ECLI:NL:TGZCTG:2026:40 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2817

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:40
Datum uitspraak: 11-03-2026
Datum publicatie: 11-03-2026
Zaaknummer(s): C2025/2817
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een huisarts. Klager verwijt de huisarts dat hij, ondanks verzoeken van klager en ondanks duidelijke signalen omtrent zorgen over de veiligheid van klagers kind en van andere kinderen, geen melding heeft gedaan bij Veilig Thuis. Klager verwijt de huisarts verder dat hij – door in zijn verweer tegen de klacht van klager gebruik te maken van het medisch dossier van klager – de privacy van klager ernstig heeft geschonden. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2817 van:

A., wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
 hierna: klager,
 gemachtigde: C., wonende te D.,

tegen

E., werkzaam te B.,
verweerder in beide instanties, 
hierna: de huisarts,
gemachtigde: A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam te Amsterdam.

1.    Kern van de zaak
1.1    Klager beklaagt zich erover dat zijn huisarts, ondanks verzoeken van klager en duidelijke signalen van zorgen over de veiligheid van klagers kind en andere kinderen, geen melding heeft gedaan bij F. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

2.    Verloop van de procedure

2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 20 maart 2025 met nummer Z2024/7391 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:37). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift en het verweerschrift. 

2.3    De zaak is op de zitting van 21 januari 2026 behandeld. Namens klager waren aanwezig zijn gemachtigde en K. De huisarts was ook aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klager zijn aan het dossier toegevoegd.    

3.    Feiten

3.1    Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.

3.2    Verweerder is de huisarts van klager. Het eerste contact tussen verweerder en klager was in juni 2022. Klager gaf aan dat na een eerdere miskraam zijn vriendin weer zwanger was. Klager had een aanvaring gehad met de dochter van zijn vriendin en was daar zelf van geschrokken en had met zijn vriendin afgesproken hier iets aan te doen. Er was sprake van emotie regulatieproblematiek waarvoor klager verwezen werd naar de G. en vervolgens naar de psychiater. Klager en zijn vriendin gingen ook in systeemtherapie bij H. Er bleek een wachtlijst te zijn bij de I. praktijk en afgesproken werd dat klager contact zou houden met de G. totdat er plek was. Ondertussen liep ook de begeleiding van H. door.

3.3    In augustus 2022 had klager een afspraak met verweerder. Vanwege zijn klachten werd hij verwezen naar het J. om hartproblematiek uit te sluiten. In september 2022 besprak verweerder met klager dat er geen sprake was van cardiale problematiek en dat de tensie stress gerelateerd leek te zijn. Klager kreeg voor de hypertensie medicatie en er werd een nieuwe afspraak gemaakt bij de G.

3.4    Op 9 december 2022 liet klager weten dat zijn vriendin met haar twee kinderen bij hem kwam wonen en dat zij ook patiënt bij verweerder zouden worden. Klager en zijn vriendin zijn op 19 december 2022 getrouwd. In januari 2023 is hun dochter geboren. Op 20 februari 2023 ontving verweerder een afsluitende brief van I. In 2023 waren er contacten met verweerder en de praktijk over onder andere overgewicht en hypertensie.

3.5    Op 23 april 2024 kwam klager met zijn moeder op het spreekuur van verweerder. Klager gaf aan dat hij in een echtscheidingsprocedure zat en zich zorgen maakte over de veiligheid van zijn dochter en mogelijk ook de andere kinderen. Er waren ook conflicten met zijn partner over de voeding. Klager gaf aan dat hij voor hulp het buurtteam had benaderd. Dit team zou al betrokken zijn, maar daarvan was klager niet op de hoogte. Hij voelde zich door het buurtteam niet serieus genomen. De moeder van klager deelde ook haar zorgen met verweerder. Er waren haar zaken opgevallen toen de dochter van klager enkele dagen bij haar thuis verbleef. Verweerder gaf in dat gesprek aan dat hij contact zou opnemen met F. en er bij klager op zou terugkomen. Na dit gesprek heeft verweerder overleg gehad met een collega en heeft hij de casus anoniem aan een vertrouwensarts van F. voorgelegd. Deze zei hem dat hij geen melding kon doen op basis van eenzijdige informatie, maar dat klager of de grootouders wel een melding konden doen. Verweerder gaf klager op 24 april 2024 een terugkoppeling van dit gesprek. Klager gaf toen aan zelf een melding bij F. te hebben gedaan.

3.6    Op 10 juni 2024 ontving verweerder een brief van de vader en vertrouwenspersoon van klager. De vader gaf in deze brief aan zich zorgen te maken over de veiligheid van de drie kinderen. Op 10 juni 2024 had verweerder anoniem overleg met F. Hieruit volgde ook nu weer dat hij geen melding kon doen op basis van eenzijdige informatie. Het advies van F. was om de voormalig partner van klager op het spreekuur uit te nodigen. Op 11 juni 2024 heeft verweerder geprobeerd klager telefonisch te bereiken. Dat lukte niet. Verweerder heeft klager een e-mail gestuurd waarin hij schreef dat hij klager had geprobeerd te bereiken en dat de situatie zeker zijn aandacht had. Diezelfde dag ontving verweerder een e-mail van klager waarin klager verzocht om een gesprek met klager zelf of zijn vertrouwenspersoon. Klager stelde in deze e-mail dat de moeder van de kinderen bezig was de oudste twee kinderen tegen klager op te zetten en dat dit ernstige vormen aannam. Volgens klager probeerde de moeder ook het contact met zijn dochter te beperken. Klager gaf aan meer van verweerder nodig te hebben dan alleen maar aandacht voor de situatie. Op 12 juni 2024 had verweerder telefonisch contact met klager. Verweerder is in dit gesprek teruggekomen op het eerdere gesprek in april en gaf aan niet te kunnen ingaan op de incidenten met de oudere kinderen in verband met zijn beroepsgeheim. Klager gaf aan dat er een gesprek was geweest met F. Ook was er een aanvullende melding gedaan bij F. Er werd aanvankelijk gekeken naar mediation, maar de zaak is verwezen naar de Raad voor de Kinderbescherming. Op 14 juni 2024 ontving verweerder een brief van de vader van klager. Op 
25 juni 2024 heeft verweerder op deze brief gereageerd. Hij liet de vader van klager weten dat hij op grond van zijn beroepsgeheim geen informatie kon delen over de situatie van zijn kleinkinderen of over de moeder van de kinderen. Op 27 juni 2024 ontving verweerder een brief van de vader van klager waarin deze meedeelt dat hij zich genoodzaakt voelt om een officiële klacht bij het tuchtcollege in te dienen. Op 2 juli 2024 zond klager een e-mail naar verweerder waarin hij schreef dat zijn dochter gewond was bij haar wenkbrauw en vroeg of de moeder met zijn dochter bij verweerder in de praktijk was geweest. Verweerder heeft geprobeerd klager telefonisch te bereiken en toen dat niet lukte, heeft hij hem een e-mail teruggestuurd. Op 
3 juli 2024 heeft de vader van klager namens hem de onderhavige klacht ingediend. Op 4 juli 2024 heeft verweerder een melding gedaan bij F.

4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over
4.1    Klager verwijt de huisarts dat hij onzorgvuldig en onjuist heeft gehandeld. De huisarts heeft volgens klager niet adequaat gereageerd op signalen. Hij heeft ondanks informatie die hij kreeg en aanhoudend fysiek letsel bij de kinderen aangegeven niet op te willen treden om verdere verwaarlozing van de kinderen te voorkomen. Klager vindt dat de huisarts daarmee in gebreke is gebleven in zijn functie van huisarts. Hoewel klager hem heeft gewezen op zijn plicht en verantwoordelijkheid om geweld en calamiteiten te melden conform de Jeugdwet en de Wet Maatschappelijke ondersteuning, heeft hij dit niet gedaan. De huisarts heeft de situatie volgens klager gebagatelliseerd en heeft niet gehandeld volgens de op hem van toepassing zijnde meldcode. Tot slot verwijt klager de huisarts dat hij door in zijn verweerschrift gebruik te maken van het dossier van klager de privacy van klager ernstig heeft geschonden. 

4.2    Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard. 


4.3    De huisarts voert in beroep gemotiveerd verweer en vraagt het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen. 

Toetsingskader
4.4    Zoals het Regionaal Tuchtcollege ook al heeft overwogen, dient het Centraal Tuchtcollege te beoordelen of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. De norm daarvoor is ‘de redelijk bekwame en redelijk handelende’ arts. Het gaat er niet om of de huisarts, achteraf beschouwd, misschien beter of anders had kunnen handelen, maar of hij redelijkerwijs heeft kunnen handelen zoals hij heeft gedaan.

Inhoudelijke beoordeling
4.5    Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege en komt net als het Regionaal Tuchtcollege tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 

4.6    In aanvulling op de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege overweegt het Centraal Tuchtcollege het volgende. 
In beroep heeft de huisarts uitvoerig toegelicht op welke wijze hij de KNMG-meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld heeft gevolgd. Naast het contact dat de huisarts had met klager heeft de huisarts diverse keren contact gehad met de moeder. Daarnaast heeft de huisarts meermaals de vertrouwensarts van F. benaderd en zich laten informeren en adviseren. Uit de verklaringen van de huisarts tijdens de zitting in beroep blijkt bovendien dat de huisarts nadrukkelijk en op verschillende momenten heeft gereflecteerd op zijn handelen. De huisarts was zich ervan bewust dat hij de regie over deze complexe situatie, waarbij de huisarts niet alleen de huisarts van klager was, maar ook die van de moeder en de kinderen, zou kunnen kwijtraken. Daarom heeft de huisarts ook nog intervisie en feedback op zijn handelen bij collega’s gevraagd en gekregen. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de huisarts zorgvuldig te werk is gegaan en dat hij de voorzichtigheid waar deze precaire situatie om vroeg in acht heeft genomen. Het Centraal Tuchtcollege heeft begrip voor de zorgen van (de gemachtigde) klager en zijn moeder over de dochter van klager en de andere kinderen van de moeder, maar het Centraal Tuchtcollege is niet gebleken van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de huisarts. 

4.7    Klager voert nog aan dat de huisarts op 4 juli 2024 een melding bij F. heeft gedaan, omdat klager op 3 juli 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege een klacht heeft ingediend. De huisarts heeft in dit kader verklaard dat hij pas in september 2024 van het Regionaal Tuchtcollege bericht kreeg over de door klager ingediende klacht. Deze verklaring komt het Centraal Tuchtcollege geloofwaardig voor. Ook hierin ziet het Centraal Tuchtcollege geen reden om de huisarts enig tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Conclusie
4.8    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager zal worden verworpen. 

5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is genomen door E.J. Daalder, voorzitter, 
J. Legemaate en H.M. Wattendorff, leden-juristen, en W. de Ruijter en P. Tiemens, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. van Esveld, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026.
Voorzitter w.g.      Secretaris  w.g.