ECLI:NL:TGZRZWO:2025:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/7975
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:98 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-08-2025 |
| Datum publicatie: | 28-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/7975 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts kennelijk ongegrond. De moeder van klaagster (patiënte) was onder behandeling bij de huisarts. Patiënte was bekend met onder andere diabetes en een hoge bloeddruk. Klaagster verwijt de huisarts, samengevat, dat hij onvoldoende adequaat heeft gereageerd op de klachten van patiënte en haar onvoldoende zorg heeft verleend, waardoor zij uiteindelijk een hersenbloeding heeft gekregen. Het college oordeelt dat de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 26 augustus 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
huisarts,
(destijds) werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. A.C.I.J. Hiddinga.
1. De zaak in het kort
1.1 De moeder van klaagster (hierna: patiënte) was onder behandeling bij de huisarts.
Patiënte was bekend met onder andere diabetes en een hoge bloeddruk. Klaagster verwijt
de huisarts, samengevat, dat hij onvoldoende adequaat heeft gereageerd op de klachten
van patiënte en haar onvoldoende zorg heeft verleend, waardoor zij uiteindelijk een
hersenbloeding heeft gekregen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 6 januari 2025;
- de brief van de secretaris met het verzoek om aanvulling van de klacht,
verzonden op 28 januari 2025; - het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 20 februari 2025;
- aanvullende digitale documenten, te weten een medisch patiëntendossier van patiënte uit het ziekenhuis, opgestuurd door klaagster op 17 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, waarop artikel 67 lid 3 van de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) van toepassing is verklaard, voor zover
het de inhoud van het medisch patiëntendossier van de huisarts betreft.
2.2 Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De klacht en de reactie van de huisarts
3.1 Klaagster verwijt de huisarts dat hij de klachten van patiënte niet serieus
heeft genomen en haar niet goed heeft behandeld. Zo was de bloeddrukmeter vaak kapot
en zijn er onvoldoende controles uitgevoerd. Ook is geweigerd patiënte naar het ziekenhuis
te verwijzen, waardoor patiënte een hersenbloeding heeft gekregen.
3.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
Hij heeft er alles aan gedaan om de bloeddruk en diabetes van patiënte te reguleren.
Ook was patiënte onder behandeling bij diverse specialisten, die er evenmin in slaagden
de bloeddruk te reguleren.
3.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1 Het college moet de ingediende klacht beoordelen aan de hand van zakelijke
criteria. Daarbij gaat het erom of verweerder als huisarts de zorg heeft verleend
die van hem verwacht mocht worden, met andere woorden: of hij op het moment dat hij
betrokken was bij de zorg voor patiënte, voldoende zorgvuldig zijn werk heeft gedaan.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en professionele
standaarden. Het college stelt tot slot voorop dat het handelen van de huisarts los
gezien moet worden van het verdere verloop van de gezondheidstoestand van patiënte,
omdat de huisarts die kennis op het moment van handelen ook niet had.
Beoordeling klachten
4.2 In verband met de samenhang zal het college de klachtonderdelen gezamenlijk behandelen. Klaagster verwijt de huisarts, samengevat, dat hij onvoldoende zorg heeft verleend aan patiënte en weigerde haar door te verwijzen naar het ziekenhuis, met alle gevolgen van dien.
4.3 Klaagster is de dochter van E (patiënte). Patiënte is geboren in 1947 en overleden
op 21 november 2024 en stond ingeschreven bij de praktijk van de huisarts. Patiënte
was sinds 1997 bij de huisarts bekend met diabetes type 2. Tevens had zij overgewicht,
hartritmestoornissen en een hoge bloeddruk. Patiënte kwam regelmatig bij de huisarts
vanwege haar medische problemen. In oktober 2023 werd patiënte op verzoek van de cardioloog
voor controle weer naar de huisarts verwezen. Na een aantal aanpassingen in de medicatie
zakte de bloeddruk in januari 2024 tot rond de 145. De bloeddruk liep vervolgens weer
op en patiënte kreeg een laag zoutgehalte in haar bloed (hyponatriëmie). In mei 2024
verwees de huisarts patiënte naar de internist en in juli 2024 nam de huisarts de
controles op verzoek van de internist weer op zich. De huisarts schreef vervolgens
een SGLT-2 remmer voor met een verzoek om een bloeddrukcontrole aan patiënte. Begin
augustus bleek dat patiënte de medicatie niet innam. De huisarts nam 19 augustus 2024
nog telefonisch contact op met de familie omdat patiënte niet op controle kwam en
de voorgeschreven medicatie niet innam. De huisarts onderstreepte het belang van inname
en heeft gevraagd patiënte binnen twee weken haar bloeddruk te laten controleren.
Patiënte is zonder bloeddrukcontrole vertrokken naar F, waar zij een hersenbloeding
kreeg.
4.4 Naar het oordeel van het college heeft de huisarts zijn beleid aangaande
de controles van diabetes en hypertensie (hoge bloeddruk) in het verweerschrift genoegzaam
onderbouwd. Op het moment dat de huisarts op het verzoek van de cardioloog de controles
van de bloeddruk weer op zich nam, was de bloeddruk van patiënte hoog. De huisarts
heeft op deze te hoge bloeddruk steeds gehandeld door controle en/of medicatie aanpassingen
af te spreken of patiënte te verwijzen naar een specialist. De huisarts erkent dat
het meten van de bloeddruk bij patiënte moeizaam verliep, maar stelt dat patiënte
zich bij de meting soms erg aanspande of de manchet lostrok zodat de metingen mislukten.
Het college kan niet vaststellen of hetgeen klaagster stelt, namelijk dat de bloeddrukmeter
vaak kapot was, klopt nu de lezingen van klaagster en de huisarts over de gang van
zaken uiteenlopen.
4.5 Volgens de NHG-standaard Diabetes mellitus type 2 is de streefwaarde HbA1c bij patiënten ouder dan 70 bij een ziekteduur van meer dan 10 jaar 54-64 mmol/mol. Voor kwetsbare ouderen met een korte levensverwachting (arbitrair < 5 jaar) zijn HbA1c-waarden tot 53-69 mmol/mol acceptabel. Volgens het verweerschrift was patiënte bekend met hartritmestoornissen en hartfalen. Dat tezamen met langdurige diabetes, hypertensie en overgewicht geeft het college de indruk dat zij kwetsbaar was. Uit de grafiek, behorend bij productie 1 van het verweerschrift, volgt dat de waarde schommelde tussen de 55 en 67 mmol/mol. Het college oordeelt dat de diabetes van patiënte niet optimaal geregeld was, maar dat deze waarden, zoals de huisarts terecht stelt, binnen de streefwaarden vielen.
4.6 Tot slot stelt het college vast dat uit het dossier een grote betrokkenheid blijkt van de kinderen van patiënte bij haar welzijn. Uit het dossier volgt echter niet dat over een gewenste opname van patiënte is gesproken, zodat het klachtonderdeel dat is geweigerd patiënte naar het ziekenhuis te verwijzen, niet kan worden vastgesteld.
Slotsom
4.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat de klacht kennelijk ongegrond is.
5. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 26 augustus 2025 door Th.A. Wiersma, voorzitter,
C.B.M. Dechesne en M. van Bergeijk, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.