ECLI:NL:TGZCTG:2026:46 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2804 Verzet
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:46 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-03-2026 |
| Datum publicatie: | 16-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2804 Verzet |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Verzet tegen een voorzittersbeslissing in de zaak tegen een (destijds) AIOS internist-oncoloog.De moeder van klaagster (patiënte) is, in het ziekenhuis waar de arts werkzaam was, behandeld voor borstkanker met uitzaaiingen. Patiënte is overleden. In de nacht dat de patiënte opgenomen werd op de SEH van een ander ziekenhuis heeft de arts aan dat ziekenhuis informatie gegeven over de prognose van de patiënte. Klaagster verwijt de arts dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt over de levensverwachting van patiënte, met als gevolg dat de patiënte is overleden, omdat zij geen medische behandeling meer kreeg. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep van klaagster afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het door klaagster ingestelde verzet ongegrond. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2804 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., destijds AIOS internist-oncoloog,
destijds werkzaam in D.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de internist-oncoloog,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. Verloop van de procedure
1.1 Klaagster heeft op 18 april 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
in Amsterdam een klacht ingediend tegen de internist-oncoloog. Bij beslissing van
1 april 2025, onder nummer A2024/7154 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:72) heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.2 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 1 oktober 2025 het beroep afgewezen. De beslissing van de voorzitter is als bijlage aan deze beslissing gehecht. Tegen deze beslissing heeft klaagster verzet aangetekend.
1.3 Het verzet is op de zitting van 16 februari 2026 behandeld. Klaagster, de echtgenoot van klaagster, de internist-oncoloog en de gemachtigde van de internist-oncoloog waren daar aanwezig. De spreekaantekeningen die klaagster heeft gebruikt zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege.
2. Beoordeling van het verzet
2.1 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft in de beslissing van 1
oktober 2025 het volgende overwogen:
“5.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Klaagster blijft erbij dat de internist onjuiste informatie heeft verstrekt aan de arts van de SEH van het E.
5.2 De internist zat ten tijde van het contact met de arts van de SEH van het E. in het zesde jaar van zijn opleiding tot internist-oncoloog. Dit betekent dat de internist bevoegd was om zelfstandig informatie te verstrekken aan het E. De internist heeft naar aanleiding van het informatieverzoek van het E. contact opgenomen met de hoofdbehandelaar van patiënte en het te geven advies met haar afgestemd. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de internist geen onjuiste informatie heeft verstrekt en dat hij gelet op de gezondheidssituatie van patiënte geen onjuist advies heeft gegeven. De voorzitter neemt daarom het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en de onderbouwing hiervan over.
5.3 Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.’’
2.2 Klaagster is het niet eens met deze beslissing van de voorzitter. Klaagster stelt dat de beslissing is gebaseerd op een eenzijdige weergave van de feiten, waarbij haar gedetailleerde documenten en bewijsstukken onvoldoende zijn meegewogen. Klaagster is van mening dat de kern van haar klacht daardoor niet adequaat is beoordeeld.
2.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift met bijlagen waaronder een USB-stick met onder andere geluidsopnamen, de transcripties van de geluidsopnamen en het verzetschrift. Het college heeft alle in het dossier aanwezige stukken gelezen en de geluidsopnamen beluisterd.
2.4 Een verzet is gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerd toetsingskader heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
2.5 Het Centraal Tuchtcollege acht het verzet ongegrond. In de beslissing van de voorzitter staat duidelijk vermeld dat zij de geluidsopnamen heeft beluisterd en kennis heeft genomen van de dossierstukken. De voorzitter heeft alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen. Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar / een nadere inhoudelijke beoordeling van de klacht. Het Centraal Tuchtcollege zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
3. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter,
G. Tangenberg en H.K.N. Vos, leden-juristen, en R. van Marum en H.J. Hasper, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 16 maart 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
D E V O O R Z I T T E R V A N H E T C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2804 van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
P., internist, destijds AIOS internist-oncoloog, destijds werkzaam in L., verweerster
in beide instanties, hierna: de internist,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De moeder van klaagster (hierna: patiënte) werd in de periode oktober 2014
tot en met maart 2022 in het ziekenhuis waar de arts werkzaam was behandeld voor borstkanker
met uitzaaiingen. In de nacht van 13 op 14 maart 2022 werd patiënte opgenomen op de
afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) van een ander ziekenhuis. De arts heeft die nacht
aan het andere ziekenhuis informatie gegeven over de prognose van patiënte. Klaagster
verwijt de arts dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt over de levensverwachting
van patiënte.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan
leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en zal het
beroep afwijzen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing in raadkamer van het
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 1 april 2025 met nummer
A2024/7154 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:72). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage aan deze beslissing
gehecht.
2.2 De voorzitter heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg,
het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift met bijlagen waaronder een USB-stick
met onder andere geluidsopnamen en de transcripties van de geluidsopnamen.
3. De feiten
3.1 Bij de beoordeling van het beroep gaat de voorzitter uit van de volgende
feiten.
3.2 Patiënte (geboren op 4 september 1959) werd in de periode oktober 2014 tot
en met maart 2022 in het M. behandeld voor borstkanker met uitzaaiingen.
3.3 In de nacht van 13 op 14 maart 2022 werd patiënte opgenomen op de SEH van
het D. in verband met een mogelijke sepsis. Een arts van de SEH van het D. (verweerster
in de zaak A2024/7148 (RTG), C2025/2951 (CTG)) nam telefonisch contact op met het
M. om te vragen naar de prognose van patiënte ten aanzien van een eventuele intensive
care-opname.
3.3 De internist was in de nacht van 13 op 14 maart 2022 werkzaam als dienstdoende
arts op de afdeling medische oncologie van het M.. Hij zat destijds in het zesde jaar
van zijn opleiding tot internist-oncoloog.
3.4 De internist heeft na overleg met de hoofdbehandelaar van patiënte (verweerster
in de zaak A2024/7155 (RTG), C2025/2805 (CTG)), informatie verstrekt aan de arts van
het D.. In het medisch dossier heeft hij hierover het volgende genoteerd:
“Anamnese (…) Inschatting prognose op basis van status: 2e lijn kaelyx: 3-6 maanden
bij response. Bij geen response minder.
Daarbij ook de vraag of pt wel chemo fit was
Conclusie -Sepsis, niet neutropeen, Status bij gemetastaseerd mammacarcinoom,
2e lijns
chemotherapie met cealyx 11-2 jl, na abraxane-ate totaal 6 kuren (tm 9-2021) (…)
Beleid Overleg [hoofdbehandelaar]: -laatste brief erg somber geweest. Sterkte
behandelwens (…) Prognose id 3-6 maand, echter kans van slagen van chemo beperkt.
Sombere prognose ook op de poli al besproken. (…) NRNB ICU alleen bij overbrugbare
problemen met inotropie bij sterke behandelwens te
verdedigen.”
3.5 Op 14 maart 2022 is patiënte in het D. overleden.
4. De klacht
4.1 Klaagster heeft in totaal 15 tuchtklachten ingediend tegen zorgverleners
die betrokken waren bij de zorg aan patiënte.
4.2 De klacht tegen de internist is onderdeel van een klacht tegen vijf zorgverleners
die ten tijde van het verweten handelen werkzaam waren bij het M.”:
N., verpleegkundige (geregistreerd onder nummer A2024/7151 (RTG), C2025/2824 (CTG));
O., internist (geregistreerd onder nummer A2024/7152 (RTG), C2025/2802 (CTG));
K., chirurg (geregistreerd onder nummer A2024/7153 (RTG), C2025/2803 CTG));
Q., internist (geregistreerd onder nummer A2024/7155, C2025/2805 (CTG)).
4.3 Klaagster verwijt de internist onjuiste informatieverstrekking aan SEH omtrent
levensverwachting met overlijden tot gevolg.
5. De beoordeling
5.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Klaagster blijft erbij dat de internist onjuiste informatie heeft verstrekt aan de
arts van de SEH van het D..
5.2 De internist zat ten tijde van het contact met de arts van de SEH van het
D. in het zesde jaar van zijn opleiding tot internist-oncoloog. Dit betekent dat de
internist bevoegd was om zelfstandig informatie te verstrekken aan het D.. De internist
heeft naar aanleiding van het informatieverzoek van het D. contact opgenomen met de
hoofdbehandelaar van patiënte en het te geven advies met haar afgestemd. De voorzitter
van het Centraal Tuchtcollege is net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat
de internist geen onjuiste informatie heeft verstrekt en dat hij gelet op de gezondheidssituatie
van patiënte geen onjuist advies heeft gegeven. De voorzitter neemt daarom het oordeel
van het Regionaal Tuchtcollege en de onderbouwing hiervan over.
5.3 Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het
beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Het beroep wordt daarom afgewezen.
6. Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
wijst het beroep af.
Aldus gewezen op 1 oktober 2025 en ondertekend door C.H.M. van Altena, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van
het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de
Gezondheidszorg.