ECLI:NL:TGZCTG:2026:42 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2879
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:42 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-03-2026 |
| Datum publicatie: | 11-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2879 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een KNO-arts. Klager verwijt de KNO-arts dat hij verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij bij het uitvoeren van het oortoilet bij het linkeroor van klager dit linkeroor heeft ‘stukgezogen’. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2879 van:
A., wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de KNO-arts,
gemachtigde: M.J. de Groot, werkzaam te Hilversum.
1. Kern van de zaak
1.1 Klager heeft al bijna zijn gehele leven oorklachten. Vanaf zijn jeugd is
hij door een ongeluk geheel doof aan zijn rechteroor. Klager is jarenlang onder controle
en behandeling geweest bij de KNO-arts. Op 28 augustus 2020 is klager door de KNO-arts
onderzocht en behandeld in verband met klachten aan zijn andere (linker)oor. Klager
ervaart sindsdien acute doofheid en een bonzend geluid in zijn linkeroor. Klager verwijt
de KNO-arts dat hij op voornoemde datum een zogenaamd ‘oortoilet’ heeft uitgevoerd
en daarbij het linkeroor van klager heeft ‘stuk gezogen’.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 13 juni 2025 met nummer A2024/7551 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:148). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift en het verweerschrift. Het Centraal Tuchtcollege heeft verder kennis genomen van de aanvullende stukken van klager, waaronder de getuigenverklaring van E., gepensioneerd huisarts.
2.3 De zaak is op de zitting van 21 januari 2026 behandeld. Klager was aanwezig, vergezeld door F. en G. De KNO-arts was ook aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klager zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2 Klager (geboren in 1963) ervaart al sinds jonge leeftijd oorklachten en staat al zijn hele leven onder controle en behandeling bij (verschillende) artsen. Op 12-jarige leeftijd is klager als gevolg van een ongeluk het gehoor kwijtgeraakt aan zijn rechteroor.
3.3 Klager staat sinds 1999 onder behandeling van de KNO-arts, die werkzaam is in de H. te D. en I. De controles en behandelingen waren grotendeels gericht op het rechteroor. Het laatste contact tussen klager en de KNO-arts was op 22 augustus 2016, voor een loopoor uit een trommelvliesperforatie van het linkeroor.
3.4 Klager heeft op 28 augustus 2020 bij de huisarts verzocht om een verwijzing naar de KNO-arts om daar een recept oordruppels te krijgen in verband met toenemende klachten aan het linkeroor. Diezelfde dag is klager langs geweest bij de polikliniek van de afdeling KNO voor een recept oordruppels. Hoewel klager die dag geen afspraak had met de KNO-arts is hij, na verschijning aan de balie, door de KNO-arts onderzocht en vervolgens behandeld. De KNO-arts heeft het linkeroor van klager toen schoon gezogen door middel van een oortoilet. Tevens zijn oordruppels met antibiotica voorgeschreven.
3.5 Op 2 september 2020 is klager op opnieuw gezien door de KNO-arts in verband met aanhoudende klachten aan het linkeroor en gehoorverlies. Tijdens deze behandeling is een kweek afgenomen.
3.6 Klager heeft nadien geen contact meer opgenomen met de KNO-arts maar zich tot (diverse) andere artsen gewend voor behandeling.
3.7 In november 2020 heeft klager een klacht ingediend bij de H., waar de KNO-arts werkzaam is. Dit heeft niet geleid tot een beëindiging van het conflict.
3.8 In het medisch dossier is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“28-8-2020
Anamnese:
komt terug:
heeft nu 2 dg loopoor links
KNO-onderzoek:
Oren: as iets vochtige TV perforatie
Conclusie:
Loopoor links, waarvoor oorgtt bij tinnitus en verminderd gehoor rechts na eerdere
tympanoplastiek rechts
Beleid:
uitleg
toilet
r/ trafoxal oorgtt
c/ bij persisteren
2-9-2020
Anamnese:
komt terug
oor blijft lopen en gehoor minder
KNO-onderzoek:
Oren: as iets vochtige TV perforatie
Conclusie:
loopoor links, waarvoor oorgtt bij tinnitus bij verminderd gehoor rechts na eerdere
tympanoplastiek rechts
Beleid:
uitleg
toilet/ kweek
doorgaan trafoxal oorgtt
c/ 1 wk
29-9-2020
Telefonisch consult:
neemt niet op (3x): geen voicemail”
3.9 Op 24 juli 2024 is op verzoek van klager een KNO-heelkundige rapportage uitgebracht door prof. Dr. J. Daarin is – onder meer – het volgende opgenomen:
“Beantwoording van de vragen
1. Is naar uw mening in casus sprake geweest van medisch verwijtbaar handelen
(of nalaten) bij de behandeling door [de KNO-arts] van [klager] op of omstreeks 28
augustus 2020. Graag ontvang ik een gemotiveerd antwoord.
De behandeling door de KNO arts […] op 28 augustus 2020 moet worden beschouwd als
lege artis, er is dus geen sprake geweest van medisch verwijtbaar handelen (of nalaten).
Zie bovenstaande overwegingen ter motivering van deze stellingname”.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verweet de KNO-arts bij het Regionaal Tuchtcollege dat hij tijdens
het consult op 28 april 2020 verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij bij het uitvoeren
van het oortoilet bij het linkeroor van klager dit linkeroor heeft ‘stuk gezogen’.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Klager beoogt met zijn beroep dat het Centraal Tuchtcollege zijn klacht opnieuw beoordeelt.
4.3 De KNO-arts voert verweer en vraagt het Centraal Tuchtcollege het beroep te verwerpen.
4.4 Het voorgaande betekent dat het Centraal Tuchtcollege de oorspronkelijke klacht in volle omvang opnieuw zal beoordelen.
Toetsingskader
4.5 Zoals het Regionaal Tuchtcollege ook al heeft overwogen, dient het Centraal
Tuchtcollege daarbij te beoordelen of de KNO-arts de zorg heeft verleend die van hem
mocht worden verwacht. De norm daarvoor is ‘de redelijk bekwame en redelijk handelende’
arts. Het gaat er niet om of de KNO-arts, achteraf beschouwd, misschien beter of anders
had kunnen handelen, maar of hij redelijkerwijs heeft kunnen handelen zoals hij heeft
gedaan.
Inhoudelijke beoordeling
4.6 Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat het oog heeft voor de overtuiging
van klager dat het door de KNO-arts uitgevoerde oortoilet schade aan zijn oor heeft
veroorzaakt. Dat neemt alleen niet weg dat het Centraal Tuchtcollege dient te beoordelen
of de KNO-arts de zorg heeft verleend zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend
KNO-arts mag worden verwacht. Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting
daarop tijdens de zitting in beroep is het Centraal Tuchtcollege niet gebleken dat
de KNO-arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het Regionaal Tuchtcollege
heeft de klacht dan ook terecht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft
in dit kader de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege.
4.7 In aanvulling op de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege overweegt het
Centraal Tuchtcollege het volgende.
Klager voert in beroep aan dat de KNO-arts zijn linkeroor, met een heel dun trommelvlies,
en zijn rechteroor, met juist een dikker trommelvlies, tijdens de behandeling op 28
augustus 2020 met elkaar heeft verward. Klager leidt dat af uit de omstandigheid dat
de KNO-arts tegen hem zei dat “een geopereerd oor zichzelf niet meer reinigt” voordat
hij het oortoilet uitvoerde. Klager benadrukt dat hij nooit aan zijn linkeroor, dat
de KNO-arts dus heeft behandeld, is geopereerd. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel
dat er, buiten de verklaringen van klager hierover, geen enkel aanknopingspunt is
dat de KNO-arts het linker- en rechteroor van klager tijdens de behandeling op 28
augustus 2020 heeft verwisseld. De KNO-arts heeft verklaard dat hij voorafgaand aan
het consult het medisch dossier en de status van klager heeft gelezen. Daarna heeft
hij met de microscoop het oor van klager gezien en beoordeeld, waarna de keuze voor
de zuig is gemaakt. Op basis van zijn waarnemingen in combinatie met de voorgeschiedenis
van klager heeft de KNO-arts de behandeling uitgevoerd. Dat de KNO-arts voorafgaand
geen uitleg heeft gegeven, zoals klager betoogt, is niet gebleken. De KNO-arts heeft
op grond van het voorgaande gehandeld volgens de geldende normen. Van enig tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen is niet gebleken.
4.8 Klager voert verder aan dat zijn huisarts E. op 2 september 2020 hevig schrok
toen hij het oor van klager inspecteerde. De huisarts constateerde volgens klager
een vrijwel geheel verdwenen trommelvlies. Er restte alleen nog een smal reepje van
het trommelvlies. De huisarts vroeg aan klager: “A., wat is hier gebeurd? Wat heeft
hij gedaan? Ik kan je niet helpen, A. Jemig alles is helemaal kapot. Ik kan niets
voor je doen. Ik ga hem bellen. A., wat erg!” Hieruit volgt volgens klager dat de
KNO-arts een fout heeft gemaakt.
Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat huisarts E. zowel op 18 juni 2021 (bijlage
6 bij het klaagschrift) als op 1 december 2025 (ingekomen bij het Centraal Tuchtcollege
op 6 januari 2026) schriftelijk heeft verklaard dat hij op 2 september 2020 een rustige
trommelvliesperforatie heeft waargenomen. Hieruit blijkt niet dat volgens de huisarts
de KNO-arts het oortoilet bij klager onjuist heeft uitgevoerd dan wel anderszins verwijtbaar
heeft gehandeld. Het standpunt van klager dat de KNO-arts zijn oor ‘kapot heeft gezogen’
vindt evenmin steun in de brief van K., KNO-arts, van 6 november 2020 (bijlage 7 bij
het klaagschrift). In deze brief is namelijk te lezen dat sprake is van links een
slap trommelvlies met diepe intrekking en twee kleine(re) perforaties.
4.9 Dat klager tot slot heeft ervaren dat de KNO-arts gehaast was en dat de KNO-arts volgens klager niet beschikt over empathisch vermogen is ook onvoldoende om een tuchtrechtelijk verwijt aan te nemen.
Conclusie
4.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door E.J. Daalder, voorzitter,
J. Legemaate en H.M. Wattendorff, leden-juristen, en W. de Ruijter en
H.M. Blom, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.