ECLI:NL:TGZCTG:2026:47 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2802 Verzet
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:47 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-03-2026 |
| Datum publicatie: | 16-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2802 Verzet |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Verzet tegen een voorzittersbeslissing in de zaak tegen een internist. De moeder van klaagster (patiënte) is behandeld voor borstkanker met uitzaaiingen. Patiënte is overleden. Klaagster verwijt de internist dat zij patiënte en klaagster heeft afgesnauwd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep van klaagster afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het door klaagster ingestelde verzet ongegrond. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2802 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., internist, werkzaam in D.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de internist,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. Verloop van de procedure
1.1 Klaagster heeft op 18 april 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
in Amsterdam een klacht ingediend tegen de internist. Bij de beslissing van 1 april
2025 met nummer A2024/7152 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:70) heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.2 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. De voorzitter van
het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 1 oktober 2025 het beroep afgewezen.
De beslissing van de voorzitter is als bijlage aan deze beslissing gehecht. Tegen
deze beslissing heeft klaagster verzet aangetekend.
1.3 Het verzet is op de zitting van 16 februari 2026 behandeld. Klaagster, de echtgenoot van klaagster, de internist en de gemachtigde van de internist waren daar aanwezig. De spreekaantekeningen die klaagster heeft gebruikt zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege.
2. Beoordeling van het verzet
2.1 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft in de beslissing van 1
oktober 2025 het volgende overwogen:
’’5.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Klaagster is van mening dat uit de door haar overgelegde geluidsbestanden duidelijk blijkt dat de arts neerbuigend en bekritiserend reageert. In het beroepschrift verwijt klaagster de internist ook verkeerde verslaglegging en bemoeienis met zaken die haar niet aangingen.
5.2 Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Klaagster is niet-ontvankelijk voor zover zij nieuwe klachten heeft toegevoegd.
5.2 Klaagster heeft geluidsopnamen overgelegd van twee telefonische contacten tussen klaagster en de internist op 22 februari 2021 en het fysieke consult met patiënte op 21 juli 2021. De voorzitter heeft deze geluidsopnamen beluisterd. De voorzitter is van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege op basis van de geluidsopnamen terecht heeft overwogen dat geen sprake is geweest van ongepaste bejegening laat staan afsnauwen. De internist heeft patiënte nadrukkelijk aangesproken op het feit dat zij veel naar het ziekenhuis belde en haar gevraagd in het vervolg alleen met de hoofdbehandelaar of diens waarnemer te communiceren. De internist heeft daarbij uitleg gegeven waarom dit van belang is. De voorzitter kan zich voorstellen dat de door de internist gebruikte bewoordingen door patiënte als kritiek is ervaren, maar de internist is in haar communicatie gebleven binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken.
5.3 Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.’’
2.2 Klaagster is het niet eens met deze beslissing van de voorzitter. Klaagster stelt dat de beslissing is gebaseerd op een eenzijdige weergave van de feiten, waarbij haar gedetailleerde documenten en bewijsstukken onvoldoende zijn meegewogen. Klaagster is van mening dat de kern van haar klacht daardoor niet adequaat is beoordeeld.
2.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift met bijlagen waaronder een USB-stick met onder andere geluidsopnamen, de transcripties van de geluidsopnamen en het verzetschrift. Het college heeft alle in het dossier aanwezige stukken gelezen en de geluidsopnamen beluisterd.
2.4 Een verzet is gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerd toetsingskader heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
2.5 Het Centraal Tuchtcollege acht het verzet ongegrond. In de beslissing van de voorzitter staat duidelijk vermeld dat zij de geluidsopnamen heeft beluisterd en kennis heeft genomen van de dossierstukken. Dat de voorzitter net als het Regionaal Tuchtcollege tot het oordeel komt dat er geen sprake is geweest van een ongepaste bejegening is een juridische afweging die het college goed kan volgen. Klaagster leidt uit het feit dat de afweging anders is uitgevallen dan klaagster had verwacht ten onrechte af dat haar documenten en bewijsstukken onvoldoende zijn meegewogen.
2.6 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar / een nadere inhoudelijke beoordeling van de klacht. Het Centraal Tuchtcollege zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
3. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter,
G. Tangenberg en H.K.N. Vos, leden-juristen, en R. van Marum en H.J. Hasper, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 16 maart 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
D E V O O R Z I T T E R V A N H E T C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2802 van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
O., internist, werkzaam in L., verweerster in beide instanties,
hierna: de internist, gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De moeder van klaagster (hierna: patiënte) werd in de periode oktober 2014
tot en met maart 2022 in het ziekenhuis waar de internist werkt behandeld voor borstkanker
met uitzaaiingen. De internist, werkzaam als internist-oncoloog, heeft in de periode
februari tot en met juli 2021 als vervanger van de hoofbehandelaar van patiënte, enkele
keren gesproken met patiënte en klaagster. Klaagster verwijt de internist dat zij
patiënte en klaagster heeft afgesnauwd.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan
leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en zal het
beroep afwijzen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing in raadkamer van het
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 1 april 2025 met nummer
A2024/7152 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:70). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage aan deze beslissing
gehecht.
2.2 De voorzitter heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, het
beroepschrift, het aanvullend beroepschrift met bijlagen waaronder een USB-stick met
onder andere geluidsopnamen en de transcripties van de geluidsopnamen.
3. De feiten
3.1 Bij de beoordeling van het beroep gaat de voorzitter uit van de volgende
feiten.
3.2 Patiënte (geboren op 4 september 1959, overleden op 14 maart 2022) werd in
de periode oktober 2014 tot en met maart 2022 in het M. behandeld voor borstkanker
met uitzaaiingen. Een collega van de internist, Q. (verweerder in de zaak A2024/7155
(RTG), C2025/2805 (CTG)), was de hoofdbehandelaar van patiënte.
3.3 Als vervanger van de hoofdbehandelaar heeft de internist op 22 februari
2021 telefonisch contact gehad met klaagster en op 3 mei 2021 en 9 juni 2021 met patiënte.
Op 21 juli 2021 vond bij de internist een fysiek consult plaats met patiënte en op
23 juli 2021 een telefonisch vervolgconsult.
4. De klacht
4.1 Klaagster heeft in totaal 15 tuchtklachten ingediend tegen zorgverleners
die betrokken waren bij de zorg aan patiënte.
4.2 De klacht tegen de internist is onderdeel van een klacht tegen vijf zorgverleners
die ten tijde van het verweten handelen werkzaam waren bij het M.:
N., verpleegkundige (A2024/7151 (RTG), C2025/2824 (CTG));
K., chirurg (A2024/7153 (RTG), C2025/2803 CTG));
P., internist, destijds AIOS internist-oncoloog (A2024/7154 (RTG), C2025/2804 (CTG));
Q., internist (geregistreerd onder nummer A2024/7155, C2025/2805 (CTG)).
4.3 Klaagster verwijt de internist het afsnauwen van patiënte en haar familie.
5. De beoordeling
5.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Klaagster is van mening dat uit de door haar overgelegde geluidsbestanden duidelijk
blijkt dat de arts neerbuigend en bekritiserend reageert. In het beroepschrift verwijt
klaagster de internist ook verkeerde verslaglegging en bemoeienis met zaken die haar
niet aangingen.
5.2 Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen
die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel
uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd.
Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Klaagster is niet-ontvankelijk
voor zover zij nieuwe klachten heeft toegevoegd.
5.2 Klaagster heeft geluidsopnamen overgelegd van twee telefonische contacten
tussen klaagster en de internist op 22 februari 2021 en het fysieke consult met patiënte
op 21 juli 2021. De voorzitter heeft deze geluidsopnamen beluisterd. De voorzitter
is van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege op basis van de geluidsopnamen terecht
heeft overwogen dat geen sprake is geweest van ongepaste bejegening laat staan afsnauwen.
De internist heeft patiënte nadrukkelijk aangesproken op het feit dat zij veel naar
het ziekenhuis belde en haar gevraagd in het vervolg alleen met de hoofdbehandelaar
of diens waarnemer te communiceren. De internist heeft daarbij uitleg gegeven waarom
dit van belang is. De voorzitter kan zich voorstellen dat de door de internist gebruikte
bewoordingen door patiënte als kritiek is ervaren, maar de internist is in haar communicatie
gebleven binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening. Van tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen is niet gebleken.
5.3 Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het
beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Het beroep wordt daarom afgewezen.
6. Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
wijst het beroep af.
Aldus gewezen op 1 oktober 2025 en ondertekend door C.H.M. van Altena, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.