ECLI:NL:TGZRAMS:2025:72 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7154
ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:72 |
---|---|
Datum uitspraak: | 01-04-2025 |
Datum publicatie: | 01-04-2025 |
Zaaknummer(s): | A2024/7154 |
Onderwerp: | Overige klachten |
Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een AIOS internist-oncoloog. De moeder van klaagster (patiënte) is, in het ziekenhuis waar de arts werkzaam was, behandeld voor borstkanker met uitzaaiingen. Patiënte is overleden. In de nacht dat de patiënte opgenomen werd op de SEH van een ander ziekenhuis heeft de arts aan dat ziekenhuis informatie gegeven over de prognose van de patiënte. Klaagster verwijt de arts dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt over de levensverwachting van patiënte, met als gevolg dat de patiënte is overleden, omdat zij geen medische behandeling meer kreeg. Het college is van oordeel dat de arts geen onjuiste informatie heeft verstrekt en dat hij een juist advies heeft gegeven. De arts was als zesdejaars AIOS ook bevoegd om deze informatie zelfstandig te geven. Het is zorgvuldig dat hij ook nog heeft overlegd met de hoofdbehandelaar van patiënte. De klacht is kennelijk ongegrond. |
A2024/7154
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 1 april 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B, klaagster,
tegen
C,
destijds AIOS internist-oncoloog, destijds werkzaam in D, verweerder, hierna ook:
de arts,
gemachtigde: mr. O.L. Nunes en mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend over de behandeling van haar moeder (hierna:
de
patiënte) die is overleden. De patiënte werd in het ziekenhuis waar de arts werkzaam
was, behandeld
voor uitgezaaide borstkanker. In de nacht van 13 op 14 maart 2022 werd de patiënte
opgenomen op de
afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) van een ander ziekenhuis. De arts heeft die nacht
aan het andere
ziekenhuis informatie gegeven over de prognose van de patiënte.
1.2 Klaagster verwijt de arts dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt over de
levensverwachting van patiënte, met als gevolg dat de patiënte is overleden, omdat
zij geen
medische behandeling meer kreeg.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 18 april 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van klaagster, ontvangen op 11 oktober 2024, met de bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van de arts, ontvangen op 30 oktober 2024, met de bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 De patiënte, geboren in 1959, was in de periode oktober 2014 tot en met maart
2022 onder
behandeling van het E in verband met borstkanker en uitzaaiingen naar de lever,
het bot en
waarschijnlijk de longen.
3.2 In de nacht van 13 op 14 maart 2022 werd patiënte opgenomen op de SEH van het
F in verband
met een mogelijke sepsis. Een arts van de SEH van het F (verweerster in de zaak
A2024/7148) nam
telefonisch contact op met het E om te vragen naar de prognose van patiënte ten
aanzien van een
eventuele intensive care-opname.
3.3 Verweerder was in de nacht van 13 op 14 maart 2022 werkzaam als dienstdoende
arts op de
afdeling medische oncologie van het E. Hij zat destijds in het zesde jaar van zijn
opleiding tot
internist-oncoloog.
3.4 De arts heeft na overleg met de hoofdbehandelaar van patiënte (verweerster in
de zaak
A2024/7155), informatie verstrekt aan de arts van het F. In het medisch dossier
heeft hij hierover
het volgende genoteerd:
“Anamnese (…) Inschatting prognose op basis van status: 2e lijn kaelyx: 3-6 maanden
bij response.
Bij geen response minder.
Daarbij ook de vraag of pt wel chemo fit was
Conclusie -Sepsis, niet neutropeen, Status bij gemetastaseerd mammacarcinoom,
2e lijns
chemotherapie met cealyx 11-2 jl, na abraxane-ate totaal 6 kuren (tm 9-2021) (…)
Beleid Overleg [hoofdbehandelaar]: -laatste brief erg somber geweest. Sterkte
behandelwens (…)
Prognose id 3-6 maand, echter kans van slagen van chemo beperkt. Sombere prognose
ook op de poli al
besproken. (…) NRNB ICU alleen bij overbrugbare problemen met inotropie bij sterke
behandelwens te
verdedigen.”
3.5 Op 14 maart 2022 is patiënte in het F overleden.
4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
De beoordeling
4.2 Het college is van oordeel dat de arts geen onjuiste informatie heeft verstrekt
en dat hij
een juist advies heeft gegeven. Weliswaar was patiënte kort daarvoor gestart met
een nieuwe
chemotherapie, maar uit het dossier volgt ook dat de prognose somber was. Uit de
notitie in het
medisch dossier volgt verder dat de arts geadviseerd heeft om patiënte niet meer
te reanimeren of
te beademen. Hierbij heeft hij opgemerkt dat een IC-opname nog wel te verdedigen
was als het zou
gaan om het toedienen van medicatie om de pompkracht van het hart te vergroten (inotropie),
alleen
bij overbrugbare problemen. Gezien de gezondheidssituatie van patiënte was dit advies
te
rechtvaardigen.
4.3 De arts was als zesdejaars AIOS ook bevoegd om deze informatie zelfstandig te
geven. Het is
zorgvuldig dat hij ook nog heeft overlegd met de hoofdbehandelaar van patiënte.
De klacht is daarom
kennelijk ongegrond.
5. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 1 april 2025 door E.A. Messer, voorzitter, L.W.M. Creemers,
lid-jurist, C.M.F. Kruijtzer, H.R.H. de Geus en D. Boerma, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan
door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.