ECLI:NL:TGZCTG:2026:37 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3054 VZ
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:37 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-03-2026 |
| Datum publicatie: | 04-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/3054 VZ |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing in een klacht tegen een huisarts. Klaagster is ontevreden over de zorg van de huisarts. Zij verwijt de huisarts dat hij haar bij twee consultafspraken in de wachtkamer heeft genegeerd en dat hij niet heeft gereageerd toen klaagsterna een afspraak in het ziekenhuis contact zocht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege wijst het beroep af omdat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing van die van het Regionaal Tuchtcollege. |
D E V O O R Z I T T E R V A N H E T C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3054 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., huisarts,
werkzaam in B.,
verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam in Hilversum.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster is ontevreden over de zorg van de huisarts. Zij verwijt de huisarts
dat hij haar bij twee consultafspraken in de wachtkamer heeft genegeerd en dat hij
niet heeft gereageerd toen klaagster na een afspraak in het ziekenhuis contact zocht.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is het daarmee eens. Zij is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep afwijzen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 10 oktober 2025 met nummer A2025/8202 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:241).
2.2 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, van het beroepschrift van 19 oktober 2025 en van het verweerschrift in beroep van 23 januari 2026.
3. De feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege, gaat de voorzitter uit van de volgende
feiten.
3.2 Klaagster en haar dochter waren patiënt bij de huisarts. Op 17 maart 2023 kwam klaagster voor haar dochter bij de huisartsenpraktijk van de huisarts. Nadat zij lang in de wachtkamer hebben gezeten en niet werden binnengeroepen, zijn zij weggegaan.
3.3 Op 2 november 2023 kwam klaagster samen met haar dochter bij de huisarts. De dochter van klaagster had klachten aan haar voet. De huisarts heeft de dochter gezien en om een breuk uit te laten sluiten voor een foto verwezen naar het ziekenhuis.
3.4 Op 19 februari 2025 had klaagster voor haarzelf om 16:10 uur een afspraak bij de huisarts. Na bijna een uur werd zij nog niet geholpen en is zij naar huis gegaan.
4. De klacht
In het klaagschrift verweet klaagster de huisarts dat hij a) haar heeft genegeerd
in de wachtkamer in maart 2023 en februari 2025 en b) niet heeft gereageerd toen klaagster
op 2 november 2023 na de afspraak in het ziekenhuis voor haar dochter contact zocht.
Het Regionaal Tuchtcollege heeft beide klachtonderdelen ongegrond verklaard.
5. De beoordeling van het beroep
5.1 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege moet, net als het Regionaal Tuchtcollege,
beoordelen of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 De voorzitter is van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht
en op goede gronden ongegrond heeft verklaard. De voorzitter sluit aan bij deze uitspraak
en de daaraan ten grondslag liggende onderbouwing en neemt deze over. Dit leidt tot
het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege van
10 oktober 2025. De inhoud van de stukken in beroep geven wel aanleiding tot een
paar aanvullende opmerkingen.
5.3 Er heeft zich een paar maal een vervelend misverstand voorgedaan waardoor klaagster twee keer is weggegaan na lang op de huisarts gewacht te hebben en waardoor ze eenmaal niet is teruggebeld. Het is voorstelbaar dat dit voor klaagster vervelend was. Tijdens het mondeling vooronderzoek op 8 juli 2025 is de gang van zaken rondom de consulten uitvoerig besproken tussen de huisarts en klaagster en heeft de huisarts uitleg gegeven over de wijze waarop wordt omgegaan met de afspraken.
5.4 Wat betreft de afspraak van 17 maart 2023 heeft het Regionaal Tuchtcollege
overwogen dat de huisarts die dag zelf niet aanwezig was vanwege een opname in het
ziekenhuis. In beroep is komen vast te staan dat de huisarts die dag wèl aanwezig
en werkzaam was in de praktijk. Dat maakt het oordeel echter niet anders. Dat klaagster
en haar dochter die dag de huisarts niet hebben gezien is spijtig, maar het Regionaal
Tuchtcollege heeft terecht geoordeeld dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
geen sprake was. Datzelfde geldt voor de afspraak op
19 februari 2025. Tot slot merkt de voorzitter op dat het Regionaal Tuchtcollege
ten aanzien van de pogingen van klaagster om op 2 november 2023 contact te zoeken
met de huisarts terecht heeft overwogen dat het niet ongewoon is dat een huisarts
soms even, voor niet spoedeisende zaken, niet telefonisch bereikbaar is. Ook dat kan
hem niet tuchtrechtelijk verweten worden.
5.5 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is op basis van het bovenstaande van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 10 oktober 2025. Zij zal het beroep daarom afwijzen.
6. Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
wijst het beroep af.
Aldus gewezen op 2 maart 2026 en ondertekend door Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan
door
E. van der Linde, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van
het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de
Gezondheidszorg.