ECLI:NL:TGZCTG:2026:41 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2838
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:41 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-03-2026 |
| Datum publicatie: | 11-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2838 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts. Klager is [gezaghebbende] de vader van een dochter, over wie hij het ouderlijk gezag heeft. Met het oog op een ondertoezichtstellingsprocedure bij de rechtbank heeft de huisarts (niet de eigen huisarts van moeder of dochter) in opdracht van moeder, zonder toestemming van klager, de dochter onderzocht en een schriftelijke verklaring afgelegd. Klager verwijt de huisarts dat zij: 1. zijn dochter heeft onderzocht/behandeld zonder zijn toestemming als [gezaghebbende] ouder [met gezag]; 2. ongefundeerde en belastende uitlatingen heeft gedaan over klager en zijn dochter die haar competentiegebied overstijgen. Deze uitlatingen zijn in strijd met gegronde bevindingen van de bevoegde rechtbank en in strijd met de bevindingen van de door deze rechtbank aangestelde psycholoog-deskundige en de Raad voor de Kinderbescherming; 3. klager als [gezaghebbende] ouder geen informatie heeft gegeven over het onderzoek/behandeling van zijn dochter en over de mogelijkheden tot het indienen van een klacht over haar werkwijze. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht in al haar onderdelen gegrond en legt de huisarts een gedeeltelijke ontzegging op van de bevoegdheid om haar beroep uit te oefenen, in die zin dat het verweerster niet is toegestaan om in de hoedanigheid van huisarts of arts schriftelijk en/of mondeling verklaringen of rapportages over personen af te geven, onder welke naam en van welke aard ook en ongeacht met welk doel, en bepaalt dat de maatregel onmiddellijk van kracht wordt. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de huisarts. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2838 van:
A., destijds werkzaam te B.,
appellante, verweerster in eerste aanleg,
hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. M.E. Terhorst, werkzaam te Alkmaar
tegen
C., wonende te D.,
verweerder in beroep, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
gemachtigde: mr. R. Schoemaker, werkzaam te Den Haag.
1. Kern van de zaak
1.1 Klager verwijt de huisarts dat zij - met het oog op een ondertoezichtstellingsprocedure
voor de rechtbank - zonder zijn toestemming zijn 11-jarige dochter heeft onderzocht.
Zij heeft bovendien een verklaring afgelegd waarin zij ongefundeerde en belastende
uitspraken over klager heeft opgenomen. Zij onthoudt klager tot slot informatie, aldus
de klacht.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht in al haar onderdelen
gegrond verklaard en aan de huisarts een gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid
om haar beroep uit te oefenen opgelegd, in die zin dat het verweerster niet is toegestaan
om in de hoedanigheid van huisarts of arts schriftelijk en/of mondeling verklaringen
of rapportages over personen af te geven, onder welke naam en van welke aard ook en
ongeacht met welk doel. Het Regionaal Tuchtcollege heeft verder bepaald dat de maatregel
onmiddellijk van kracht wordt en publicatie van de beslissing gelast.
Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de huisarts.
2. Verloop van de procedure
2.1 De huisarts heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 25 maart 2025 met nummer Z2024/7749 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:34). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift en het verweerschrift. Daarnaast heeft klaagster diverse, aanvullende, stukken ingediend.
2.3 De zaak is op de zitting van 21 januari 2026 behandeld. Aanwezig waren de huisarts,
bijgestaan door haar gemachtigde, en klager, bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen
hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen
van zowel de huisarts als van klager zijn aan het dossier toegevoegd.
Tijdens de zitting is verder de heer E., gepensioneerd kinder- en jeugdpsychiater
en gezinstherapeut, gehoord als getuige-deskundige.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2 Klager is de vader van F., geboren in 2011. Hij heeft samen met de moeder het ouderlijk gezag over F. Klager is gescheiden van de moeder van F. De moeder van F. heeft een nieuwe partner en woont in J. Vader en moeder van F. zijn verwikkeld in een juridische strijd rond F.
3.3 Verweerster is BIG-geregistreerd als huisarts. Zij heeft op 28 november 2022
een
verklaring opgesteld waarin zij stelt dat zij F. op 26 november 2022 uitgebreid
heeft gesproken. In deze verklaring schrijft zij onder meer:
“Er is blijkbaar sprake van een civiele procedure op initiatief van de F. genetische
vader (…) over de verblijfplaats van dochter F. geboren in 2011. Hij verzoekt tot
UHP/OTS. In dat kader heb ik F. uitgebreid gesproken 26 november jl. Daarbij is mijn
ogen sprake van een gezonde moeder-dochter-verhouding.(…)
(…) Er is sprake van een melding bij G. in juni 2019 na een politiemelding ivm dreigend
gedrag van vader C. jegens moeder A. De bedreiging gaat dus van vader zelf uit en
niet van moeder. Ouderverstoting door moeder is volstrekt onlogisch. Vader vormt zelf
de bedreiging. Verder is er volgens mij naar aanleiding van mijn gesprek met F. sprake
van sexueel grensoverschrijdend gedrag door vader C. dat behoorlijk ver gaat en misbruik
genoemd zou moeten worden (…)
(…) F. wil absoluut niet bij haar vader wonen. De wens van dit meisje zou gerespecteerd
moeten worden. En mijns inziens doet de moeder er goed aan F. te beschermen tegen
vader. Een uithuisplaatsing lijkt volstrekt onzinnig en indruisend tegen bescherming
van dit kind.”
3.4 Klager kreeg op 7 december 2022 via de rechtbank kennis van dit verslag van
verweerster. Dit stuk werd ingebracht in de civiele procedure door de moeder van
F. Klager heeft verweerster per e-mail benaderd en haar verzocht contact met hem op
te nemen, omdat hij als ouder met gezag vragen had over het onderzoek van verweerster
bij F. Verweerster heeft op 30 januari 2023, na herhaalde verzoeken van klager, per
e-mail gereageerd. Zij deelde klager mee dat zij geen informatie kan geven omdat zij
dat niet in het belang van F. acht. Dit is volgens verweerster in overeenstemming
met de regels van de KNMG.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verweet de huisarts bij het Regionaal Tuchtcollege dat zij
1. zijn dochter heeft onderzocht/behandeld zonder zijn toestemming als gezaghebbende
ouder;
2. ongefundeerde en belastende uitlatingen heeft gedaan over klager en zijn dochter
die haar competentiegebied overstijgen. Deze uitlatingen zijn in strijd met gegronde
bevindingen van de bevoegde rechtbank Overijssel en in strijd met de bevindingen van
de door deze rechtbank aangestelde psycholoog-deskundige en de Raad voor de Kinderbescherming;
3. klager als gezaghebbende ouder geen informatie heeft gegeven over het onderzoek/behandeling
van zijn dochter en over de mogelijkheden tot het indienen van een klacht over haar
werkwijze.
4.2 De huisarts is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de klacht opnieuw beoordeelt en alsnog ongegrond verklaart.
4.3 Klager voert verweer en vraagt het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen en aan de huisarts een duidelijke maatregel op te leggen.
4.4 Het gevolg is dat de oorspronkelijke klacht in volle omvang ter beoordeling voor ligt.
Inhoudelijke beoordeling
4.5 Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen van het Regionaal
Tuchtcollege, maar ziet - naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd - reden
uiteen te zetten waarom het handelen van de huisarts de tuchtrechtelijke toets ter
kritiek niet kan doorstaan.
4.6 In beroep staat vast dat de door de huisarts op 28 november 2022 opgestelde verklaring moet worden aangemerkt als een deskundigenverklaring.
4.7 Volgens vaste jurisprudentie van het CTG moet een deskundigenverklaring aan
de volgende criteria voldoen:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op
welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege overweegt allereerst dat de verklaring van de huisarts geen blijk geeft van een geschikte methode van onderzoek. Hiertoe overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de huisarts heeft nagelaten om de vader van F. te informeren over en toestemming te vragen voor het gesprek met F. en het opstellen van de verklaring. Dit had de huisarts wel moeten doen.
4.9 De huisarts heeft in beroep erkend dat zij de vader mogelijk had moeten inlichten, maar de huisarts zou, zo heeft zij tijdens de zitting in beroep verklaard, hem nooit om toestemming hebben gevraagd voor het onderzoek en de rapportage, omdat zij uitsluitend handelde om het belang van F. te beschermen. Het bestaan van een eventuele zorgelijke situatie ontslaat de huisarts evenwel niet van de wettelijke verplichting om toestemming te vragen aan de ouder met gezag voor onderzoek en rapportage. Dat op voorhand duidelijk was dat de vader geen toestemming zou verlenen, zoals door de huisarts wordt aangevoerd, ontslaat de huisarts evenmin van haar verplichting om toestemming aan de vader te vragen.
4.10 Het Centraal Tuchtcollege is verder van oordeel dat in het rapport niet op inzichtelijke en consistente wijze uiteen is gezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen én dat de huisarts met het opstellen van haar verklaring niet is gebleven binnen de grenzen van haar deskundigheid. Hiertoe overweegt het Centraal Tuchtcollege dat F. al verschillende keren was onderzocht en er meerdere rapportages over haar waren opgesteld, waaronder verslagen van politieverhoren, forensisch politieonderzoek, medisch onderzoek, forensisch psychologisch onderzoek en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Niet is gebleken, en door de huisarts is op geen enkele wijze onderbouwd dan wel inzichtelijk gemaakt waarom de inhoud van deze uitvoerige onderzoeken en rapporten zonder nadere toelichting ter zijde gesteld konden worden. Ook is op geen enkele manier gebleken dat de huisarts beschikte over de deskundigheid om zulke verstrekkende conclusies te trekken.
4.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door de huisarts opgestelde rapportage niet voldoet aan de daarvoor gestelde criteria. Dat betekent dat de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat de klacht in zoverre gegrond is.
4.12 De huisarts heeft tot slot nog aangevoerd dat zij - in het belang van het kind - op grond van internationale verdragen mocht besluiten om voorbij te gaan aan nationale wet- en regelgeving, meer in het bijzonder aan het informeren van de vader over het gesprek met F. en het vragen van toestemming aan de vader voor dit gesprek. De huisarts wijst in dit kader op het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en op het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van H.).
4.13 Het Centraal Tuchtcollege gaat aan deze stelling van de huisarts voorbij. Het doel van beide verdragen, namelijk het beschermen van kinderen en vrouwen in kwetsbare situaties staat voor het Centraal Tuchtcollege niet ter discussie. Het is alleen niet zo dat een arts met een beroep op beide verdragen mag besluiten om in Nederland geldende regels te negeren, zeker niet nu in deze regels zelf ruimte is opgenomen om in noodsituaties bepaalde informatie- en toestemmingsregels (tijdelijk) niet toe te passen. Het Centraal Tuchtcollege deelt de opvatting van het Regionaal Tuchtcollege dat in deze zaak van een dergelijke noodsituatie geen sprake was. Voor het niet-betrekken van de vader in het gesprek met en de rapportage over F. was dus geen rechtvaardiging.
Conclusie
4.14 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klacht gegrond is en het beroep
van de huisarts moet worden verworpen.
Maatregel
4.15 Het Regionaal Tuchtcollege heeft ten aanzien van de op te leggen maatregel
het volgende overwogen:
“Het college staat nu voor de vraag welke maatregel passend is. Verweerster heeft
– gebruik makend van haar gezag als huisarts – zowel procedureel als inhoudelijk op
volstrekt onaanvaardbare basis een verklaring afgelegd over een minderjarige en haar
vader, bedoeld om gebruikt te worden in een rechterlijke procedure over ondertoezichtstelling.
Zij heeft geen blijk gegeven van inzicht in het kwalijke en onprofessionele karakter
van haar handelen jegens vader en kind, noch had zij het juridisch kader scherp. Methodologisch
voldeed haar verklaring aan geen enkele eis die daaraan gesteld mag worden. Haar optreden
acht het college schadelijk voor de direct betrokkenen. Omdat herhaling moet worden
voorkomen en verweerster geen inzicht toont, acht het college een gedeeltelijke ontzegging
van de bevoegdheid om haar beroep uit te oefenen, in de zin van artikel 48, eerste
lid, onderdeel e, van de Wet BIG, noodzakelijk. De ontzegging betreft het in de hoedanigheid
van huisarts of arts afgeven van verklaringen of rapportages onder welke naam en van
welke aard ook en ongeacht met welk doel, over personen. Het belang van de bescherming
van de individuele gezondheidszorg vordert in dit geval dat de maatregel onmiddellijk
van kracht wordt (artikel 48, lid 8, Wet BIG). Het college merkt nog op dat deze ontzegging
er niet aan in de weg staat dat verweerster in voorkomende gevallen informatie uit
het patiëntendossier deelt over patiënten waarvan zij behandelaar is, voor zover de
wet en richtlijnen dat toestaan. Daarbij dient verweerster zich, net als iedere andere
behandelaar, te onthouden van geneeskundige verklaringen. Indien zij als behandelend
arts of huisarts toch overgaat tot het afleggen van een geneeskundige verklaring,
schendt zij ook daarmee voornoemde gedeeltelijke ontzegging.”
4.16 Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft deze overweging van het Regionaal Tuchtcollege. Weliswaar heeft de huisarts tijdens de zitting in beroep verklaard dat zij de vader wellicht had moeten inlichten en dat zij het mooier of beter had kunnen doen, maar tegelijkertijd heeft de huisarts ook verklaard dat zij de vader nooit om toestemming zou hebben gevraagd. Ook anderszins heeft de huisarts op geen enkele wijze inzicht in de onjuistheid van haar handelen en in de gevolgen van haar handelen voor de vader getoond. Gelet op deze houding van de huisarts en haar verklaringen tijdens de zitting in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege ernstig overwogen om te komen tot de maatregel van doorhaling van haar inschrijving als arts in het BIG-register. Het Centraal Tuchtcollege heeft hier uitsluitend van afgezien, omdat de huisarts tijdens de zitting in beroep heeft verklaard dat zij geen werkzaamheden als arts meer uitvoert. Verder heeft de huisarts verklaard dat zij op korte termijn het BIG-register zal aanschrijven om zich uit het BIG-register te laten uitschrijven. Onder deze omstandigheden kan worden volstaan met de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel.
Publicatie
4.17 Om redenen ontleend aan het algemeen belang zal het Centraal Tuchtcollege
bepalen dat onderhavige beslissing op na te noemen wijze wordt bekend gemaakt.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep van de huisarts;
verstaat dat de maatregel van gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid van de huisarts om haar beroep uit te oefenen, in die zin dat het de huisarts niet is toegestaan om in de hoedanigheid van huisarts of arts schriftelijk en/of mondeling verklaringen of rapportages over personen af te geven, onder welke naam en van welke aard ook en ongeacht met welk doel, welke maatregel onmiddellijk van kracht wordt, in stand blijft;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan-geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is genomen door E.J. Daalder, voorzitter,
J. Legemaate en H.M. Wattendorff, leden-juristen, en W. de Ruijter en P. Tiemens,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.