ECLI:NL:TGZCTG:2026:28 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2822

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:28
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 11-02-2026
Zaaknummer(s): C2025/2822
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, vernietigt berisping
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster is gedurende acht maanden onder begeleiding geweest van de bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij op veel punten tekortgeschoten is in de begeleiding, waarbij hij haar onder andere onterecht heeft doorverwezen en haar privacy heeft geschonden. Daarnaast maakt klaagster de bedrijfsarts verwijten over zijn dossiervoering.  Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en de bedrijfsarts een berisping opgelegd. De bedrijfsarts heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond, waarmee de maatregel van berisping komt te vervallen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2822 van:
A., bedrijfsarts, werkzaam in B., appellant, verweerder in eerste aanleg, hierna: de bedrijfsarts, gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht,

tegen

C. wonende in B., verweerster in beroep, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster, gemachtigde: de heer D..

1.    De zaak in het kort
1.1    Klaagster is gedurende acht maanden onder begeleiding geweest van de bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij op veel punten tekortgeschoten is in de begeleiding, waarbij hij haar onder andere onterecht heeft doorverwezen en haar privacy heeft geschonden. Daarnaast maakt klaagster de bedrijfsarts verwijten over zijn dossiervoering.  

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en de bedrijfsarts 
een berisping opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond, waarmee de maatregel van berisping komt te vervallen.  

2.    Verloop van de procedure in beroep
2.1    De bedrijfsarts heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 8 april 2025 met nummer A2024/7264 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:84). Klaagster heeft een verweerschrift ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft op 31 juli 2025 nog aanvullende stukken van de bedrijfsarts ontvangen (brief met bijlagen van mr. Slabbers d.d. 30 juli 2025) 

2.2    De zaak is behandeld op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege van 17 december 2025. 
De bedrijfsarts, de gemachtigde van de bedrijfsarts en de gemachtigde van klaagster waren daar aanwezig. Klaagster heeft voorafgaand aan de zitting laten weten dat zij niet aanwezig zou zijn. De spreekaantekeningen die mr. Slabbers heeft gebruikt, zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege. 

3.    Feiten
3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten:

3.2    Klaagster heeft zich op 14 augustus 2023 ziekgemeld bij haar werkgever. Op 19 september 2023 is zij gestart met een re-integratietraject. In het kader van de verzuimbegeleiding werd zij begeleid door de bedrijfsarts.

3.3    In de periode van 18 september 2023 tot en met 15 april 2024 hebben de bedrijfsarts en klaagster op in ieder geval acht momenten contact gehad met elkaar. 

3.4    Op 18 september 2023 heeft klaagster een eerste gesprek met de bedrijfsarts over haar klachten. Naar aanleiding van dit consult noteert de bedrijfsarts in het dossier dat bij klaagster sprake is van spanningsklachten, depressieve gevoelens en dat klaagster suïcidale gedachten heeft gehad, maar geen ideeën of plannen om een einde aan haar leven te maken. Verder staat genoteerd dat klaagster laat weten contact met andere mensen voorlopig nog niet aan te kunnen en dat zij aangeeft moeilijk in staat te zijn een supermarkt in te gaan. Verder vertelt klaagster dat zij de volgende dag een maand naar E. gaat om haar dementerende oma te bezoeken. Als indruk noteert de bedrijfsarts dat klaagster een vitale indruk maakt zonder merkbare concentratieproblemen, klaagster haar verhaal in een opvallend vlot en snel tempo vertelt en zij haar aandacht prima bij het gesprek kan houden. Als plan noteert de bedrijfsarts dat klaagster per 19 september 2023 belastbaar is voor twee uur per dag in aangepast werk. 

3.5    Op 30 oktober 2023 hebben de bedrijfsarts en klaagster telefonisch contact. Klaagster laat weten dat er aangaande haar gemoedstoestand niets is veranderd en dat zij meer depressieve klachten ervaart. Het is gelukt om iedere dag twee uur in te loggen en op een rustig tempo deels eigen werk te doen. Klaagster laat weten begin december een intake bij de F.-groep (hierna: F.) te hebben. De bedrijfsarts noteert dat klaagster een vitale indruk maakt en dat er geen merkbare concentratieproblemen zijn.

3.6    Op 18 december 2023 lukt het klaagster niet om persoonlijk naar het spreekuur van de bedrijfsarts te komen. Klaagster en de bedrijfsarts spreken elkaar daarom digitaal/telefonisch. De bedrijfsarts noteert dat klaagster veel last heeft van paniek en darmklachten. Zij heeft de huisarts bezocht en twee keer een intake gehad bij F.. Klaagster vertelt dat zij door F. is gediagnostiseerd met een depressie en een somatische symptoom stoornis. De bedrijfsarts noteert dat klaagster een redelijk vitale indruk maakt en voor twee uur per dag belastbaar is. 

3.7    Op 25 januari 2024 krijgt de bedrijfsarts een e-mail van de re-integratieadviseur van de werkgever met een update naar aanleiding van een gesprek met klaagster waarbij zij aanwezig was. De bedrijfsarts reageert dezelfde dag op deze e-mail schrijft onder andere: “Ik ga denk ik G. adviseren, is net iets steviger dan H. bij psychische problematiek.”

3.8    Op 29 januari 2024 laat klaagster weten dat het niet goed met haar gaat en dat zij erg lijdt onder fysieke en mentale beperkingen. Zij laat weten dat er sprake is van een discrepantie tussen wat je aan haar kan zien en wat er feitelijk in haar omgaat. Klaagster heeft de bedrijfsarts een offerte toegezonden voor begeleiding. Klaagster geeft aan dat haar werkgever heeft toegezegd dat als de bedrijfsarts het goed vindt, de werkgever bereid is om dit traject te betalen. De bedrijfsarts adviseert een doorverwijzing naar H.. Klaagster gaat hiermee akkoord. De bedrijfsarts noteert dat klaagster een verzorgde en vitale indruk maakt en dat er geen merkbare concentratieproblemen zijn. Verder noteert hij dat sprake is van een forse stagnatie in de re-integratie. Na dit consult belt de bedrijfsarts met de re-integratieadviseur over de offerte die hij van klaagster heeft ontvangen. De re-integratie-adviseur vertelt dat de werkgever deze kosten niet zal vergoeden en dat dit ook al met klaagster zou zijn besproken. 

3.9    Op 31 januari (e-mail) en 5 februari 2024 (consult) laat klaagster aan de bedrijfsarts weten dat zij de noodzaak niet inziet voor een doorverwijzing naar H., nu er al een diagnose is gesteld door F. en zij zelf inmiddels begeleiding heeft geregeld. De bedrijfsarts laat aan klaagster weten dat hij bij zijn advies blijft. 

3.10    Op 12 februari 2024 heeft klaagster een consult bij de bedrijfsarts. Zij geeft aan begonnen te zijn met drie uur per dag werken en dat dit redelijk goed gaat. Klaagster vraagt de bedrijfsarts om medische informatie op te vragen bij haar huidige behandelaar. Klaagster legt uit waarom zij niet naar H. wil en geeft aan een second opinion te overwegen. 

3.11    Op 13 februari 2024 vraagt klaagster per e-mail een second opinion aan. 

3.12    Op 26 februari 2024 komt klaagster met haar partner op het spreekuur en geeft de bedrijfsarts uitgebreide uitleg over de second opinion. 

3.13    Na dit gesprek bevestigt klaagster per e-mail dat zij de second opinion wil opstarten. 

3.14    Op 18 maart 2024 informeert een medewerker van het medisch loket of klaagster nog gebruik wil maken van een second opinion. Op 19 maart 2024 laat klaagster per e-mail weten nog altijd interesse te hebben in een second opinion, maar eerst nog een aantal vragen beantwoord te willen hebben. Klaagster mailt haar vragen op 27 maart 2024 en de medewerker van het medisch loket beantwoordt deze op 28 maart 2024. 

3.15    Op 15 april 2024 heeft klaagster een consult bij de bedrijfsarts. Zij vertelt dat de second opinion procedure niet op gang is gekomen en dat zij toch wil meewerken aan de expertise bij H.. Zij heeft van haar leidinggevende vernomen dat haar contract niet verlengd gaat worden en dat zij in juli uit dienst zal gaan. Klaagster geeft aan het liefst tot het einde van haar dienstverband niet te werken en vraagt de bedrijfsarts of hij daarin iets kan betekenen. 

3.16    Op 15 april 2024 heeft klaagster zich volledig ziekgemeld bij haar werkgever en na deze datum heeft er geen contact meer plaatsgevonden met de bedrijfsarts.

4.    Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1    Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij:
a)    gebruik heeft gemaakt van suggestief taalgebruik in het dossier; 
b)    onjuist heeft gehandeld bij het aanvragen van de second opinion;
c)    klaagster niet had mogen doorverwijzen naar H.;
d)    heeft geweigerd om te kijken naar de beschikbare relevante medische informatie;
e)    op een onheuse manier zijn dossier heeft gevoerd en daarover heeft gelogen; 
f)    de beschikbare medische informatie en rapportages onjuist heeft geïnterpreteerd; 
g)    haar privacy heeft geschonden. 

4.2    Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel a ongegrond en klachtonderdelen b t/m g gegrond verklaard. De bedrijfsarts is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de klacht alsnog geheel ongegrond wordt verklaard en wordt afgezien van het opleggen van een maatregel. 

4.3    Klaagster heeft het Centraal Tuchtcollege verzocht om het beroep van de bedrijfsarts te verwerpen. Klaagster heeft geen incidenteel beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel a. Het gaat in beroep daarom alleen over de klachtonderdelen b t/m g. 

Toetsingskader
4.4    Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat het duidelijk is dat klaagster het gehele traject als belastend heeft ervaren en dat klaagster zich onvoldoende gesteund heeft gevoeld door de bedrijfsarts. Het college heeft er begrip voor dat klaagster het als belastend heeft ervaren dat de bedrijfsarts bij herhaling noteerde dat zij een vitale indruk maakte terwijl zij zich erg ziek voelde. Het Centraal Tuchtcollege zal echter op een zakelijke wijze moeten beoordelen of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Inhoudelijke beoordeling

Klachtonderdeel b) de gang van zaken met betrekking tot de second opinion
4.5     Omdat klaagster het niet eens was met het besluit van de bedrijfsarts om haar naar H. te verwijzen, heeft zij verzocht om een second opinion. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij haar onder druk heeft gezet om af te zien van een second opinion. 

4.6    Op basis van het dossier en de daarin aanwezige transcripties van de gesprekken tussen de bedrijfsarts en klaagster concludeert het Centraal Tuchtcollege dat de bedrijfsarts een second opinion niet heeft ontraden of tegen heeft gehouden. Wel heeft de bedrijfsarts duidelijk willen maken dat hij het advies van de second opinion niet automatisch overneemt. De bedrijfsarts heeft op de zitting aangegeven dat hij inziet dat de manier waarop hij dit duidelijk heeft willen maken minder dwingend had gekund. Uit het dossier blijkt niet dat de uitleg van de bedrijfsarts ertoe heeft geleid dat klaagster van de second opinion heeft afgezien. Bij het bespreken van de second opinion heeft de bedrijfsarts klaagster correct geïnformeerd. De manier waarop de bedrijfsarts dit heeft gedaan had anders (minder dwingend) gekund, maar dit is onvoldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt. Klachtonderdeel b is ongegrond.  

Klachtonderdeel c) de doorverwijzing naar H.
4.7    Klaagster heeft zich op 14 augustus 2023 ziekgemeld bij haar werkgever. Op 19 september 2023 is zij gestart met een re-integratietraject. Vanaf 19 september 2023 was klaagster eerst een maand in E.. Na terugkomst werkte klaagster twee uur per dag. Klaagster gaf aan dat het slecht met haar ging. Zij was niet in staat om bij haar werkgever op de koffie te gaan en naar het spreekuur van de bedrijfsarts te komen. Klaagster bezocht wel F., de huisarts en haar therapeuten. Op de bedrijfsarts maakte klaagster een vitale indruk. Klaagster gaf zelf (ook) aan dat er sprake is van een discrepantie tussen wat je aan haar kon zien en wat er feitelijk in haar omging. Op 29 januari 2024 gaf klaagster aan dat het slechter met haar ging en dat zij niet in staat was meer dan twee uur per dag te werken. De bedrijfsarts heeft op dat moment terecht geconcludeerd dat de re-integratie was gestagneerd. De bedrijfsarts heeft de casus met collega’s besproken en besloten om klaagster naar H. te verwijzen voor onderzoek naar haar belastbaarheid. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de bedrijfsarts gezien de bovengenoemde bevindingen in redelijkheid tot deze verwijzing kon komen. Klachtonderdeel c is ongegrond.

Klachtonderdeel d) de weigering om te kijken naar de beschikbare relevante medische informatie
4.8    Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij niet naar het rapport van F. heeft willen kijken. De bedrijfsarts heeft toegelicht dat hij geen toegevoegde waarde zag in het opvragen van het rapport van F. omdat hij de door F. gestelde diagnoses al kende, klaagster niet bij F. in behandeling was, F. geen oordeel kon geven over de belastbaarheid van klaagster, de informatie van F. niet meer actueel was omdat de situatie van klaagster inmiddels was verslechterd en H. zelf de op dat moment actuele informatie bij F. zou opvragen. Het Centraal Tuchtcollege kan de bedrijfsarts hierin volgen. Voor klaagster was het erg belangrijk dat de bedrijfsarts kennisnam van het rapport van F.. Voor de verbinding met klaagster was het beter geweest als de bedrijfsarts wel naar het rapport van F. had gekeken, maar dat de bedrijfsarts dit niet heeft gedaan kan hem niet tuchtrechtelijk worden verweten. Klachtonderdeel d is ook ongegrond. 

Klachtonderdeel e) de dossiervoering
4.9    Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij op onzorgvuldige wijze zijn dossier heeft gevoerd. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege heeft het Centraal Tuchtcollege niet kunnen vaststellen dat de bedrijfsarts tekort is geschoten in zijn verslaglegging. Het Regionaal Tuchtcollege noemt in overweging 5.17 als voorbeelden dat de bedrijfsarts wel heeft opgeschreven dat hij op 29 januari 2024 een gesprek heeft gehad met de re-integratieadviseur, maar dat daarin ontbreekt wat er daadwerkelijk is besproken. Ook heeft het Regionaal Tuchtcollege geconcludeerd dat een vermelding van het feit dat de bedrijfsarts op 8 februari 2024 met de leidinggevende van klaagster heeft gesproken volledig in het dossier ontbreekt. 

4.10    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de inhoud van het gesprek met de re-integratie-adviseur door de bedrijfsarts wel in het dossier is genoteerd. Het contact met de leidinggevende vond plaats op 12 februari 2024 in plaats van op 8 februari 2024 en de inhoud van dat contact staat ook in het dossier. Ten aanzien van de overleggen met zijn collega’s heeft de bedrijfsarts genoteerd dat er consensus is over het beleid. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege acht het Centraal Tuchtcollege dit voldoende. Klachtonderdeel e is ongegrond. 

Klachtonderdeel f)  het onjuist interpreteren van de beschikbare medische informatie en rapportages 
4.11    Klaagster verwijt de bedrijfsarts in dit klachtonderdeel met name dat hij herhaaldelijk de term ‘suïcidale gedachten’ gebruikt terwijl het F.-rapport vermeldt: “er is sprake van gedachten aan de dood maar er is geen sprake van concrete plannen van zelfmoord”. 

4.12    In het dossier is twee keer melding gemaakt van suïcidale gedachten. In het verslag van het eerste consult van 18 september 2023 en in de samenvatting voor de second opinion van 26 februari 2024. Gelet op hetgeen de bedrijfsarts tijdens het consult van 18 september 2023 van klaagster heeft begrepen - dat klaagster suïcidale gedachten had, geen ideeën of plannen om een einde aan haar leven te maken, maar soms wel een gevoel van uitzichtloosheid – heeft de bedrijfsarts hier terecht melding van gemaakt in het dossier. Klachtonderdeel f is ongegrond. 

Klachtonderdeel g) schending van de privacy
4.13    Op 25 januari 2024 heeft de bedrijfsarts aan de re-integratieadviseur van de werkgever van klaagster een e-mail verzonden met daarin onder andere de tekst: “ik ga denk ik G. adviseren, is net iets steviger dan H. bij psychische problematiek.” Klaagster stelt dat de bedrijfsarts hiermee zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. 
4.14    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de bedrijfsarts in de betreffende e-mail in algemene termen iets heeft teruggekoppeld dat de re-integratieadviseur al wist. Via klaagster was de re-integratieadviseur er al van op de hoogte dat er sprake was van psychische problematiek. Zij had immers met haar leidinggevende en de re-integratieadviseur gesproken over de door haar gewenste vergoeding van de kosten van een behandeling. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de bedrijfsarts met het versturen van deze e-mail zijn geheimhoudingsplicht niet heeft geschonden. Klachtonderdeel g is ongegrond.  

Conclusie
4.15    Alles afwegende is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat bedrijfsarts heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts mag worden verwacht. Dit betekent dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege niet in stand kan blijven en de klacht alsnog ongegrond wordt verklaard. De maatregel van berisping komt daarmee te vervallen.

5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover klachtonderdeel b t/m g gegrond zijn verklaard en aan de bedrijfsarts een berisping is opgelegd en doet voor dat deel opnieuw recht; verklaart klachtonderdelen b t/m g ongegrond; verstaat dat de maatregel van berisping komt te vervallen. 

Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, L. van Dijk en T. Dompeling, leden-juristen, en N. Abdoelkariem en A.H.J.M. Sterk, leden beroepsgenoten, bijgestaan door 
K.M. ten Pas, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2026.
        Voorzitter   w.g.                Secretaris w.g.