ECLI:NL:TGZCTG:2026:30 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2941

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:30
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 11-02-2026
Zaaknummer(s): C2025/2941
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde. Klager is vanaf juli 2019 tot medio januari 2020 onvrijwillig opgenomen geweest in een verpleeghuis, op een gesloten afdeling voor mensen met dementie in een verpleeghuis. De specialist ouderengeneeskunde was betrokken in haar rol van BOPZ-arts. Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde onder meer dat het te lang duurde voordat hij een second opinion kreeg en dat zij hem veel eerder uit het verpleeghuis had moeten ontslaan. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en verwerpt het beroep voor het overige.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2941 van:
A., wonende in B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,

tegen

C., specialist ouderengeneeskunde, werkzaam in D., verweerster in beide instanties, hierna: de specialist ouderengeneeskunde,
gemachtigden: mr. M.M. Visser en mr. L. Bartelsman, beiden 
werkzaam in Amsterdam.

1.    Kern van de zaak

1.1    Klager is in juli 2019 onvrijwillig opgenomen in een verpleeghuis, op een gesloten afdeling voor mensen met dementie. Op 20 januari 2020 is hij daar ontslagen, nadat zijn ontslagverzoek door de rechter was toegewezen. De specialist ouderengeneeskunde was tijdens de opname bij klager betrokken in haar rol van BOPZ-arts (Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen). Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde – onder meer – dat het te lang duurde voordat hij een second opinion kreeg en dat zij klager veel eerder uit het verpleeghuis had moeten ontslaan. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel en zal klager in beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren en het beroep voor het overige verwerpen.

2.    Verloop van de procedure

2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 24 januari 2025 met nummer A2024/7945 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:172). 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift, de aanvullende gronden van het beroep en het verweerschrift.

2.3    De zaak is op de zitting van 14 januari 2026 behandeld. Klager en de specialist ouderengeneeskunde waren beiden aanwezig. Klager werd bijgestaan door zijn zoon E., tevens curator van klager, en de specialist ouderengeneeskunde werd bijgestaan door mr. L. Bartelsman. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. 

3.    Feiten

3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.

3.2    Klager is op 10 juli 2019 door een arts-assistent interne geneeskunde gezien op de poli ouderengeneeskunde. Uit de specialistenbrief van dezelfde dag, gericht aan de huisarts van klager, blijkt dat de vraagstelling was (alle citaten zijn inclusief eventuele type- en spelfouten):
“algehele teloorgang, is er sprake van onderliggende neurodegeneratie?”

In de specialistenbrief wordt verslag gedaan van de onderzoeken die hebben plaatsgevonden. De bevindingen waren:
“Het betreft een man van 74 jaar die werd verwezen in verband met algehele teloorgang. Het verhaal reconstruerend lijkt er sprake te zijn van een gedragsverandering en verlies van impuls beheersing in het afgelopen jaar mogelijk in combinatie met toenemende geheugenstoornissen. Dit lijkt ertoe te hebben geleid dat zijn altijd al aanwezige alcoholgebruik is geëscaleerd. Echter, gezien deze theorie berust op een aantal aannames meen ik dat het onzorgvuldig is om op dit moment een diagnose dementie te stellen en zou ik patiënt opnieuw willen testen nadat hij zijn alcoholgebruik heeft gestaakt. Patiënt toont echter geen enkel ziekte inzicht of -besef en is niet gemotiveerd om te stoppen met drinken. Ondertussen is wel sprake van fysieke, functionele en sociale teloorgang. (…) Op grond hiervan meen ik dat patiënt voldoet aan gevaarscriteria die een RM beoordeling rechtvaardigen met als doel een (eventueel gedwongen) opname om te ontwennen van alcohol en aanvullende diagnostiek te doen naar neurodegeneratie. (…)”

3.3    Op 11 juli 2019 is klager onder curatele gesteld van zijn beide zoons. 

3.4    Van 17 juli 2019 tot en met 20 januari 2020 was klager onvrijwillig opgenomen op een gesloten afdeling voor mensen met dementie in een verpleeghuis met een inbewaringstelling (IBS) en een (voorlopige) Rechterlijke Machtiging (RM) op grond van de BOPZ. De oorspronkelijke IBS maatregel is aangevraagd door de huisarts en afgegeven op 17 juli 2019. Klager is in dat kader beoordeeld door een onafhankelijke specialist ouderengeneeskunde (niet zijnde de specialist ouderengeneeskunde) en een psychiater. 

3.5    Tijdens de opname van klager was de specialist ouderengeneeskunde BOPZ-arts en een van de twee eerste geneeskundigen van de instelling. De specialist ouderengeneeskunde was niet een van de behandelend artsen van klager en was tijdens de opname van klager alleen betrokken in haar rol van BOPZ-arts. De andere specialisten ouderengeneeskunde, die wél behandelaar van klager waren, worden hierna ‘behandelend SOG’ genoemd.

3.6    Omdat de aanvraag RM (of verlenging IBS) niet tijdig was gedaan moest er opnieuw een IBS aangevraagd worden, waarvoor ook opnieuw een psychiatrisch onderzoek moest plaatsvinden. De specialist ouderengeneeskunde heeft dit gecoördineerd. Op 19 augustus 2019 is de IBS door de rechter voor drie weken bekrachtigd. 

3.7    Bij de (voorbereiding van de) aanvraag voorlopige RM en de beoordeling in dat verband is de specialist ouderengeneeskunde niet betrokken geweest. Een behandelend SOG was op 26 september 2019 bij de zitting van de rechtbank aanwezig. Zij noteerde onder meer in het dossier dat de RM werd toegekend voor twee maanden en dat de rechtbank op verzoek van klager een onafhankelijke beoordelaar had benoemd voor het geven van een second opinion over de diagnose. 

3.8    Uit de notities van een behandelend SOG in het medisch dossier van 21 en 22 oktober 2019 blijkt dat klager het niet eens was met de uitkomst van de door de rechter opgedragen second opinion. Klager wilde ook graag een second opinion bij de internist ouderengeneeskunde in het ziekenhuis. Daarvoor is een aanvraag gedaan. Ook is genoteerd dat het geen second opinion betrof maar een vervolgonderzoek, omdat klager al eerder op de betreffende afdeling was geweest en het eerdere onderzoek niet compleet was in verband met het alcoholgebruik van klager. 

3.9    Uit het dossier blijkt dat in deze periode concrete mogelijkheden zijn onderzocht om klager naar een beter bij hem passende omgeving te kunnen overplaatsen. Ook zijn er afspraken gemaakt over de vrijheden die aan klager konden worden gegeven. 

3.10    Op 3 december 2019 heeft de behandelend SOG onder meer in het dossier genoteerd:
“- patient heeft veel vrijheden. Dit gaat grotendeels goed. Probleem blijft echter alcoholgebruik. Als patient er twee heeft genomen dan vraagt hij vaak nog meer. Sommige collega’s en familie vinden het moeilijk om hiermee om te gaan. 
- vanochtend waarschuwing gehad (ivm meer dan 2 eenheden nemen) waar pt van geschrokken is. 
- vraag zoon: met ingang van WZD: nieuwe situatie, waarbij hij in andere woonvorm kan wonen, met meer vrijheden maar wel toezicht. Dit navragen bij BOPZ-arts, wat de opties zijn. 
(…)
- onderzoek bij [ziekenhuis]: onduidelijk of er een diagnose dementie wordt afgegeven. Als geen diagnose dan mogelijk geen grond voor RM.
Diagnose is nu vooralsnog dementie (zie oa eerdere rapportage [onafhankelijke beoordelaar]: navragen bij BOPZ-arts of dit voldoende momenteel is voor RM.”

3.11    Uit notities van 9 december en 13 december 2019 in het dossier van klager blijkt dat klagers situatie verbeterde, maar dat hij de neiging bleef houden om te veel alcohol te gebruiken. Verder is genoteerd dat gezien de problematiek van klager de afdeling waar hij verbleef niet optimaal was. Over een mogelijk verblijf van klager tijdens de jaarwisseling in een hotel is genoteerd dat dit alleen aanvaardbaar is als klagers zoon die hele periode kan instaan voor klagers veiligheid.

3.12    Op 23 december 2019 vernam de behandelend SOG van klager dat in het ziekenhuis was geconcludeerd dat er geen sprake is van dementie. De behandelend SOG heeft contact opgenomen met de neuroloog die klager had gezien en daarover in het dossier genoteerd:
“Diagnose/Conclusie: veel vasculaire schade, maar niet zo ernstig dat van vasc dementie sprake is. Drankgebruik doet zwakke evenwicht omslaan en geeft cognitieve stoornissen. Geadviseerd dat hij niet drinkt. Brief is onderweg. 
- BOPZ arts informeren en consulteren mbt vervolgstappen: Is vrijdag pas weer in huis. Ik ben er dan niet: Mailen opdat zij vrijdag leest en dan maandag 30-12 belafspraak met BOPZ arts (…)”

3.13    Op 30 en 31 december 2019 heeft blijkens het dossier uitvoerig overleg plaatsgevonden tussen de behandelend SOG en de specialist ouderengeneeskunde. Zij hebben verschillende psychiaters geconsulteerd en ook overleg gevoerd met klagers zoon. De specialist ouderen-geneeskunde heeft op 31 december 2019 in het dossier genoteerd dat er geen diagnose was die past bij een gedwongen kader, maar dat er bij klager nog steeds ernstige alcoholproblematiek speelde. Ook heeft zij opgemerkt dat zij zichzelf niet deskundig achtte om over verslavings-problemen te beslissen en dat de rechter zou moeten worden gevraagd om een beslissing te nemen. Er zou dan een zorgmachtiging aangevraagd moeten worden onder WVGGZ waarbij klager begeleid zou moeten worden door een instelling voor verslavingszorg. Verder is door de specialist ouderengeneeskunde genoteerd, na overleg met het Openbaar Ministerie, dat zij de volgende besluiten heeft genomen: 
“Ik zal dhr nu niet ontslaan mede omdat ik niet de kennis en expertise heb omtrent verslavingsproblematiek en wel grote risico’s verwacht door het ontslag en het ontbreken van structuur en controle. 
Het ontslagverzoek van de advocaat zal nu naar de rechtbank worden doorgestuurd.
Ik zal de rechtbank en de advocaat op de hoogte stellen van het weigeren van ontslag.”

3.14    De behandelend artsen hebben voor klager een intakegesprek geregeld bij een verslavingszorginstelling. Klager heeft dat intakegesprek op 14 januari 2020 gevoerd. De behandelend SOG heeft op 16 januari 2020 in het dossier genoteerd:
“Patient gaat vrijwillig naar de [naam instelling verslagingszorg]. Hij heeft voor volgende week een vervolgafspraak staan. (…)”

3.15    Op 20 januari 2020 heeft de rechter het ontslagverzoek van klager per direct toegewezen met de volgende overwegingen:
“(…) concludeert de rechtbank dat voor een gedwongen klinische opname van [klager] thans geen grond bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet dat [klager] lijdt aan een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet bopz. Blijkens de rapportage van het [ziekenhuis] van 20 december 2019 imponeert [klager] niet cognitief beperkt, is het geheugen sterk verbeterd ten opzichte van juli 2019 en zijn er geen aanwijzingen voor neurodegeneratie. Het alcoholgebruik van [klager] is op dit moment dusdanig onder controle zodat dit geen bepalende invloed lijkt te hebben op het handelen van [klager]. Blijkens de gedingstukken heeft de door de geneesheer directeur geraadpleegde psychiater geen aanleiding gezien om [klager] te beoordelen voor een gedwongen opname wegens alcoholgebruik. De rechtbank deelt de zorg dat [klager] – tegen het advies van het [ziekenhuis] in om het alcoholgebruik volledig te staken – na ontslag meer alcohol zal gaan nuttigen en er groot risico is op een terugval in de situatie zoals die was voordat hij werd opgenomen. Juist de omstandigheid dat verschillende deskundigen in juli 2019 op basis van de toenmalige geestestoestand van [klager] het vermoeden hadden dat er sprake was van dementie is zorgelijk. Dit kan echter geen langere gedwongen opname van [klager] rechtvaardigen, omdat hans niet wordt voldaan aan het vereiste dat er sprake moet zijn van een stoornis van de geestvermogens.”

4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat de zaak over
4.1    Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde in zijn klaagschrift bij het Regionaal Tuchtcollege dat: 
a)    het onnodig lang duurde voordat klager een second opinion kreeg;
b)    zij klager niet heeft ontslagen uit de instelling waar hij tegen zijn zin verbleef;
i)    terwijl zij in juli 2019 al zou hebben geweten dat klager niet dement was;
ii)    en evenmin toen in december 2019 uit onderzoek was gebleken dat klager niet dement was;
c)    zij een autoritair regime hanteerde, waardoor de verpleegkundigen haar niet durfden vertellen dat klager niet dement was;
d)    zij klager ten onrechte heeft doorverwezen voor een traject bij de verslavingszorginstelling.

4.2    Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. In zijn beroepschrift en op de zitting heeft klager als reden voor het instellen van beroep naar voren gebracht dat de specialist ouderengeneeskunde verantwoordelijk is voor verkeerd medicijngebruik tijdens de gedwongen opname. Dit omdat een volgens klager onder de specialist ouderengeneeskunde werkende arts het medicijn ibuprofen verving door het medicijn oxycodon. Verder heeft hij in beroep naar voren gebracht dat de specialist ouderengeneeskunde hem ten onrechte heeft beschouwd als een alcoholist en dat zij geen empathie heeft. Klager verzoekt het Centraal Tuchtcollege - impliciet - om de klacht alsnog gegrond te verklaren en om aan hem een schadevergoeding toe te kennen. 

4.3    De specialist ouderengeneeskunde heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij voert aan dat klager in beroep twee nieuwe klachten naar voren heeft gebracht en in zoverre in het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep voor het overige te verwerpen. 

Ontvankelijkheid in beroep
4.4    Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat klager in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege niet heeft geklaagd over het medicijngebruik en over een gebrek aan empathie bij de specialist ouderengeneeskunde. Het gaat hier om nieuwe klachten van klager in deze beroepsprocedure. Een klager kan in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voorleggen die in eerste aanleg aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling zijn voorgelegd en dan alleen voor zover hij in die klachten door het Regionaal Tuchtcollege niet-ontvankelijk is verklaard of zijn klachten zijn afgewezen. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Klager is dan ook niet ontvankelijk in zijn beroep voor zover het de hiervoor bedoelde twee nieuwe klachten betreft. 

Inhoudelijke beoordeling
4.5    Voor zover klager in beroep ook opkomt tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over de hiervoor onder 4.1 genoemde klachtonderdelen, is dit tevergeefs. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen 5.2 tot en met 5.11 van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen integraal over. Nadat in december 2019 was gebleken dat bij klager geen sprake was van dementie, heeft de specialist ouderengeneeskunde zich goed gerealiseerd dat dit aanleiding was om de gedwongen opname van klager opnieuw tegen het licht te houden. Zij heeft – alles afwegend – in dit geval niet onzorgvuldig gehandeld door het oordeel over het door klager gewenste ontslag over te laten aan de rechter. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de onder 4.1 genoemde klachtonderdelen dus terecht ongegrond verklaard. 

Schadevergoeding
4.6    De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidzorg geeft het Centraal Tuchtcollege niet de bevoegdheid om aan klager een schadevergoeding toe te kennen.

Conclusie 
4.7    De conclusie is dat klager gedeeltelijk niet-ontvankelijk is in het beroep en dat het beroep voor het overige moet worden verworpen. 

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover hij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend; verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, R. Prakke-Nieuwenhuizen en 
H. de Hek, leden-juristen, en M.C. Gerritsen-Prins en R.J. van Marum, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2026.
    Voorzitter  w.g.                        Secretaris w.g.