ECLI:NL:TGZCTG:2026:55 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2872
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:55 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-03-2026 |
| Datum publicatie: | 26-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2872 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager is sinds juli 2022 werkzaam als accountmanager. Per 21 juni 2023 heeft klager zich ziekgemeld. De bedrijfsarts is de supervisor van de arts in opleiding tot specialist bedrijfsgeneeskunde (hierna: bedrijfsarts i.o.), die klager in zijn ziekteverzuimperiode heeft begeleid. Klager stelt dat de bedrijfsarts heeft toegelaten dat de bedrijfsarts i.o. niet op de juiste wijze heeft gehandeld bij de verzuimbegeleiding. Meer in het bijzonder verwijt klager de bedrijfsarts dat hij als supervisor zijn verantwoordelijkheden niet heeft genomen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt hetzelfde. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2872 van:
A., wonende te B., appellant, tevens verweerder in incidenteel beroep, klager in
eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
K., bedrijfsarts, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,
hierna: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. A. Dekker, werkzaam te Amsterdam.
1. Kern van de zaak
1.1 Klager is sinds juli 2022 werkzaam als accountmanager bij E. Per 21 juni 2023 heeft klager zich ziekgemeld. De bedrijfsarts is werkzaam bij F. en is de supervisor van de arts in opleiding tot specialist bedrijfsgeneeskunde (hierna: bedrijfsarts i.o.), die klager in zijn ziekteverzuimperiode heeft begeleid. Klager stelt dat de bedrijfsarts heeft toegelaten dat de bedrijfsarts i.o. niet op de juiste wijze heeft gehandeld bij de verzuimbegeleiding. Meer in het bijzonder verwijt klager de bedrijfsarts dat hij als supervisor zijn verantwoordelijkheden niet heeft genomen.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt hetzelfde en zal dat hieronder toelichten.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/7823 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:150). De bedrijfsarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedures in eerste aanleg en beroep.
2.3 De zaak is op de zitting van 11 februari 2026 behandeld. Klager was daar zoals
aangekondigd niet verschenen. De bedrijfsarts i.o. wel, bijgestaan door mr. A. Dekker.
De bedrijfsarts heeft zijn standpunt op de zitting nader toegelicht. De spreekaantekeningen
van mr. Dekker zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten en omstandigheden
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.2 Klager is sinds 4 juli 2022 werkzaam als accountmanager bij E. Per 21 juni 2023 heeft klager zich ziekgemeld wegens spannings- en paniekklachten ten gevolge van een pestsituatie op het werk.
3.3 De bedrijfsarts is reeds 30 jaar als bedrijfsarts werkzaam en werkt thans als praktijkopleider en supervisor bij F.. De bedrijfsarts heeft sinds mei 2024 de supervisie over de bedrijfsarts i.o. die klager tijdens zijn ziekteverzuim heeft begeleid. Ook tegen de bedrijfsarts i.o. is een tuchtklacht ingediend.
3.4 Het eerste consult tussen klager en de bedrijfsarts i.o. vond plaats op 27
juli 2023. De bedrijfsarts noteerde van dit consult (citaten voor zover van belang
en letterlijk weergegeven): “4 juli 2022 gestart bij E.. Maakte sinds het begin al diverse dingen mee op de werkvloer,
pesterijen, racistische bejegening, uitsluiting. Meerder collega’s last van werkcultuur.
Melding gemaakt bij HR.
Ging om 3 collega’s; er zijn er 2 ontslagen, 1 niet tot zijn verbazing. Andere collega
die ook gepest werd vertrokken.
Hij heeft het steeds volgehouden.
Hoefde van vorige directeur niet met diegene samen te werken. Nu een ad interim
directeur gekomen waarvan hij wel moet gaan samenwerken.
Emotioneel uitgeput. Sluit zich op in huis, gaat nergens naar toe. in kleine kamer
zitten waar hij zich veilig voelt.
Gaat met moeite in de auto, krijgt paniekaanvallen, emotionele huilbuien,
situaties die lijken op werk triggeren hem.
herbeleeft pijnlijke momenten, gevoel van constant op zijn hoede moeten zijn,
beelden en gedachten dringen zich op.
Meneer wilt een veilige werksituatie, maar voelt zich niet gehoord.
Heeft zelf bij G. aangeklopt omdat WG niets deed. heeft ook een advocaat
ingeschakeld omdat hij niet wist waar te beginnen.” (..)
De conclusie van de bedrijfsarts i.o. luidde dat er spannings-en paniekklachten zijn ten gevolge van werkgerelateerde factoren. Het advies was o.a. de komende twee weken rust te houden en daarna het advies voor een gesprek tussen werkgever en klager. Klager had reeds zelf een afspraak gemaakt met de POH GGZ en het advies van de bedrijfsarts i.o. luidde om na het eerste gesprek, gesprekken met de POH GGZ voort te zetten.
3.5 In de periode die volgde tot aan het tweede consult met de bedrijfsarts i.o. had klager contact met de casemanager van F. op 31 juli, 3, 16, 21 en 30 augustus 2023 (tussentijdse evaluatie). Daarin gaf klager aan dat zijn klachten toenamen, gaf hij zijn visie op het plan van aanpak en gaf hij aan een gesprek met de werkgever niet aan te kunnen. De casemanager overlegde met de bedrijfsarts i.o. en zij adviseerde mediation in te zetten.
3.6 Op 22 september 2023 vond een tweede consult bij de bedrijfsarts i.o. plaats.
Daarvan is genoteerd:
“Beperkingen nog niet aan het afnemen.
Adequate behandeling (intake gehad bij H.).
Mediation is van start; volgende week intake.
Beleid/
-op dit moment nog geen voldoende herstel voor werkhervatting
-advies doorgaan met herstelwerkzaamheden
-uitkomst mediation afwachten
-volgende gesprek: vrijdag 20/10 11.30 uur”
3.7 In het volgende spreekuurcontact met de bedrijfsarts i.o. op 20 oktober 2023 gaf klager aan dat het slechter met hem ging. Uit de terugkoppeling van H. waar klager op dat moment onder behandeling was, bleek dat er een trauma of stressgerelateerde stoornis aanwezig was en een ander probleem verband houdend met werk. H. stelde dan ook een individuele behandeling met steunende en structurerende gesprekken voor, en cognitieve therapie aangevuld met trauma verwerkende interventie. De bedrijfsarts i.o. besloot op basis hiervan dat het herstel van klager nog onvoldoende was om het werk te kunnen hervatten en dat eerst het effect van de behandeling bij H. moest worden afgewacht.
3.8 Op 21 november 2023 vond een telefonisch evaluatieconsult (tussentijdse evaluatie) met de casemanager plaats.
3.9 Op 4 januari 2024 volgde een vierde consult waarbij klager aangaf dat het
inmiddels wat beter ging. De mediation tussen werkgever en klager was op gang gekomen
en de adequate behandeling bij H. bevorderde het herstel. Hoewel het beter ging concludeerde
de bedrijfsarts i.o. als volgt:
“Beleid/
-herstel nog onvoldoende gevorderd voor werkhervatting;
effect gerichte behandeling afwachten
-advies mediation continueren om tot oplossingen te komen
-over 4 wkn EVC: stand van zaken? verloop mediation? daarna weer PE plannen.
3.10 Klager stuurde op 30 januari 2024 een e-mail waarin hij aangaf dat het, hoewel in zeer kleine stapjes en ook langzaam, steeds iets beter ging.
3.11 Het volgende spreekuurcontact vond plaats op 15 februari 2024. De bedrijfsarts i.o. heeft in haar terugkoppeling van dit consult samengevat genoteerd dat het herstel gestaag verloopt en dat zijn beperkingen voor werk steeds verder afnemen. De verwachting was dat klager over ongeveer twee maanden weer geleidelijk kon starten met het hervatten van werk. De bedrijfsarts i.o. signaleerde een stagnatie in het mediation-proces en adviseerde klager om daarover zo spoedig mogelijk zelf contact op te nemen met de mediator.
3.12 Op 4 en 25 maart 2024 was er contact tussen klager en de casemanager van F. over de stand van zaken (tussentijdse evaluatie). Het eerder gegeven advies behoefde, naar aanleiding van deze contacten, geen aanpassing.
3.13 Op 9 en 15 april 2024 was er contact met de casemanager (tussentijdse evaluatie) en klager liet weten dat de mediation stap voor stap een afronding naderde en dat hij hoopvol was over de voortgang.
3.14 Op 18 april 2024 vond de eerstejaarsevaluatie plaats. De bedrijfsarts i.o. concludeerde samengevat dat er sprake was van geleidelijk herstel, dat mediation nog gaande was maar dat er nog geen concrete oplossing was. De bedrijfsarts i.o. gaf aan dat dit niet bevorderend werkt voor het verdere herstel en zij adviseerde werknemer en werkgever om zo snel mogelijk tot een oplossing te komen in het mediation traject. Een geleidelijk opbouwschema van werkzaamheden door klager kon worden gestart. Zij adviseerde tevens dat een arbeidsdeskundig onderzoek en lijst arbeidsmogelijkheden en beperkingen (LAB) moest worden opgesteld om zo de toekomstige mogelijkheden van aangepast werk inzichtelijk te krijgen. De bedrijfsarts i.o. had met toestemming van klager medische informatie opgevraagd bij de behandelaar van klager, H.. Deze liet weten dat zij geen verdere informatie verstrekt over cliënten. Het medisch dossier is toen door klager zelf aan de bedrijfsarts i.o. verstrekt.
3.15 Op 25 april 2024 stuurde klager een e-mail waarin hij o.a. aangaf dat werkgever hem geen veilige werkomgeving en onvoldoende middelen bood om hem te helpen. Op 29 mei 2024 had klager een telefonisch consult (tussentijdse evaluatie) met de casemanager van F.. Hierover is in het dossier genoteerd: “Meneer geeft aan dat de werkgever tijdens de mediation geen veilige werkomgeving wil garanderen. De mediation zit muurvast, maar loopt nog wel door. (..)”
3.16 Op 20 juni 2024 vond het arbeidsdeskundig en re-integratie onderzoek plaats waarbij geconcludeerd werd dat er sprake was van een niet medische kwestie die een duurzame terugkeer naar eigen werk in de weg stond. Werkgever en werknemer werd geadviseerd om actief te blijven zoeken naar een oplossing.
3.17 Op 1 juli 2024 vond een volgend telefonisch contact tussen klager en de bedrijfsarts i.o. plaats. Klager vertelde dat het ondanks paniekklachten wel weer wat beter ging. Hij had moeite met de houding van werkgever. De bedrijfsarts i.o. adviseerde, in de terugkoppeling naar werknemer en werkgever, de adviezen van het arbeidsdeskundig onderzoek op te volgen en benadrukte de verplichting van werkgever om te zorgen voor een veilige werkomgeving en stelde dat het van belang was een oplossing te vinden door mediation.
3.18 Tot aan het volgende spreekuurcontact van 10 september 2024 met de bedrijfsarts i.o. waren er nog enkele gesprekken (tussentijdse evaluaties) tussen klager en de casemanager van F. die telkens neerkwamen op het ongenoegen van klager over de houding van zijn werkgever.
3.19 Op 10 september 2024 vond een zevende consult plaats. De terugkoppeling
luidt voor zover relevant als volgt:
“Conclusie en visie arts/ spannings en paniekklachten tgv werkgerelateerde
factoren.
diagnose psycholoog: andere gespecificeerde trauma of stressor gerelateerde stoornis
Adequate behandeling (CGT en traumabehandeling bij H.).
Aanvankelijk sprake van toenemend herstel; mediation traject leidt echter niet tot
oplossingen, aanhoudende situatie geleid tot verergering PTSS klachten.
Beleid/
- nieuwe medische informatie opvragen (machtiging met vragen naar dhr mailen)
- langdurige mediation leidt niet tot oplossingen > advies aan wg en wn om te overleggen
met de betrokken mediator over het vervolg.
- tweede spoor continueren
- over 4 wkn EVC: stavaza klachten/ herstel? beloop mediation? beloop tweede
spoor? hierna fysieke PE plannen op een vrijdagochtend
- ook uitgebreid besproken met dhr dat ik eerdere mails van dhr (tav schrappen uit
big register arts bij tuchtzaak) als onprettig heb ervaren;
deze manier leidt niet tot verbetering van zijn klachten; mijn inzet is er op gericht
om hem weer in duurzaam herstel en belastbaarheid te krijgen.”
3.20 Op 16 september 2024 heeft de bedrijfsarts i.o. aan klager gevraagd of hij de actuele medische informatie bij zijn behandelaar wilde opvragen. Op diezelfde dag vroeg klager om een second opinion. De bedrijfsarts i.o. verzamelde alle informatie en stuurde deze door naar de bedrijfsarts die een second opinion ging uitbrengen.
3.21 De bedrijfsarts die de second opinion uitvoerde kwam op 29 oktober 2024 tot
de volgende conclusie en advies:
“Uit de anamnese en de mislukte mediation blijkt een ernstig verstoorde arbeidsrelatie
met psychosociale klachten bij werknemer. Re-integratie in hetzelfde team is medisch
gezien onwenselijk. Adviseer werkgever Spoor 2 te volgen en een plan van aanpak op
te stellen gericht op duurzame inzetbaarheid buiten de huidige werksituatie. Let op
signalen van PTSS en overweeg met de GGZ-professional om een aangepaste opbouw van
belastbaarheid en re-integratie te bewerkstelligen.”
3.22 Op 2 november 2024 stuurde klager de bedrijfsarts i.o. een e-mail met een aantal verwijten en tekortkomingen van de begeleiding van F. en de bedrijfsarts i.o.. Klager kondigde aan een rechtszaak te beginnen.
3.23 Op 8 november 2024 vond een video-consult plaats tussen de bedrijfsarts i.o., de bedrijfsarts en klager waarin de stand van zaken besproken werd. De e-mail van 2 november 2024 werd besproken en de bedrijfsarts gaf aan dat hij de begeleiding overnam.
3.24 Na het gesprek van 8 november 2024 stuurde klager op diezelfde dag een
uitgebreide
e-mail waarin hij de vermeende tekortkomingen van F. en de bedrijfsarts i.o. beschreef.
Klager kondigde aan dat deze punten zouden worden behandeld in een tuchtprocedure.
3.25 Klager heeft in december 2024 meerdere e-mails naar de bedrijfsarts gestuurd over de communicatie tussen beiden en de steeds erger wordende klachten van klager.
3.26 De bedrijfsarts heeft in januari 2025 aan klager laten weten dat hij zich
niet langer in staat voelde om voldoende professionele distantie jegens klager aan
te houden en hierdoor de verzuimbegeleiding aan een collega bedrijfsarts overdroeg.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over?
4.1 Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij:
a) niet heeft ingegrepen bij het falen van de bedrijfsarts i.o.;
b) niet heeft ingegrepen toen de bedrijfsarts i.o. niet tijdig een PTSS heeft
herkend en klager
niet heeft behandeld;
c) niet heeft ingegrepen toen de bedrijfsarts i.o. onveilige re-integratie adviezen
gaf;
d) de bedrijfsarts i.o. niet heeft gecorrigeerd voor het ontbreken van een individueel
herstelplan;
e) de onjuiste inschatting van belastbaarheid door de bedrijfsarts i.o. niet
heeft gecorrigeerd;
f) geen actie heeft ondernomen tegen gedwongen mediation;
g) heeft verzuimd om te controleren of de rapportages van de bedrijfsarts i.o.
volledig; accuraat en in overeenstemming waren met klagers input en medische situatie;
h) heeft nagelaten dat de PTSS als beroepsziekte werd gemeld;
i) niet heeft gecontroleerd of het 6-stappen plan voor beroepsziekten werd toegepast
door de bedrijfsarts i.o.;
j) geen passende interventie of correctie heeft uitgevoerd gedurende het langdurig
uitblijven van actie van de bedrijfsarts i.o.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat zijn klacht alsnog gegrond wordt verklaard. In dat verband heeft hij in zijn aanvullend beroepschrift verzocht om I. als getuige-deskundige te horen. De bedrijfsarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzet zich tegen het horen van de gevraagde getuige-deskundige en verzoekt het beroep van klager te verwerpen.
Beoordeling
4.3 Het verzoek van klager om I. als getuige-deskundige te horen wordt afgewezen,
omdat de noodzaak daartoe ontbreekt. Het rapport van I. maakt onderdeel uit van het
dossier. De inhoud van dat rapport is helder; het roept geen (aanvullende) vragen
op. Het Centraal Tuchtcollege acht zich daarom voldoende voorgelicht.
4.4 Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de bedrijfsarts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De behandeling van de zaak in beroep maakt dat niet anders. Het Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen en neemt dat over. Aanvullend merkt het Centraal Tuchtcollege op dat de bedrijfsarts veel contact heeft gehad met de bedrijfsarts i.o. en dat de supervisie, gelet op de inhoud van het dossier, op een keurige manier is verlopen. De klachten zijn ongegrond, het beroep van klager wordt verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, S.M. Evers en T.W.H.E. Schmitz,
leden-juristen, en A.H.J.M. Sterk en J.H.M. de Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
N. Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.