard, en bepaald dat aan de bedrijfsarts geen maatregel wordt opgelegd. 

4.2    Klager is het niet eens met die beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zijn beroep strekt ertoe dat klachtonderdeel a alsnog gegrond wordt verklaard. Klager stelt zich verder op het standpunt dat het Regionaal Tuchtcollege klachtonderdeel b niet juist heeft geformuleerd, waardoor niet is beslist op alle klachtonderdelen. Klager stelt dat klachtonderdeel b ook de klacht omvat dat de bedrijfsarts een tunnelvisie heeft gehad met betrekking tot de ‘persoonlijke kwetsbaarheden’ van klager. Daar is het Regionaal Tuchtcollege niet op ingegaan. Klager wenst dat ook dit onderdeel van de klacht inhoudelijk wordt beoordeeld en dat het alsnog gegrond wordt verklaard. Ter terechtzitting in beroep van 11 februari 2026 heeft klager aangegeven dat de zaak hiervoor wat hem betreft niet hoeft te worden teruggewezen naar het Regionaal Tuchtcollege; hij heeft ermee ingestemd dat het Centraal Tuchtcollege dit onderdeel van de klacht mee neemt in de beoordeling.  

4.3    De bedrijfsarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij meent dat klager voor het overgrote deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep, ofwel omdat er nieuwe klachten worden aangevoerd die in beroep niet zijn toegestaan, ofwel omdat klager in beroep komt van klachtonderdelen die reeds in eerste aanleg gegrond zijn verklaard. Voor het overige moet het beroep van klager volgens de bedrijfsarts worden verworpen.  


Ontvankelijkheid van het beroep
4.4    Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep.
Klager heeft klachtonderdeel b in zijn oorspronkelijk klaagschrift als volgt omschreven:
“Niet diagnosticeren, opstellen van een behandelplan en verwijzen inzake (vermoedde beroepsziekte/tunnelvisie met betrekking tot persoonlijke kwetsbaarheden”.  Het Centraal Tuchtcollege neemt deze klachtomschrijving als uitgangspunt bij de beoordeling. Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat het Regionaal Tuchtcollege niet is ingegaan op de vraag of sprake is geweest van een tunnelvisie bij de bedrijfsarts met betrekking tot klagers persoonlijke kwetsbaarheden. Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege nog dient te oordelen over de klacht met betrekking tot de tunnelvisie. De overige (nieuwe) punten die klager aanvoert vallen niet onder de oorspronkelijke klachtomschrijving zodat het Centraal Tuchtcollege deze bij de beoordeling buiten beschouwing laat.

Beoordeling van klachtonderdeel a
4.5    Dat de bedrijfsarts zich niet autonoom en onafhankelijk heeft opgesteld, is naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege niet voldoende aannemelijk geworden. Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond moet worden verklaard. Dat wat klager in beroep heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Ter terechtzitting in beroep van 11 februari 2026 heeft de bedrijfsarts nog toegelicht dat hij tegenwoordig, met de kennis van nu en terugkijkend op deze zaak, pas een beroepsziektemelding doet na afloop van de periode van verzuim, als hij over alle relevante informatie beschikt. Het Centraal Tuchtcollege beoordeelt deze aangepaste werkwijze als positief. 

Beoordeling van klachtonderdeel b: 
4.6    Het verwijt dat de bedrijfsarts een tunnelvisie heeft gehad met betrekking tot de ‘persoonlijke kwetsbaarheden’ van klager is niet (duidelijk) meegenomen in de beoordeling van klachtonderdeel b door het Regionaal Tuchtcollege. Met instemming van klager zal het Centraal Tuchtcollege dit onderdeel van de klacht nu zelf inhoudelijk beoordelen, zonder de zaak hiervoor terug te wijzen naar het Regionaal Tuchtcollege. 

4.7    Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege niet gebleken van de door klager bedoelde tunnelvisie. Integendeel; de bedrijfsarts is juist bereid geweest om zijn eerder getrokken conclusies aan te passen toen hij daarvoor aanleiding zag. De bedrijfsarts heeft goed uitgelegd op basis waarvan hij tot de conclusie kwam dat naast de werkomstandigheden ook persoonlijke kwetsbaarheden van klager van invloed zijn geweest op zijn uitval en het ziektebeloop. Dit betekent dat ook dit onderdeel van de klacht ongegrond is.  

Conclusie 
4.8        Het voorgaande betekent dat zal worden beslist, als hieronder weergegeven. 

5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover hij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend;

verklaart klachtonderdeel b – voor zover inhoudende het verwijt dat de bedrijfsarts een tunnelvisie heeft gehad met betrekking tot de ‘persoonlijke kwetsbaarheden’ van klager – ongegrond;

verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door Z.J. Oosting, voorzitter, S.M. Evers en T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen en A.H.J.M. Sterk en J.H.M. de Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door 
N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2026.
    Voorzitter w.g.                        Secretaris  w.g.