ECLI:NL:TGZCTG:2026:39 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2980

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:39
Datum uitspraak: 11-03-2026
Datum publicatie: 11-03-2026
Zaaknummer(s): C2025/2980
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een huisarts. De moeder van klaagster (patiënte) was onder behandeling bij de huisarts. Patiënte was bekend met onder andere diabetes en een hoge bloeddruk. Klaagster verwijt de huisarts, samengevat, dat hij onvoldoende adequaat heeft gereageerd op de klachten van patiënte en haar onvoldoende zorg heeft verleend, waardoor zij uiteindelijk een hersenbloeding heeft gekregen. Het Regionaal Tuchtcollege oordeelt dat de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden en verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2980 van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster, 

tegen

C., huisarts, werkzaam te D., verweerder in beide instanties, 
hierna: de huisarts, gemachtigde: mr. A.C.I.J Hiddinga, werkzaam te Amsterdam.

1.    Kern van de zaak

1.1    De moeder van klaagster (hierna: patiënte) was onder behandeling bij de huisarts. Patiënte was bekend met onder andere diabetes en een hoge bloeddruk. Klaagster verwijt de huisarts, samengevat, dat hij onvoldoende adequaat heeft gereageerd op de klachten van patiënte en haar onvoldoende zorg heeft verleend, waardoor zij uiteindelijk een hersenbloeding heeft gekregen. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep.


2.    Verloop van de procedure

2.1    Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 26 augustus 2025 met nummer Z2025/7975 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:98). 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier (waaronder het volledige huisartsendossier van patiënte), het beroepschrift, het aanvullende beroepschrift, het verweerschrift in beroep en de pleitnota van klaagster.

2.3    De zaak is op de zitting van 11 februari 2026 behandeld. De huisarts was aanwezig en werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.C.I.J. Hiddinga. De huisarts heeft zijn standpunt toegelicht en vragen van het Centraal Tuchtcollege beantwoord. Klaagster is met bericht niet op de zitting verschenen.     


3.    Feiten

3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten. 

3.2    Klaagster is de dochter van patiënte. Patiënte is geboren in 1947 en eind 2024 overleden. Zij stond meer dan 25 jaar als patiënte ingeschreven bij de praktijk van de huisarts. Patiënte was sinds 1997 bekend met diabetes type 2. Daarnaast had zij overgewicht, een hoge bloeddruk en hartritmestoornissen. Patiënte sprak geen/slecht Nederlands. Communicatie tussen patiënte en de huisarts/de medewerkers van de huisarts vond plaats via een van de kinderen van patiënte. 

3.3    Patiënte kwam regelmatig bij de huisarts vanwege haar medische problemen en voor controles van o.a. diabetes. Vanaf juni 2022 is patiënte ook gezien door verschillende medisch specialisten, waaronder meerdere cardiologen, een MDL-arts en een longarts. In oktober 2023 werd patiënte op verzoek van de cardioloog voor verdere controle weer naar de huisarts terugverwezen, waarbij er toen reeds sprake was van een hoge bloeddruk, met een systolische druk van boven de 180 mmHg. Na een aantal aanpassingen in de medicatie zakte de bloeddruk eind december 2023 tot 140/70 mmHg. 
3.4    De bloeddruk liep vervolgens weer op, waarbij ook door combinatie van medicatie de patiënte een laag zoutgehalte in haar bloed kreeg (hyponatriëmie). In mei 2024 verwees de huisarts patiënte in verband met klachten passend bij het lage zoutgehalte naar de internist. Nadien nam de huisarts de controles op verzoek van de internist weer op zich. Er werden verscheidene pogingen gedaan om een halfuurs-meting van de bloeddruk te doen, maar dit verliep soms moeizaam. De bloeddrukken bleven hoog. In verband met de eerdere hyponatriëmie was het voorschrijven van plastabletten gecontra-indiceerd. De huisarts schreef medio juli 2024 een SGLT 2 remmer voor, met het verzoek aan (familie van) patiënte om daarna een bloeddrukcontrole te laten doen. Ongeveer anderhalve week na de start van dit medicijn, mislukte een halfuursmeting. Begin augustus bleek uit telefonisch contact dat patiënte de nieuwe medicatie niet meer innam, terwijl de huisarts adviseerde de medicatie wel te blijven gebruiken. De huisarts nam 19 augustus 2024 telefonisch contact op met de familie, omdat patiënte niet op controle kwam en het er vanuit het dossier op leek dat patiënte de nieuwe medicatie niet innam. Hij heeft toen geadviseerd om de medicatie wel in te nemen en heeft het belang daarvan onderstreept. Patiënte is kort daarna vertrokken naar E.. In E. kreeg patiënte een beroerte. Tijdens de behandeling daarvan kreeg zij een hersenbloeding. Enkele maanden later is zij – na een langdurig verblijf in het ziekenhuis – in Nederland overleden. 

4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over
4.1    Klaagster verwijt de huisarts dat hij de klachten van patiënte onvoldoende serieus heeft genomen en haar – en dan met name haar hoge bloeddruk en haar diabetes – niet goed heeft behandeld. Zo zijn er volgens klaagster onvoldoende controles uitgevoerd en was de bloeddrukmeter vaak kapot. Ook heeft de huisarts geweigerd patiënte naar het ziekenhuis te verwijzen, waardoor zij een hersenbloeding heeft gekregen, aldus klaagster.  

4.2    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de klacht alsnog gegrond te verklaren. 

4.3    De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klaagster te verwerpen. 

4.4    Dit betekent dat de oorspronkelijke klacht in volle omvang ter beoordeling van het Centraal Tuchtcollege voorligt. 

Toetsingskader
4.5    Het Centraal Tuchtcollege heeft oog voor het verdriet dat klaagster en haar familie hebben van het overlijden van patiënte. Dit college zal echter op een zakelijke manier de vraag moeten beantwoorden of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt dat het handelen van de huisarts los gezien moet worden van het latere beloop van de gezondheidstoestand van patiënte en haar overlijden. De huisarts had die kennis op het moment van het handelen immers ook niet.  

Inhoudelijke beoordeling
4.6    Klaagster betoogt in beroep dat het Regionaal Tuchtcollege is uitgegaan van onjuiste verklaringen van de huisarts. Zij stelt dat haar moeder zeer zorgvuldig omging met haar gezondheid, altijd haar medicatie op tijd innam en volledig meewerkte aan de bloeddrukmetingen. Volgens klaagster heeft de huisarts niet adequaat gereageerd op de aanhoudend hoge bloeddruk en suikerwaarden en heeft hij signalen van verslechtering onvoldoende serieus genomen. 

4.7    Het Centraal Tuchtcollege deelt dit standpunt van klaagster niet. Het college is het eens met de overwegingen 4.4 tot en met 4.6 van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en het daarin neergelegde oordeel dat de huisarts zijn beleid aangaande de diabetes en de hoge bloeddruk van patiënte genoegzaam heeft onderbouwd en adequaat heeft gehandeld. Het Centraal Tuchtcollege neemt deze overwegingen hier integraal over. Het door klaagster ingestelde beroep geeft het Centraal Tuchtcollege wel aanleiding tot de volgende aanvullende opmerkingen. 

4.8    De huisarts was al meer dan 25 jaar bij de zorg voor patiënte betrokken en kende haar goed. Duidelijk is dat bij patiënte als gevolg van haar verschillende aandoeningen sprake was van een complexe medische situatie. Omdat patiënte niet goed Nederlands sprak, verliep de communicatie met haar soms moeizaam. Om die reden heeft de huisarts met haar familie afgesproken dat steeds één van hen bij de consulten aanwezig zou zijn. In het laatste half jaar voor het vertrek van patiënte naar E. was er meer dan 40 keer contact tussen de praktijk van de huisarts en patiënte of haar familie, voor controle of overleg. Soms was daarbij sprake van misverstanden over de voorgeschreven medicatie en het medicatiegebruik. Dat is spijtig maar helaas niet altijd te voorkomen en het college heeft niet kunnen vaststellen dat deze misverstanden alleen aan de huisarts te wijten zijn. 

4.9    Of de bloeddrukmeter vaak kapot was, zoals klaagster stelt, kan het Centraal Tuchtcollege niet vaststellen, nu de lezingen van klaagster en de huisarts hierover uiteenlopen en aanvullend bewijs ontbreekt. 

4.10    Vast staat wel dat de huisarts in de periode dat patiënte een veel te hoge bloeddruk had steeds heeft gehandeld door controles en/of medicatieaanpassingen af te spreken of door patiënte naar een specialist te verwijzen. Hij heeft ook meermalen aandacht gevraagd voor de noodzaak van medicatietrouw. De huisarts heeft zich naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege al met al voldoende ingespannen om de bloeddruk van patiënte te verlagen en stabiel te houden en om de diabetes optimaal te reguleren. Dat het desondanks niet is gelukt om de bloeddruk van patiënte voldoende laag te houden is spijtig, maar kan de huisarts niet worden verweten. Voor de diabetes geldt dat deze weliswaar niet optimaal ingesteld was, maar wel paste binnen de streefwaarden voor een kwetsbare patiënt op deze leeftijd. 

4.11    De conclusie is dat de huisarts voldoende zorgvuldig heeft gehandeld en ter zake van zijn beleid aangaande de diabetes en de hoge bloeddruk geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Conclusie
4.12    Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep verwerpen.  


5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: 

verwerpt het beroep. 



Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, S.M. Evers en T.W.H.E. Schmitz, leden juristen, en W. de Ruijter en O.T.M. Schouten, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026.
        Voorzitter   w.g.                Secretaris  w.g.