ECLI:NL:TGZCTG:2026:29 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2869

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:29
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 11-02-2026
Zaaknummer(s): C2025/2869
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een bedrijfsarts. Klager heeft zich ziekgemeld bij zijn werkgever. De werkgever van klager wisselde anderhalve maand na zijn ziekmelding van arbodienst. De bedrijfsarts is als stafarts werkzaam bij de nieuwe arbodienst en werd verantwoordelijk voor de begeleiding van klager. De begeleiding van klager werd uitgevoerd door twee verschillende inzetbaarheidsdeskundigen die onder taakdelegatie van de bedrijfsarts werkten. Het contact met de werkgever verliep ook via deze inzetbaarheidsdeskundigen. De bedrijfsarts heeft zelf geen contact gehad met klager en de werkgever. Klager verwijt de bedrijfsarts - in meerdere klachtonderdelen - dat zij niet op de juiste wijze heeft gehandeld bij zijn verzuimbegeleiding. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager ongegrond verklaard. Klager heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Door de operationele begeleiding van de klager volledig over te laten aan de inzetbaarheidsdeskundigen en zelf op afstand te blijven terwijl er sprake was van een kwetsbare medewerker en een werkgever die de adviezen die hij kreeg via de inzetbaarheidsdeskundigen niet opvolgde, is de bedrijfsarts ernstig tekortgeschoten. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en legt de bedrijfsarts een berisping op.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2869 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager, gemachtigde: mr. M.L.M. van de Laar, werkzaam in Maastricht,

tegen

C., bedrijfsarts, werkzaam te D., verweerster in beide instanties,
hierna: de bedrijfsarts, gemachtigde: mr. P. Willems, werkzaam in 
Loenen. 

1.   De zaak in het kort
1.1    Klager heeft zich in januari 2024 ziekgemeld bij zijn werkgever. De werkgever van klager wisselde anderhalve maand na zijn ziekmelding van arbodienst. De bedrijfsarts is als stafarts werkzaam bij de nieuwe arbodienst en werd verantwoordelijk voor de begeleiding van klager. Klager verwijt haar - in meerdere klachtonderdelen - dat zij niet op de juiste wijze heeft gehandeld bij zijn verzuimbegeleiding. 
1.2    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en legt de bedrijfsarts een berisping op. 

2.    Verloop van de procedure in beroep
2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 20 mei 2025 met nummer A2024/7462
(ECLI:NL:TGZRAMS:2025:129). De bedrijfsarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 

2.2    De zaak is op de zitting van 17 december 2025 behandeld. Partijen waren daar met hun gemachtigden aanwezig. De spreekaantekeningen die mr. Van der Laar en mr. Willems hebben gebruikt zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege.

3.    Feiten
3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten:

3.2    Klager heeft zich op 15 januari 2024 ziekgemeld bij zijn werkgever. De verzuimbegeleiding werd uitgevoerd door de toenmalige arbodienst van de werkgever. Deze heeft op 31 januari 2024 een probleemanalyse opgesteld. De conclusie was dat er geen sprake was van benutbare mogelijkheden. De arbodienst adviseerde het volgende:
“De heer A. heeft zich ziek gemeld als gevolg van medische klachten. 
Hij is aangewezen op adequate medische behandeling, in combinatie met tijdelijke rust. 
De medische behandeling is lopende. 
Op basis van mijn bevindingen acht ik de heer A. niet in staat zijn eigen functie of andere, aangepaste, werkzaamheden uit te voeren. Deze arbeidsongeschiktheid is het gevolg van ziekte. 
(…)
Geadviseerd wordt uw medewerker begin maart 2024 uit te nodigen voor het spreekuur bij de nieuwe bedrijfsarts.” 

3.3    De regiomanager stuurde klager op 9 februari 2024 een uitnodiging voor een gesprek op 12 februari 2024 om het plan van aanpak te bespreken met de regiomanager en de filiaalmanager. De toenmalig gemachtigde van klager heeft de verzuimcoördinator van de werkgever verzocht om klager wat meer tijd te gunnen, een nieuwe datum te plannen en het gesprek zonder de regiomanager te laten plaatsvinden. Daarop volgde een nieuwe uitnodiging vanuit de regiomanager voor een gesprek op 16 februari 2024 en de aanzegging dat een loonstop zou volgen als klager niet op die afspraak zou verschijnen. Klager is niet verschenen en de werkgever heeft een loonstop opgelegd. Deze loonstop is op 20 februari 2024 opgeheven.
 
3.4    Eind februari 2024 is de werkgever gewisseld van arbodienst en heeft de arbodienst waar de bedrijfsarts werkzaam is de begeleiding van klager overgenomen.

3.5    De arbodienst van de bedrijfsarts werkt met taakdelegatie. De bedrijfsarts werkt als stafarts en is eindverantwoordelijk voor de sociaal-medische verzuimbegeleiding. Een (daartoe opgeleide maar niet BIG-geregistreerde) inzetbaarheidsdeskundige werkt onder supervisie van de bedrijfsarts en voert de operationele verzuimbegeleiding uit. Deze inzetbaarheidsdeskundige ziet de cliënten en inventariseert de uitdagingen rondom een verzuimdossier. De stafarts ziet geen cliënten maar bekijkt alle gegevens die de inzetbaarheidsdeskundige verzamelt en noteert en interpreteert deze. Vervolgens stuurt zij de inzetbaarheidsdeskundige aan. Indien de bedrijfsarts een medische beoordeling noodzakelijk vindt, doet zij deze niet zelf, maar wordt hiervoor extern een bedrijfsarts ingehuurd. De bedrijfsarts ziet alle conceptterugkoppelingen aan de werkgever voordat deze aan de werkgever en de werknemer worden verzonden. 

3.6    De bedrijfsarts is van maart 2024 tot 13 augustus 2024 betrokken geweest bij en verantwoordelijk geweest voor de verzuimbegeleiding van klager. Zij heeft zelf geen contact gehad met klager in deze periode. Klager werd gezien door twee verschillende inzetbaarheidsdeskundigen die onder taakdelegatie van de bedrijfsarts werkten, alsook door een ingehuurde externe bedrijfsarts.

3.7    De inzetbaarheidsdeskundige had op 20 maart 2024 een online consult met klager en stelde een nieuwe probleemanalyse op. De inzetbaarheidsdeskundige noteerde naar aanleiding van het consult de volgende klachten:
-    veel zweten; 
-    veel concentratieproblemen. Kan geen film kijken, geen spelletje doen, kan moeilijk zijn aandacht erbij houden;
-    in bed geplast meerdere keren;
-    slecht slapen, komt moeilijk in slaap en slecht doorslapen;
-    hartkloppingen.

3.8    De conclusie in de nieuwe probleemanalyse was dat er bij klager benutbare mogelijkheden waren. Het advies luidde:
“Meneer A. ervaart beperkingen die naar eigen zeggen zijn veroorzaakt door de werksituatie. Het advies vanuit E. is dat meneer en zijn werkgever met elkaar in gesprek gaan over de werkgerelateerde factoren die van invloed zijn op de verzuimmelding. Indien werkgever en werknemer hier samen niet uitkomen, is het advies om een onafhankelijke derde (bijvoorbeeld een mediator) in te zetten. De huidige verstoorde arbeidsrelatie kan namelijk re-integratie blokkerend werken.
Wanneer de werkgerelateerde factoren zijn uitgesproken en opgelost, is de verwachting dat meneer (stapsgewijs) zijn eigen werkzaamheden kan hervatten. Hierbij is meneer in eerste instantie aangewezen op werkzaamheden die aansluiten bij zijn ervaren beperkingen, dus een voorspelbare werksituatie zonder (tijds)druk, deadlines, eindverantwoordelijkheid, klantcontact etc voor een aantal uur per week (bijvoorbeeld 3x2 uur). Vervolgens kan er per 2 weken worden opgebouwd met 1 uur per dag.”

3.9    Op 28 maart 2024 nodigde de HR-manager klager uit voor een gesprek op 2 april 2024 met de regiomanager en de filiaalmanager. De toenmalig gemachtigde van klager liet weten dat klager niet in staat was het gesprek met de regiomanager te voeren en stelde een aantal data voor een gesprek voor zonder aanwezigheid van de regiomanager. Op 4 april 2024 diende klager een klacht in bij de werkgever waarin hij onder meer benoemde dat de regiomanager zorgde voor een onveilige werkomgeving. Op 8 april 2024 nodigde de HR-manager klager opnieuw uit voor een gesprek met de regiomanager en de filiaalmanager en kondigde een loonstop aan als klager niet zou verschijnen. De toenmalig gemachtigde van klager liet wederom weten dat klager niet in staat was het gesprek met de regiomanager aan te gaan. 

3.10    Op 9 april 2024 stuurde de toenmalig gemachtigde van klager een e-mail aan de arbodienst. In deze e-mail informeert zij de arbodienst over de op 4 april 2024 ingediende klacht en schrijft zij onder andere:
“Vanwege de aanhoudende uitnodigingen waarbij nadrukkelijk is aangegeven dat de regiomanager onderdeel is van dit conflict en het voor mijn cliënt nog te belastend is om direct met hem in gesprek te gaan, blijft mijn cliënt uitnodigingen op zeer korte termijn (voor de volgende dag) en zonder overleg vooraf ontvangen. De werkgever blijft de druk opvoeren en dit geeft geen ruimte om mij als gemachtigde mee te nemen naar een gesprek. 
Daarnaast wordt hierdoor continu gedreigd met een loonstop vanuit werkgever. Mijn cliënt ervaart dit echt als pesten. Nu heeft hij helaas een heftige paniekaanval gehad en is hij volledig ingestort. Hij is ook vandaag 9 april naar de praktijkondersteuner (eerste medische behandelaar) geweest. Zijn gezondheid is dusdanig achteruit gegaan dat hij per direct wekelijks wordt opgeroepen en medicatie dient in te nemen.”

3.11    De inzetbaarheidsdeskundige heeft in reactie op deze e-mail aangegeven dat zij niet over een schriftelijke machtiging van de gemachtigde beschikt en daarom niet inhoudelijk op de mail kan reageren. De inzetbaarheidsdeskundige heeft hierbij opgemerkt dat klager zelf contact mag opnemen als hij een verandering in zijn belastbaarheid ervaart. 

3.12     De werkgever heeft per 10 april 2024 het loon van klager opgeschort.

3.13    Op 12 april 2024 stuurde klager een e-mail aan de arbodienst met onderwerp: “doodsbang en onveilige situatie bij werkgever”. Klager bevestigde de door zijn gemachtigde doorgegeven verandering in belastbaarheid en gaf aan zich zeer onveilig te voelen. Klager benadrukte dat hij absoluut bereid is om in gesprek te gaan, maar dat hij behoefte heeft aan een gesprek met een neutraal persoon in het bijzijn van zijn adviseur. 

3.14    Naar aanleiding van de e-mail van klager van 12 april 2024 had de inzetbaarheidsdeskundige op 16 april 2024 telefonisch contact met klager. Tijdens dit gesprek gaf klager aan dat hij zich niet gehoord voelt door zijn werkgever en hij wel in gesprek wil met zijn werkgever, maar niet met de regiomanager. 

3.15    Op 16 april 2024 ontving de arbodienst een e-mail van klager. De inzetbaarheidsdeskundige reageerde op deze e-mail en gaf aan: “Er is geen onveilige werksituatie door ons geconstateerd. We zullen dan ook geen melding doen richting de arbeidsinspectie. Daarnaast beschikt u zelf over de Probleemanalyse. Het staat u vrij om deze door te sturen naar derden. Wij zullen deze Probleemanalyse niet met derden delen. 

Tot slot gaan wij niet over de afspraak met de werkgever. Wij zijn daar geen partij in. Ons advies hierin is nog steeds ongewijzigd, namelijk met elkaar in gesprek te gaan over de werkgerelateerde factoren eventueel met een onafhankelijke derde. Zoals eerder vandaag telefonisch besproken lijkt het hierin helpend voor jou om het gesprek te laten plaatsvinden in een voor jou veilige setting. Het advies is om contact op te nemen met je werkgever en samen afspraken hierover te maken.”

3.16    Op 18 april 2024 stuurde de directeur van de arbodienst een e-mail aan de toenmalig gemachtigde klager waarin hij aangeeft dat de arbodienst vasthoudt aan het advies om met elkaar in gesprek te gaan.

3.17    De HR-manager nodigde klager nogmaals uit voor een gesprek met de regiomanager en de filiaalmanager, eerst voor 17 april 2024 en daarna voor 24 april 2024. De gemachtigde van klager liet wederom weten dat klager hier niet toe in staat was en vroeg in die periode meerdere keren aan de werkgever om mediation in te zetten om in gesprek te komen. 

3.18     De werkgever heeft met ingang van 24 april 2024 het loon van klager stopgezet.  

3.19    Op 24 april 2024 heeft het F. het deskundigenoordeel over de periode 15 januari tot 3 maart 2024 aan klager en werkgever toegezonden. De conclusie is dat klager voldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie en dat het niet vereist was dat klager op gesprek met de regiomanager zou verschijnen om een plan van aanpak te bespreken. 

3.20    Op 1 mei 2024 vond een telefonisch consult plaats met de inzetbaarheidsdeskundige. De inzetbaarheidsdeskundige adviseerde de werkgever het volgende:
“De beperkingen lijken te zijn veroorzaakt door een werkgerelateerde situatie.
Het advies is om de STECR werkwijzer te volgen en een gesprek aan te gaan, eventueel met de inzet van een onafhankelijke derde (bijvoorbeeld een mediator).
De huidige verstoorde arbeidsrelatie kan re-integratie in de weg staan. Zorg dan ook voor een situatie waar het gesprek plaats kan vinden in een veilige setting.
(…)
Advies is echter om eerst de werkgerelateerde factoren uit te spreken en op te lossen.”

3.21    De inzetbaarheidsdeskundige heeft vervolgens de werkgever van klager gebeld en geadviseerd een andere communicatie- en handelswijze te kiezen jegens klager. 

3.22    In mei 2024 verzocht klager (via zijn gemachtigde) de arbodienst om informatie op te vragen bij zijn behandelaars. Daaropvolgend is er contact geweest met de huisarts en behandelend psycholoog van klager. De arbodienst heeft op 24 mei 2024 informatie van de huisarts en op 31 mei 2024 informatie van de psycholoog ontvangen. 

3.23    Op verzoek van klager heeft op 6 juni 2024 een second opinion plaatsgevonden bij een andere bedrijfsarts. Deze bedrijfsarts adviseerde het volgende:

“De beperkingen zijn onvoldoende weergegeven bij deze zeer kwetsbare man. Er is sprake van volledige arbeidsongeschiktheid en er zijn geen benutbare mogelijkheden voor eigen of ander aangepast werk door het medisch beeld. Dat beeld is ontstaan door verstoring van de arbeidsverhoudingen en fors versterkt door de interventies van werkgever. Er is geen andere oorzaak aanwijsbaar. 
Werkgever beseft helaas niet welk leed hij aanricht bij deze kwetsbare man die werk willend is en graag tot oplossingen terugkeer in zijn werk komt. Hij leeft nu in een “nachtmerrie” zoals hij zelf zegt en de situatie drijft hem tot wanhoop,
Werknemer is niet in staat om een lastig gesprek te voeren. Ik adviseer een interventie van volledig afstand nemen en een radiostilte van 6 weken. Daarna kan mediation met een geregistreerde mediator worden ingezet.” 

3.24    De arbodienst heeft naar aanleiding van de second opinion op 10 juni 2024 een bericht aan de werkgever toegezonden met het volgende advies:
“Op dit moment is de belastbaarheid van de heer A. beperkt. Het advies is dat de heer A. vanuit zijn belastbaarheid thuis besteed aan herstel en behandeling. De heer A. is op dit moment niet belastbaar voor een mediation traject of contact met de werkgever voor de komende 6 weken, daarna kan opnieuw beoordeeld worden of de mediation opgestart kan worden. De prognose voor de langere termijn is goed.”

3.25    Naar aanleiding van dit advies liet de werkgever in een brief van 12 juni 2024 aan klager weten dat de werkgever de loonstaking die per 24 april 2024 is opgelegd zou beëindigen per 10 juni 2024. 

3.26    Op 19 juni 2024 stuurde klager een verzoek aan de arbodienst om naar aanleiding van de second opinion de terugkoppeling zodanig te formuleren dat hiermee een inmiddels uitgevoerde loonstop door de werkgever teruggedraaid diende te worden. De arbodienst antwoordde klager dat zij geen invloed kon uitoefenen op sancties vanuit de werkgever, noch deze terug kon draaien. Klager (dan wel zijn gemachtigde(n)) dienden klachten in bij de arbodienst, waar door de directeur op werd gereageerd. 

3.27    De arbodienst schakelde een externe bedrijfsarts in om de herbeoordeling van klager (zoals geadviseerd in de second opinion) uit te laten voeren. Dit consult vond plaats op 24 juli 2024, en het advies luidde om mediation in te zetten, waarbij klager geen enkele druk tijdens de contactmomenten met zijn werkgever zou mogen ervaren. Op basis van dit advies en de terugkoppeling naar de werkgever van klager, liet de werkgever weten dat op korte termijn mediation zou worden opgestart. 

3.28    Op 25 juli 2024 stuurde de inzetbaarheidsdeskundige klager een uitnodiging voor een consult op 21 augustus 2024 op het kantoor van de werkgever. 

3.29    De bedrijfsarts ontving op 13 augustus 2024 de onderhavige tuchtklacht, waarna de begeleiding werd overgedragen aan een andere stafarts. De bedrijfsarts is daarna niet meer betrokken geweest bij de begeleiding van klager. 

3.30    Op 3 september 2024 heeft klager een eerste consult gehad met de nieuwe stafarts. 

4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over?
4.1    Het klaagschrift van klager bevat 16 klachtonderdelen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht samengevat tot vier hoofdonderdelen. Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij: 
a)    tekortgeschoten is in de begeleiding van klager, met name in de adviezen inzake mediation;
b)    de probleemanalyse van de voorgaande arbodienst niet heeft overgenomen maar een nieuwe heeft opgesteld;
c)    een inzetbaarheidsprofiel (IZP) van klager heeft laten opstellen in plaats van de aangekondigde functionelemogelijkhedenlijst (FML);
d)    heeft geweigerd medische informatie bij de behandelaars van klager op te vragen.

4.2    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Klager is het niet eens met de manier waarop het Regionaal Tuchtcollege zijn klacht heeft samengevat en beoordeeld. 

4.3    De bedrijfsarts heeft verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen. 

Toetsingskader
4.4    De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Op het handelen van de bedrijfsarts zijn onder meer van toepassing de KNMG-Gedragscode voor artsen, de NVAB-leidraden en de STECR werkwijzer arbeidsconflicten. 

Inhoudelijk oordeel

Samenvatten klachten
4.5    Hoewel het de klagende partij is die de klacht formuleert en presenteert, is het de taak van de tuchtrechter om die klacht zo nodig tot de kern terug te brengen en/of de verschillende klachtonderdelen in onderling verband en samenhang te beoordelen, zodat de te nemen beslissing voor een ieder die daarvan kennisneemt begrijpelijk is. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken en geanonimiseerd gepubliceerd. Dit betekent dat het de tuchtrechter is toegestaan om bij een veelheid van klachten, deze op overzichtelijke en/of samenvattende wijze te formuleren en samenhangende klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager samengevat tot vier klachtonderdelen. Uit het proces-verbaal van de zitting bij het Regionaal Tuchtcollege blijkt dat klager met deze samenvatting heeft ingestemd. Het Centraal Tuchtcollege zal bij de beoordeling uitgaan van de hiervoor onder 4.1 genoemde klachtonderdelen. 

Nieuwe klachten
4.6    Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake is van uitbreiding van de klacht, kan klager daarin dus niet worden ontvangen.

Klachtonderdeel a
4.7    Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat er al op het moment waarop de arbodienst de begeleiding van klager van de vorige arbodienst overnam sprake was van een situatie van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van de werkgever. Dit blijkt onder meer uit de beschikkingen van de kantonrechter van 1 juli 2025 en 25 juli 2025 waarin de kantonrechter onder meer constateert dat het handelen van de werkgever zich vanaf het begin af aan kenmerkt door het alsmaar opvoeren van de druk op klager, onder meer door het opleggen van loonstops. Een dergelijke situatie maakt de begeleiding van een arbeidsongeschikte medewerker complex. De vraag die het Centraal Tuchtcollege moet beantwoorden, is of de bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding in deze complexe situatie klager voldoende ondersteuning heeft geboden.

4.8    De begeleiding van klager werd uitgevoerd door twee verschillende inzetbaarheidsdeskundigen die onder taakdelegatie van de bedrijfsarts werkten. Het contact met de werkgever verliep ook via deze inzetbaarheidsdeskundigen. De bedrijfsarts heeft zelf geen contact gehad met klager en de werkgever over de arbeidsongeschiktheid en het ontstane arbeidsconflict. De bedrijfsarts heeft tijdens de zitting in beroep toegelicht dat zij tien inzetbaarheidsdeskundigen/taakgedelegeerden aanstuurt die de operationele verzuimbegeleiding uitvoeren. Zij rapporteren aan de bedrijfsarts. De medische interpretatie van de bevindingen van de inzetbaarheidsdeskundigen wordt gedaan door de bedrijfsarts en zij is eindverantwoordelijk voor de sociaal-medische verzuimbegeleiding.

4.9    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat operationele verzuimbegeleiding door taakgedelegeerden in beginsel mogelijk is als de supervisie goed is geregeld en als er voor de medewerker de mogelijkheid is om desgewenst contact te hebben met de bedrijfsarts. Een bedrijfsarts die werkt met taakgedelegeerden zal hierbij actief moeten bewaken of zij haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de medewerker die zij niet persoonlijk ziet en spreekt voldoende kan waarmaken.

4.10    Het Centraal Tuchtcollege constateert dat op het moment dat de arbodienst de begeleiding van klager van de vorige arbodienst overnam de situatie tussen klager en zijn werkgever al was geëscaleerd. De werkgever handelde in strijd met het advies van de vorige arbodienst door contact te blijven zoeken met klager en had al een loonsanctie opgelegd. De bedrijfsarts was hiervan op de hoogte. Ook na de overname drong de werkgever aan op een gesprek met de regiomanager en dreigde die met loonsancties. Begin april lieten zowel klager als zijn gemachtigde aan de arbodienst weten dat de gezondheid van klager verder verslechterde en dat zijn medische problemen waren toegenomen. Op 24 april 2024 legde de werkgever opnieuw een loonstop op. Op dezelfde datum oordeelde het F. dat klager in de periode 15 januari tot 3 maart 2024 voldoende had meegewerkt aan zijn re-integratie en dat het niet vereist was dat klager op gesprek met de regiomanager zou verschijnen om een plan van aanpak te bespreken. Op 6 juni 2024 volgde een second opinion, waarbij werd genoteerd dat het ziektebeeld van klager fors werd versterkt door de interventies van de werkgever. In die situatie acht het Centraal Tuchtcollege het tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de bedrijfsarts de contacten met klager en de werkgever volledig aan de taakgedelegeerden heeft overgelaten en zelf geen enkele actieve rol heeft ingenomen in de verzuimbegeleiding. Klager heeft, ook via zijn gemachtigde, meermalen om hulp gevraagd en toegelicht dat hij meende dat er sprake was van pestgedrag. De bedrijfsarts heeft haar zorgplicht tegenover klager in het kader van begeleiding bij het arbeidsconflict en zijn arbeidsongeschiktheid niet goed vervuld. Via de inzetbaarheidsdeskundige is aan de werkgever weliswaar meermalen het advies gegeven om mediation in te zetten en om gesprekken met de medewerker in een voor hem veilige omgeving te laten plaatsvinden, maar de bedrijfsarts was ervan op de hoogte dat de werkgever deze adviezen niet opvolgde. Er zijn meerdere momenten geweest waarop de bedrijfsarts had kunnen en moeten instappen en dit heeft nagelaten. De bedrijfsarts heeft onvoldoende betrokkenheid getoond bij klager; zij is letterlijk en figuurlijk te veel op afstand geweest. De bedrijfsarts heeft klager niet de zorg verleend die van haar verwacht mocht worden en dat kan haar worden verweten. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de klachtonderdeel a gegrond is.

Klachtonderdelen b t/m d
4.11    Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klachtonderdelen b t/m d terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege en neemt datgeen wat het Regionaal Tuchtcollege in punt 5.6 t/m 5.11 heeft overwogen hier over. Uit hetgeen klager in eerste aanleg en in beroep heeft aangevoerd, kan niet worden vastgesteld dat de bedrijfsarts op deze punten tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 

4.12    Het Centraal Tuchtcollege merkt over deze klachtonderdelen nog het volgende op.
Het Centraal Tuchtcollege heeft er begrip voor dat het voor klager verwarrend is geweest dat de arbodienst die de verzuimbegeleiding overnam in maart 2024 een nieuwe probleemanalyse met een andere conclusie heeft opgesteld als nulmeting. Het college is het echter met de bedrijfsarts eens dat deze nulmeting vanuit zorgvuldigheidsoogpunt positief is. Dat de conclusie anders is, betekent niet dat die conclusie onjuist is. Net als het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is dat in de uitnodiging voor het belastbaarheidsonderzoek niet de juiste terminologie is gebruikt. Voor klager heeft het geen nadelige consequenties gehad dat er een IZP werd opgesteld terwijl er in de uitnodiging gesproken werd over een FML.

4.13    Dat betekent dat het beroep ten aanzien van deze klachtonderdelen faalt en in zoverre zal worden verworpen.

Conclusie en maatregel
4.14    De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege klachtonderdeel a ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal de beslissing van dat college in zoverre vernietigen en klachtonderdeel a alsnog gegrond verklaren. Het Centraal Tuchtcollege acht het handelen van de bedrijfsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar. Door de operationele begeleiding van de klager volledig over te laten aan de inzetbaarheidsdeskundigen en zelf op afstand te blijven terwijl er sprake was van een kwetsbare medewerker en een werkgever die de adviezen die hij kreeg via de inzetbaarheids-deskundigen niet opvolgde, is de bedrijfsarts ernstig tekortgeschoten. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege een maatregel. Gelet op de ernst van het tekortschieten, kan niet worden volstaan met een waarschuwing. Het Centraal Tuchtcollege acht een berisping op zijn plaats.

Proceskosten
4.15     De gemachtigde van klager heeft het Centraal Tuchtcollege op de zitting van 17 december 2025 verzocht om de bedrijfsarts te veroordelen in de kosten van de procedure. 

4.16     In artikel 69 lid 5 juncto artikel 74 lid 2 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is een regeling voor de gemaakte proceskosten opgenomen. Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en een maatregel wordt opgelegd, kan het verzoek worden toegewezen. 

4.17     Het Centraal Tuchtcollege zoekt voor de begroting van de kosten van rechtsbijstand aansluiting bij de Oriëntatiepunten kostenveroordeling tuchtcolleges voor de gezondheidszorg. Namens klager is een beroepschrift ingediend. Daaraan wordt 1 punt toegekend. Aan het bijwonen van de zitting op 17 december 2025 wordt eveneens 1 punt toegekend. De waarde per punt is 
€ 666,00, zodat het totaal neerkomt op € 1.332,00. De vergoeding voor de door klager gemaakte reiskosten bedraagt € 50,00. Daarnaast zal het door klager betaalde griffierecht worden terugbetaald.

Publicatie 
4.18    Om redenen ontleend aan het algemeen belang zal het Centraal Tuchtcollege bepalen dat onderhavige beslissing op na te noemen wijze wordt bekend gemaakt.

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  • vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover daarbij --klachtonderdeel a ongegrond is verklaard;
  • en doet opnieuw recht: verklaart klachtonderdeel a alsnog gegrond;
  • legt aan de bedrijfsarts op de maatregel van berisping;
  • verwerpt het beroep voor het overige;
  • bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, met het verzoek tot plaatsing. veroordeelt de bedrijfsarts in de vastgestelde kosten van klager van € 1.382,00 en veroordeelt haar het totaalbedrag te voldoen op de bankrekening van de gemachtigde van klager binnen een maand nadat deze haar schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop dit bedrag kan worden gestort heeft laten weten;
  • gelast dat VWS-Financieel Dienstencentrum aan klager het betaalde griffierecht ten bedrage van € 100,00 (zegge: honderd euro) voor de behandeling van de klacht bij het Regionaal Tuchtcollege en de behandeling van het beroep bij het Centraal Tuchtcollege vergoedt.

Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, L. van Dijk en T. Dompeling, leden-juristen, en N. Abdoelkariem en A.H.J.M. Sterk, leden beroepsgenoten, bijgestaan door 
K.M. ten Pas, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2026.
        Voorzitter   w.g.                     Secretaris  w.g.