ECLI:NL:TGZCTG:2026:43 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2936 en C2025/2978

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:43
Datum uitspraak: 11-03-2026
Datum publicatie: 11-03-2026
Zaaknummer(s): C2025/2936 en C2025/2978
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klaagster heeft een onderzoek ondergaan bij de psychiater naar een mogelijke autismespectrumstoornis. De psychiater heeft na twee gesprekken geconcludeerd dat bij klaagster geen sprake is van ASS, maar hooguit van een communicatiestoornis. De klacht van klaagster gaat over de bejegening en over de wijze van onderzoek. Daarnaast is klaagster van mening dat de psychiater een verkeerde diagnose heeft gesteld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht voor een deel gegrond verklaard en de psychiater daarvoor de maatregel van berisping opgelegd. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal de klacht op twee extra onderdelen gegrond verklaren en bepalen dat kan worden volstaan met handhaven van de maatregel van berisping.


C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2936 van:


A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
                    
tegen

C., psychiater, 
destijds werkzaam in B.,
verweerder in beide instanties,
                      
en in de zaak onder nummer C2025/2978 van:

C., psychiater, 
destijds werkzaam in B.,
appellant, verweerder in eerste aanleg,
hierna: de psychiater,
          
tegen
            
A., wonende in B.,
verweerster in beroep, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster. 
            
1.    De kern van de zaak
1.1    Klaagster heeft een onderzoek ondergaan bij de psychiater naar een mogelijke autismespectrumstoornis. De psychiater heeft na twee gesprekken geconcludeerd dat bij klaagster geen sprake is van ASS, maar hooguit van een communicatiestoornis. De klacht van klaagster gaat over de bejegening en over de wijze van onderzoek. Daarnaast is klaagster van mening dat de psychiater een verkeerde diagnose heeft gesteld. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam heeft de klacht op 22 juli 2025 voor een deel gegrond verklaard en de psychiater daarvoor de maatregel van berisping opgelegd. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal de klacht op twee extra onderdelen gegrond verklaren en bepalen dat kan worden volstaan met handhaven van de maatregel van berisping.      

2.    Verloop van de procedure in beroep
2.1     Klaagster en de psychiater hebben allebei beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 22 juli 2025 met nummer A2025/8133 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:182). 

2.2    In de zaak met nummer C2025/2936 is klaagster op tijd in beroep gekomen en is van de psychiater een verweerschrift in beroep ontvangen. In de zaak met nummer C2025/2978 is de psychiater op tijd in beroep gekomen en heeft klaagster een verweerschrift in beroep ingediend. Klaagster heeft op 10 november 2025 in beide zaken een brief in het geding gebracht die aan de dossiers is toegevoegd.

2.3    De zaken zijn op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 12 januari 2026 behandeld. Klaagster en de psychiater waren op de zitting aanwezig. Klaagster werd vergezeld van haar zoon. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen die klaagster daarbij heeft gebruikt, zijn aan het dossier toegevoegd.

3.    De feiten
3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat net als het Regionaal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.

3.2    Klaagster is een 55-jarige vrouw die door haar huisarts is verwezen naar de psychiater voor nader onderzoek in verband met aanwijzingen voor een autismespectrumstoornis (hierna: ASS).  

3.3    Klaagster heeft twee gesprekken gehad met de psychiater, op 25 september 2024 en 
1 oktober 2024. In het kader van zijn onderzoek heeft de psychiater gevraagd naar haar persoonlijke omstandigheden zoals leefsituatie, sociale contacten, echtscheiding, arbeidsverleden en de psychiatrische voorgeschiedenis en medicatie. Voorafgaand heeft een psycholoog uit de praktijk enkele vragenlijsten naar ASS bij klaagster afgenomen.

3.4    Het eerste gesprek is niet naar tevredenheid van klaagster verlopen, bij het tweede gesprek heeft zij daarover haar ongenoegen geuit en de psychiater heeft daarop gereageerd.

3.5     Na afloop en op basis van het door hem ingestelde onderzoek concludeerde de psychiater dat (onder toepassing van DSM-5) bij klaagster geen sprake is van ASS, maar (zoals omschreven in het verweerschrift in eerste aanleg) hooguit van een communicatiestoornis.

3.6    Tijdens een derde gesprek op 20 november 2024 zijn de bezwaren van klaagster met de psychiater besproken in bijzijn van de psycholoog. Dit heeft er niet toe geleid dat de bezwaren van klaagster zijn weggenomen.


4.    Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachten van klaagster als volgt weergegeven.
Klaagster verwijt de psychiater dat hij:

a)    tijdens het eerste gesprek op een nare manier een trauma naar boven heeft gehaald;
b)    een onveilige situatie heeft gecreëerd tijdens beide gesprekken;
c)    belangrijke aspecten niet goed heeft vastgelegd en gerapporteerd;
d)    ten onrechte stelt dat klaagster egocentrisch is;
e)    geen blijk geeft van zelfreflectie en/of empathisch vermogen;
f)    overprikkeling verwart met hoogsensitiviteit;
g)    ten onrechte geen duidelijke obsessies heeft vastgesteld;
h)    zijn diagnose niet goed heeft uitgelegd, en;
i)    ten onrechte een communicatiestoornis heeft vastgesteld.

4.2    In de zaak met nummer C2025/2936 heeft klaagster een aantal beroepsgronden aangevoerd die zijn gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdelen a tot en met h. Het beroep heeft tot doel dat deze klachtonderdelen alsnog gegrond worden verklaard. Ook heeft klaagster bezwaren geuit tegen het samenvoegen van de klachtonderdelen en tegen het besluit van het Regionaal Tuchtcollege om de registratie als psychotherapeut bij het behandelen van de klacht buiten beschouwing te laten. De psychiater heeft in deze zaak verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege (impliciet) om het beroep te verwerpen. 

4.3    Het beroep van de psychiater in de zaak met nummer C2025/2978 is gericht tegen de zwaarte van de maatregel die het Regionaal Tuchtcollege heeft opgelegd. De psychiater wil bereiken dat het Centraal Tuchtcollege een lichtere maatregel zal opleggen. Klaagster heeft in deze zaak verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen. 

4.4    Als gevolg van beide beroepen ligt de oorspronkelijke klacht in beroep in volle omvang ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor. De beroepen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Samenvoegen klachtonderdelen
4.5    Klaagster heeft in het beroepschrift bezwaar gemaakt tegen de manier waarop het Regionaal Tuchtcollege haar klachten heeft ge(her)formuleerd en beoordeeld. Hoewel het de klagende partij is die de klacht indient, is het de taak van de tuchtrechter om op basis van de ingediende klacht - na een weloverwogen beoordeling - een beslissing te schrijven die voor het algemene publiek voldoende te volgen is. Dit betekent dat het de tuchtrechter is toegestaan om bij een veelheid van klachten, deze op overzichtelijke en/of samenvattende wijze te (her)formuleren. De manier waarop de klacht is weergegeven in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege doet onverminderd recht aan de inhoud van de klachten die klaagster bij het Regionaal Tuchtcollege heeft ingediend, behoudens klachtonderdeel h. Het Centraal Tuchtcollege herformuleert deze klacht als volgt: zijn diagnose onvoldoende heeft uitgelegd en onderbouwd. 
Net als het Regionaal Tuchtcollege ziet het Centraal Tuchtcollege daarnaast geen aanleiding om in te gaan op alle details die in de stukken zijn genoemd. Het college beperkt zich tot de bespreking van onderdelen die voor de beoordeling van de klachten van belang zijn.

4.6    Ook het Centraal Tuchtcollege zal in de beslissing een aantal klachtonderdelen gezamenlijk behandelen. Daarbij wijst het college erop dat het feit dat de klachtonderdelen gezamenlijk worden behandeld, niet betekent dat deze niet individueel zijn gewogen en beoordeeld. 

Registratie psychotherapeut
4.7    Klaagster is naar de psychiater verwezen voor een onderzoek naar ASS en een eventuele diagnosestelling. Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de consulten uitsluitend in de hoedanigheid van psychiater zijn verricht, en niet (ook) in hoedanigheid van psychotherapeut. Om die reden zal ook het Centraal Tuchtcollege de registratie als psychotherapeut buiten beschouwing laten.  

Toetsingskader
4.8    Het Centraal Tuchtcollege moet, net als het Regionaal Tuchtcollege, beoordelen of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Inhoudelijke beoordeling
4.9    Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat de psychiater er tijdens de procedure in beroep alsnog vanuit gaat dat de afdeling Autisme van GGZ R.- waarnaar klaagster nadien werd verwezen - terecht de diagnose ASS bij klaagster heeft gesteld. De psychiater gebruikt in zijn beroep en verweer deze diagnose om de klachten en de wijze waarop klaagster de contacten met hem heeft ervaren te verklaren. Het Centraal Tuchtcollege zal de vraag moeten beantwoorden in welke mate het tuchtrechtelijk verwijtbaar is dat de psychiater op basis van zijn onderzoek tot een andere diagnose kwam en of hij, rekening houdend met alle omstandigheden, zijn onderzoek voldoende correct heeft uitgevoerd, zowel qua inhoud als qua bejegening. Het college begint met een bespreking van de verschillende klachtonderdelen.

Klachtonderdeel a): op een nare manier een bestaand trauma naar boven gehaald
4.10    Klaagster verwijt de psychiater met dit klachtonderdeel dat hij tijdens het eerste gesprek op een nare manier een bestaand trauma over huiselijk geweld in een vorige relatie naar boven heeft gehaald waardoor zij in paniek is geraakt. De psychiater heeft dit niet (h)erkend waardoor het trauma prominenter is geworden. Door de bejegening is bij klaagster schade ontstaan in de vorm van PTSS. De psychiater heeft hierover naar voren gebracht dat de traumatische echtscheidingsproblematiek wel is genoemd maar dat daar vervolgens niet specifiek op is ingegaan. 

4.11    Ook in beroep verschillen partijen van mening over de aard en toon van beide gesprekken. Het college overweegt dat de klacht van klaagster voor een gedeelte ook ziet op de door de psychiater gehanteerde intonatie en de door haar mede als gevolg daarvan ervaren spanning. Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt het college voorop dat verwijten over inhoud en wijze van (mondelinge) communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen door derden – in dit geval het college – die van die communicatie geen getuige zijn geweest. Het is vaak de toon die de muziek maakt, en (de beleving van) die toon is in de regel subjectief en aan derden niet  altijd even goed over te brengen. Iets soortgelijks geldt met betrekking tot de context waarin woorden of uitlatingen worden gebruikt: die kan bepalend zijn voor de betekenis ervan, maar is zoveel tijd later hooguit gebrekkig te reconstrueren. Daarbij komt dat bij communicatie tussen een cliënt en de psychiater, dus de op dit gebied niet geschoolde cliënte tegenover de professional, het misverstaan van elkaar een reële mogelijkheid is. Een en ander maakt het beoordelen van de gegrondheid van dit soort verwijten tot een moeilijke opgave. Voor gevallen waarin tussen betrokkenen over het feitelijk verloop van de communicatie verschil van mening bestaat (wie heeft wat en hoe precies gezegd), betekent het voorgaande dat de derde van wie daarover een oordeel wordt gevraagd bij het aannemen van feiten terughoudendheid in acht moet nemen. Die terughoudendheid brengt in dit geval met zich dat niet is komen vast te staan dat de psychiater op een nare manier een bestaand trauma naar boven heeft gehaald en dat hem op dit punt dus ook geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel a is ongegrond. 

Klachtonderdeel b): onveilige situatie gecreëerd
4.12    Volgens klaagster heeft de psychiater een onveilige situatie gecreëerd tijdens beide gesprekken. Dit heeft hij gedaan door onder andere een autoritaire houding aan te nemen, vooral in de vorm van een kritische ouderrol, door op een nare ongepaste manier uit te vragen of klaagster tevreden was met het resultaat van haar borstverkleining, klaagster niet serieus te nemen wat betreft haar migraine, door tijdens het eerste consult te laat te komen zonder zijn excuses aan te bieden en door haar aan het einde van dat consult geeltjes toe te werpen. Klaagster voert ter onderbouwing van dit klachtonderdeel verder aan dat de psychiater heeft aangegeven dat het gevoel van (on)veiligheid de subjectieve ervaring van klaagster is en dat hij gebeurtenissen verdraait. 

4.13    Het college overweegt ook bij dit klachtonderdeel dat het niet kan vaststellen hoe de gesprekken zijn verlopen omdat alleen klaagster en de psychiater hierbij aanwezig waren. Om die reden kan niet worden geconcludeerd dat de psychiater een onveilige situatie heeft gecreëerd. Wel acht het college het - gegeven het feit dat de psychiater de klachten van klaagster inmiddels verklaart als uitingen van haar autisme – voorstelbaar dat klaagster zich onveilig heeft gevoeld. Het is het college ook na de mondelinge behandeling van de zaak niet duidelijk geworden wat de psychiater heeft gedaan nadat klaagster hem in het tweede gesprek had teruggegeven dat zij zich tijdens het eerste consult onveilig had gevoeld. De psychiater heeft weliswaar betoogd dat het niet zijn bedoeling is geweest haar een gevoel van onveiligheid te bezorgen, maar niet is gebleken dat hij pogingen heeft gedaan om volgende gesprekken met klaagster op een andere manier te voeren of bij klaagster te verifiëren op welke manier zij zich wel veilig zou voelen. Het college is van oordeel dat het beter was geweest als de psychiater dit tijdens het tweede gesprek aan de orde had gesteld. Dit is echter onvoldoende om de psychiater een tuchtrechtelijk verwijt te maken van het creëren van een onveilige situatie.
Wat betreft de vraag over de borstverkleining oordeelt het college dat vragen over somatiek onderdeel zijn van het onderzoek. Het stellen van een vraag over hoe een ingreep is ervaren levert als zodanig geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klaagster brengt in beroep hierover nog naar voren dat de klacht niet alleen ziet op de vraag zelf maar ook over de manier waarop de vraag is gesteld. Omdat het college niet aanwezig was bij de gesprekken kan niet worden vastgesteld dat de psychiater klaagster op een ongepaste manier heeft bevraagd. 
Het voorgaande betekent dat klachtonderdeel b) ook ongegrond is.

Klachtonderdeel c) en f): belangrijke aspecten niet goed vastgelegd en niet gerapporteerd, en overprikkeling verward met hoogsensitiviteit 
4.14    Met deze klachtonderdelen verwijt klaagster de psychiater dat hij een aantal door klaagster naar voren gebrachte aspecten niet goed heeft vastgelegd en daar ook niet over heeft gerapporteerd. Zo heeft de psychiater alleen benoemd dat er huiselijk geweld is geweest, maar niet benoemd dat klaagster heeft verteld dat er sprake was van een poging tot verwurging. Ook heeft hij misverstanden laten ontstaan door de hoogsensitiviteit als zijnde overprikkeling te beschrijven en consequent overprikkeling met hoogsensitiviteit te verwarren. Niet alleen in het eindverslag maar ook in de rapportage van de psychiater bij bevindingen en bij de beschrijving van de reden van verwijzing is hieraan geen aandacht besteed. Tot slot heeft de psychiater het verhaal over het vieren van de verjaardag van klaagster zo beknopt geschreven, dat de betekenis hiervan heel anders wordt. 
Het college overweegt dat de psychiater een professionele beoordelingsruimte heeft ten aanzien van de informatie die in de verslaglegging wordt opgenomen. Niet kan worden verwacht dat alles wat een cliënt verteld woordelijk wordt genoteerd. Dat klaagster in de verslaglegging zaken mist, is daarmee op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Diezelfde professionele keuze geldt ook voor de bewoordingen die de psychiater gebruikt op basis van zijn bevindingen. Het college is het eens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat er geen aanleiding is om te concluderen dat de psychiater overprikkeling verwart met hoogsensitiviteit. Klachtonderdelen c) en f) zijn ongegrond.


Klachtonderdelen d) vaststelling egocentrisch 
4.15    Klaagster verwijt de psychiater met dit klachtonderdeel dat hij ten onrechte heeft gesteld dat zij egocentrisch is.

4.16    In zijn eindverslag, in casu de brief aan de huisarts, heeft de psychiater onder ‘Indruk’ het volgende genoteerd:

Pat is een leeftijdsconforme vrouw, met bril, slank en maakt een verzorgde indruk. Oogcontact redelijk, kijk soms wat naar beneden, in het 2e gesprek minder. Geeft adequaat antwoord, wijdt snel uit over lichamelijke en mentale klachten, maar laat zich goed onderbreken. Geen aprosodie. Heeft enige moeite om goed te formuleren/zoeken naar woorden en gebruikt daarbij haar lippen. Helder; IQ geschat (boven) gemiddeld; niet psychotisch; stemming normofoor; affect vriendelijk, wat lijdzaam en aanklagend, egocentrisch en snel verongelijkt.

Onder ‘Conclusie’ heeft de psychiater genoteerd:
Voor ASS te weinig kenmerken, hooguit sociale communicatie stoornis ivm moeite sociale contacten.
Daarnaast veel klachten samenhangend met haar Non-Sjögren Siccaklachten. 
   

Klaagster verwijt de psychiater ook dat pas in het eindverslag voor het eerst wordt beschreven dat zij egocentrisch zou zijn. Dat kwam voor haar als een nare verassing. De psychiater heeft op de zitting hierover verklaard dat klaagster op hem een ego gecentreerde indruk maakte omdat zij in de gesprekken zaken vanuit haar eigen standpunt benaderde. Het college overweegt dat de psychiater er geen blijk van heeft gegeven in te zien dat de kwalificatie “egocentrisch” zonder enige context of uitleg hard kan aankomen bij een cliënt. Het college kan de uitleg van de psychiater dat hij hiermee bedoelde dat klaagster zaken vanuit haar eigen perspectief benaderde echter goed volgen. Het was beter geweest als de psychiater de betekenis van het gebruikte “egocentrisch” had toegelicht, nu het woord “egocentrisch” in de psychiatrie een duidelijke betekenis heeft zonder de negatieve connotatie van “egocentrisch” in gewone spreektaal. Dat de psychiater dit heeft nagelaten, is echter van onvoldoende gewicht om dit klachtonderdeel gegrond te verklaren.
 
Klachtonderdeel e): geen blijk van zelfreflectie en/of empathisch vermogen
4.17    In beroep brengt klaagster over dit klachtonderdeel naar voren dat de psychiater zowel in zijn verweerschrift als op de zitting bij het Regionaal Tuchtcollege geen zelfreflectie en empathie heeft laten zien. Het Centraal Tuchtcollege zal dit klachtonderdeel ongegrond verklaren. Daartoe overweegt het college dat het de psychiater vrijstaat om zijn standpunt over een klacht kenbaar te maken en zich te verweren zoals hem goeddunkt. Of de psychiater voldoende inzicht toont is niet een onderwerp dat klaagster raakt, maar dient te worden beoordeeld door het college en kan zo nodig worden meegewogen bij de beoordeling van de klacht en de (zwaarte van) de maatregel. 

Klachtonderdelen g), h) en i): ten onrechte geen duidelijke obsessies vastgesteld, diagnose onvoldoende onderbouwd en ten onrechte een communicatiestoornis vastgesteld
4.18    Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat klachtonderdeel i gegrond is. Het college sluit zich aan bij deze overwegingen en neemt deze over.

4.19    Anders dan het Regionaal Tuchtcollege acht het Centraal Tuchtcollege de klachtonderdelen g en h ook gegrond. Wat betreft het uitvragen van obsessies heeft de psychiater in beroep erkend dat hij hierin tekort is geschoten. Ook erkent de psychiater ter zitting dat de wijze waarop hij de diagnostiek heeft uitgevoerd niet overeenkomt met de Richtlijn autismespectrumstoornissen bij volwassenen. De psychiater had de beschikking over de resultaten van verschillende vragenlijsten waaronder de NIDA en het DSM-5 interview autismespectrumstoornis. Zoals de psychiater tijdens de zitting in beroep ook heeft erkend, wijzen de uitkomsten van deze vragenlijsten op een vorm van autisme. Dit had voor de psychiater aanleiding moeten zijn om hier verder op door te vragen. Verder constateert het college dat de psychiater in zijn eindverslag geen melding maakt van die vragenlijsten. De psychiater heeft hierover verklaard dat hij in de gesprekken met klaagster onvoldoende kenmerken van een autismespectrumstoornis heeft kunnen vaststellen, met name obsessieve en dwangmatige kenmerken ontbraken. Het college is van oordeel dat het op zijn weg had gelegen om in het verslag toelichting te geven op de discrepanties tussen de uitkomsten van de vragenlijsten en de ervaren klachten van klaagster enerzijds, en de bevindingen van de psychiater anderzijds. Enkel het ontbreken van obsessieve kenmerken is onvoldoende uitleg van zijn conclusie dat hoogstens sprake is van een communicatiestoornis. Bij dit oordeel betrekt het college ook dat klaagster consequent en consistent heeft aangegeven hoe zij de twee gesprekken heeft ervaren en daar - uitvoerig - concrete voorbeelden van heeft aangedragen, maar dat de psychiater daar in het tweede gesprek met klaagster noch in zijn verweer of ter zitting inhoudelijk op heeft gereageerd. Integendeel, de psychiater heeft aanvankelijk de klachten van klaagster bestreden en gekwalificeerd als communicatieproblemen. 
Alles overziend is het college van oordeel dat vanuit het perspectief van klaagster bezien de toenmalige bevindingen van de psychiater meer uitleg behoefden, waar dat niet is gebeurd. 

Conclusie en maatregel
4.20    Het voorgaande betekent dat klachtonderdelen, g en h alsnog gegrond worden verklaard, en dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege ten aanzien van de gegrondverklaring van klachtonderdeel i en de ongegrondverklaring van klachtonderdelen a tot en met f in stand blijft. 

4.21    De psychiater heeft het Centraal Tuchtcollege in zijn beroepschrift verzocht om de maatregel van berisping te verlagen naar een waarschuwing. In zijn beroepschrift brengt hij naar voren dat hij zich voor de zitting bij het Regionaal Tuchtcollege al had gerealiseerd dat hij uitgebreider had moeten vragen naar dwangmatigheid en obsessief gedrag, maar dat dat tijdens de zitting helaas onvoldoende naar voren is gekomen. De psychiater stelt verder dat hij zich voldoende bewust is van de tekortkomingen in zijn onderzoek. 

4.22    Wat betreft het verwijtbare handelen dat door het Regionaal Tuchtcollege in klachtonderdeel i gegrond is verklaard en waarvoor door dat college een berisping is opgelegd, is ook het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat dat handelen zodanig verwijtbaar was dat een berisping op zijn plaats is. Het college is het eens met de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege hierover. In zoverre faalt het beroep van de psychiater. Omdat het Centraal Tuchtcollege in beroep ook nog de klachtonderdelen, g en h gegrond acht, is het de vraag of aan de psychiater een zwaardere maatregel dan een berisping moet worden opgelegd. 
Op de zitting in beroep heeft de psychiater verklaard dat hij inziet dat hij tekort is geschoten in zijn onderzoek en dat hij in het vervolg anders zou handelen. Hoewel het Centraal Tuchtcollege onvoldoende overtuigd is van het getoonde inzicht in zijn handelen en reflectie daarop, kan in dit geval nog worden volstaan met een maatregel van berisping. Het Centraal Tuchtcollege laat bij dit oordeel meewegen dat aan de psychiater in zijn lange carrière niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. 

Publicatie
4.23    Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het algemeen belang gediend is met de publicatie van deze beslissing en zal bepalen dat deze beslissing wordt bekend gemaakt zoals in het dictum staat vermeld. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere psychiaters mogelijk iets kunnen leren van wat hiervoor over het uitgevoerde onderzoek is overwogen en geconcludeerd. 

5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

in de zaak met nummer C2025/2936:
vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover klachtonderdelen, g) en h) ongegrond zijn verklaard;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart klachtonderdelen g) en h) alsnog gegrond;
verstaat dat de maatregel van berisping gehandhaafd blijft;
verwerpt het beroep voor het overige;


in de zaak met nummer C2025/2978:
verwerpt het beroep;
                
gelast dat VWS-Financieel Dienstencentrum aan klaagster het betaalde griffierecht ten bedrage van 100,00 (zegge: honderd euro) voor de behandeling van de klacht bij het Regionaal Tuchtcollege en de behandeling van het beroep bij het Centraal Tuchtcollege vergoedt;

bepaalt dat deze beslissing de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact en de Psychiater met het verzoek tot plaatsing. 

Deze beslissing is genomen door: Z.J. Oosting, voorzitter, 
A.S. Gratama en G. Tangenberg, leden-juristen, en J.J. de Jong en J.A.M. Rutgers, leden-beroepsgenoten en bijgestaan door E. van der Linde, secretaris. 

Uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026.
Voorzitter  w.g.        Secretaris  w.g.