ECLI:NL:TGZCTG:2026:62 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2661
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:62 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-04-2026 |
| Datum publicatie: | 02-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2661 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een GZ-psycholoog. De GZ-psycholoog heeft onderzoek gedaan naar de geestvermogens van klager en een Pro Justitia rapportage over klager opgesteld. Volgens klager heeft de GZ-psycholoog in strijd met de geldende wettelijke bepalingen en beroepsnormen gehandeld, door op foutieve en nalatige wijze de Pro Justitia rapportage op te stellen en tot een onjuiste conclusie te komen. Het Regionaal Tuchtcollege is van oordeel dat uit de rapportage blijkt dat de GZ-psycholoog zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en dat de rapportage voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Niet is gebleken dat de GZ-psycholoog stukken tot haar beschikking had die zij ten onrechte niet of onvoldoende heeft meegewogen in haar overwegingen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek heeft de GZ-psycholoog naar het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege in redelijkheid tot haar conclusies kunnen komen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en verwerpt het beroep voor het overige. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2661 van:
A., verblijvende in PI B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
gemachtigde: C. te F.,
tegen
D., destijds werkzaam te E.,
verweerster in beide instanties,
hierna: GZ-psycholoog,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam te Utrecht.
1. Kern van de zaak
1.1 In opdracht van de raadsheer-commissaris bij het gerechtshof G.-B. heeft
de GZ-psycholoog samen met een psychiater een pro Justitia rapportage over klager
opgesteld. Volgens klager heeft de GZ-psycholoog in strijd met de geldende wettelijke
bepalingen en beroepsnormen gehandeld, door op foutieve en nalatige wijze de pro Justitia
rapportage op te stellen en tot een onjuiste conclusie te komen.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel en zal klager in beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren en het beroep voor het overige verwerpen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 1 november 2024 met nummer Z2024/6984 (ECLI:NL:TGZRZWO:2024:119).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift en het verweerschrift.
2.3 De zaak is op de zitting van 2 maart 2026 behandeld. Namens klager was zijn gemachtigde aanwezig. De GZ-psycholoog was aanwezig, bijgestaan door mr. R.J. Peet. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klager zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2 Klager was van 3 februari 2022 tot 11 maart 2022 opgenomen in het H. voor een onderzoek naar zijn geestvermogens. Dit onderzoek vond plaats in opdracht van de raadsheer-commissaris bij het gerechtshof G.-B.. De GZ-psycholoog was een van de onderzoekers.
3.3 Bij het onderzoek werd gebruik gemaakt van diverse schriftelijke informatiebronnen, het forensisch milieuonderzoek, gesprekken met klager en (eigen) observaties. Ook werd een testpsychologisch onderzoek verricht. Klager werkte mee aan het onderzoek en gaf schriftelijk toestemming om (medische) informatie op te vragen ten behoeve van het onderzoekend multidisciplinaire team.
3.4 De observatie in het H. werd na een periode van vijf weken voortijdig afgebroken vanwege een psychiatrische ontregeling van klager.
3.5 De onderzoekers concludeerden dat bij klager sprake was van een schizoaffectieve stoornis en daarnaast een stoornis in het gebruik van alcohol. Geadviseerd werd tbs met dwangverpleging.
3.6 De GZ-psycholoog besprak de conclusies en het advies op 13 april 2022 met klager, die op dat moment verbleef in het PPC te I.. Zij stelde klager in de gelegenheid het rapport te lezen. Klager wilde dat niet. De psychiater arriveerde na het gesprek met de GZ-psycholoog, waarna klager niet meer met haar in gesprek wilde. Klager weigerde ook na aandringen de rapportage te lezen.
3.7 De pro Justitia rapportage werd op 21 juni 2022 ondertekend door de GZ-psycholoog en de psychiater en via het NIFP (Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie) naar de opdrachtgever verzonden.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verweet GZ-psycholoog bij het Regionaal Tuchtcollege dat zij in strijd
met de voor haar geldende wettelijke bepalingen en beroepsnormen heeft gehandeld,
door op foutieve en nalatige wijze de pro Justitia rapportage van 21 juni 2022 op
te stellen en daarin tot een onjuiste conclusie te komen.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard en aan de psychiater een maatregel wordt opgelegd.
4.3 De GZ-psycholoog verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
4.4 De oorspronkelijke klacht ligt in volle omvang ter beoordeling voor.
Ontvankelijkheid in beroep
4.5 Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat klager in de procedure bij het Regionaal
Tuchtcollege niet heeft geklaagd over het spanningsveld in een H.-onderzoek. Dit spanningsveld
is volgens klager dat een rapportage wordt gevraagd op het moment dat de verdachte
alleen nog maar verdacht is, terwijl in een H.-onderzoek de werkhypothese is dat de
verdachte dader is, wat is strijd is met de onschuldpresumptie en waardoor een tunnelvisie
ontstaat. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat dit een nieuwe klacht in de beroepsprocedure
betreft. Een klager kan in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal
Tuchtcollege voorleggen die in eerste aanleg aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling
zijn voorgelegd en dan alleen voor zover hij in die klachten door het Regionaal Tuchtcollege
niet-ontvankelijk is verklaard of zijn klachten zijn afgewezen. Nieuwe klachten vallen
buiten het bereik van het beroep. Klager is dan ook niet ontvankelijk in zijn beroep
voor zover het deze nieuwe klacht betreft.
Inhoudelijke beoordeling
4.6 Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal
Tuchtcollege verder tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht
ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling
van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen en beslissingen
dan die van het Regionaal Tuchtcollege en neemt datgeen wat het Regionaal Tuchtcollege
onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen hier over. Daarmee sluit
het Centraal Tuchtcollege aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de
GZ-psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Conclusie
4.7 De conclusie is dat klager gedeeltelijk niet-ontvankelijk is in het beroep
en dat het beroep voor het overige moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover hij in beroep nieuwe klachten heeft
ingediend;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, A.R.O. Mooy en M.C.
Stoové,
leden-juristen, en F.D.F. Steenbakkers en M. Verkade, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.