ECLI:NL:TGZCTG:2026:19 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2828
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:19 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 26-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2828 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een arbo-arts die klaagster heeft begeleid in het kader van verzuimbegeleiding. De arbo-arts werkt onder supervisie van een bedrijfsarts. Klaagster verwijt de arbo-arts in zes klachtonderdelen een onzorgvuldige handelswijze die de re-integratie onnodig heeft vertraagd, en de verhoudingen tussen klaagster en haar werkgever onnodig heeft verstoord, hetgeen niet heeft bijgedragen aan het herstelproces. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2828 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
gemachtigde: mr. S.P.R.M. Kranenburg, werkzaam in Loenen,
tegen
C. arts, werkzaam te D.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de arbo-arts,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam te Utrecht.
1. Kern van de zaak
1.1 De arbo-arts is verbonden aan E. en heeft klaagster begeleid in het kader
van de verzuimbegeleiding. Klaagster heeft verschillende klachten ten aanzien van
de arbo-arts en haar supervisor (zaak C2025/2829). Klaagster verwijt de arbo-arts
een onzorgvuldige handelwijze die de re-integratie onnodig heeft vertraagd, en de
verhoudingen tussen klaagster en haar werkgever onnodig heeft verstoord, hetgeen niet
heeft bijgedragen aan het herstelproces.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep verwerpen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Amsterdam met nummer A2024/7411 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:82).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift en het verweerschrift in beroep.
2.3 De zaak is op de zitting van 17 december 2025 gelijktijdig behandeld met de zaak tegen de superviserend bedrijfsarts (C2025/2829). De zaken zijn niet gevoegd. Klaagster en haar gemachtigde, mr. Kranenburg waren aanwezig net als de arbo-arts en haar gemachtigde mr. Peet. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van mr. Kranenburg zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten. De arbo-arts (anios)
is verbonden aan E. in D.. Zij werkt daar onder supervisie van de bedrijfsarts, de
heer F..
3.2 Klaagster is op 8 januari 2024 ziekgemeld door haar werkgever. Op 11 januari 2024 is het eerste contact geweest met klaagster en aan de hand daarvan werd besloten klaagster op te roepen voor een eerste consult in het kader van verzuimbegeleiding. Dat heeft plaatsgevonden op 23 januari 2024 door een arbo-verpleegkundige. In het advies van de arbo-verpleegkundige staat: ‘Betrokkene is uitgevallen voor haar werk met klachten en beperkingen in haar persoonlijk en sociaal functioneren. De oorzaak ervan is volledig werkgerelateerd. Er wordt een behandeling opgestart. Het ervaren van arbeidsgerelateerde knelpunten kan een negatieve invloed hebben op het herstel van betrokkene. Daarom is het belangrijk om de ervaren arbeidsgerelateerde problematiek zo snel mogelijk op te lossen, bijvoorbeeld door middel van een gesprek met de leidinggevende. Een goede oplossing kan het herstel bevorderen en de kans op terugval verkleinen. Door de mate van beperkingen is betrokkene tijdelijk ongeschikt voor zijn eigen werk, ook is aangepast werk nog niet mogelijk.’
3.3 Op 21 februari 2024 volgt een vervolgconsult bij de arbo-arts. De arbo-arts
vermeldt het volgende in haar advies:
“Betrokkene is uitgevallen wegens gezondheidsklachten. De oorzaak is volledig arbeidsgerelateerd
(hoge werkdruk). Er heeft een gesprek plaatsgevonden, echter met onvoldoende resultaat.
Ik adviseer nogmaals in gesprek te gaan om duidelijke afspraken te maken over het
vervolg en om de re-integratie zo goed mogelijk in te richten. In dit consult met
betrokkene gesproken over werkhervatting in het kader van ritme, structuur en contact
met de werkvloer. Daarom wordt conform de NVAB richtlijn en verzekeringsgeneeskundige
protocol geadviseerd om re-integratie in passende vorm, boventallig in afgebakende
taken zonder tijdsdruk/tempodruk aan te bieden, te beginnen met 3 x 2 uur per dag,
hierbij rekening houdend met de beschreven beperkingen. Wanneer dit goed verloopt
kan betrokkene na 1-2 weken opbouwen naar 4 x 2 uur, 5 x 2 uur en daarna met 1 uur
per dag erbij.
Werkgever en betrokkene worden geadviseerd om vooraf werkhervatting een koffie momentje
in te plannen om duidelijke werkafspraken te maken conform bovengenoemde beperkingen
patroon zodat re-integratie kan starten. Het betreft werkafspraken over werktijden,
werkinhoud, werktempo en output. Evaluatie momenten mogen in deze zeker niet ontbreken.
3.4 Op 29 februari 2024 geeft klaagster per mail bij E. aan te twijfelen aan het advies van de arbo-arts en vraagt om een second opinion bij een bedrijfsarts met een grote deskundigheid op het gebied van burn-out klachten.
3.5 Op 6 maart 2024 mailt de heer G. namens E. dat klaagster wordt opgeroepen voor het spreekuur van de arbo-arts om te bespreken of zij bereid is klaagster door te verwijzen naar een second opinion arts. Klaagster laat dezelfde dag per mail weten dat zij nog steeds twijfelt aan het advies van de arbo-arts en een second opinion wil. Ook vraagt zij wie de supervisor van de arbo-arts is. Op 6 maart 2024 ontvangt klaagster de mail met als bijlage de uitnodiging voor het consult op 27 maart 2024.
3.6 Op 7 maart 2024 laat E. klaagster per mail weten dat de heer F. de supervisor van de arbo-arts is. Diezelfde dag verzoekt klaagster per mail om haar in te plannen op het spreekuur van de heer F. en niet op het spreekuur van de arbo-arts. Op 11 maart 2024 mailt klaagster E. met als bijlage een brief gericht aan de arbo-arts waarin zij laat weten om een second opinion te hebben verzocht en benoemt zij haar klachten ter voorbereiding op het gesprek over de second opinion.
3.7 Op 27 maart 2024 vindt een consult plaats op het spreekuur van de arbo-arts
om het verzoek om, en de vraagstelling voor, de second opinion te bespreken. Op 19
april 2024 komt klaagster op consult bij de second opinion bedrijfsarts. Op 23 mei
2024 volgt de rapportage van de second opinion bedrijfsarts met verschillende conclusies
en aanbevelingen. Op 3 juni 2024 vindt er een gesprek plaats tussen klaagster en de
supervisor van de arbo-arts.
3.8 Het handelen van de arbo-arts, de supervisor en E. in dit kader is voor klaagster
aanleiding tot het indienen van de klacht.
4. Het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster verwijt de arbo-arts het:
a) traineren van de aanvraag voor een second opinion zonder redelijke grond;
b) weigeren tot het verlenen van toegang tot de (superviserende) bedrijfsarts;
c) schenden van supervisie- en delegatie-eisen zoals vastgelegd in de beroepsnormen;
d) niet overleggen van het (medisch) dossier op verzoek van de patiënt/werknemer;
e) onzorgvuldig onderzoek en onzorgvuldige dossiervorming;
f) niet handelen als redelijk handelend en bekwaam vakgenoot/bedrijfsarts.
4.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat alle klachtonderdelen alsnog gegrond worden verklaard.
4.3 De arbo-arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep te verwerpen.
Toetsingskader
4.4 Het Centraal Tuchtcollege moet de vraag beantwoorden of de arbo-arts de zorg
heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk
bekwame en redelijk handelend arbo-arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden
met de voor haar geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een
zorgverlener beter of anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdeel a), b) en c) traineren aanvraag second opinion, weigeren toegang
tot (superviserende) bedrijfsarts en schenden supervisie- en delegatie-eisen
4.5 Het Centraal Tuchtcollege ziet aanleiding deze klachtonderdelen gezamenlijk
te bespreken. Het college stelt vast dat klaagster op 29 februari 2024 per mail verzoekt
om een second opinion, omdat zij twijfelt over het advies van de arbo-arts. Uit de
daaropvolgende mailwisseling van 6 maart 2024 volgt dat klaagster die dag de uitnodiging
ontvangt voor een tweede consult bij de arbo-arts. Klaagster heeft op 7 maart 2024
verzocht om haar op het spreekuur van de bedrijfsarts in plaats van de arbo-arts in
te plannen. Klaagster heeft op grond van het Standpunt Delegatie van taken door de
bedrijfsarts en supervisie (NVAB 2022) ook altijd het recht om de verantwoordelijke
bedrijfsarts te spreken. Anders dan klaagster lijkt te betogen betekent haar verzoek
echter niet per se dat het consult op 27 maart 2024 door de supervisor verricht had
moeten worden. Hoewel dit denkbaar was geweest, ook omdat alleen de bedrijfsarts bevoegd
is een second opinion aan te vragen, is het gebruikelijk dat een tweede consult wordt
ingepland bij de arts die het advies waar de second opinion betrekking op heeft, heeft
gegeven, dit om de vraagstelling voor de second opinion zo goed mogelijk te formuleren.
Dat de arbo-arts dit gesprek zelf heeft gevoerd acht ook het Centraal Tuchtcollege
niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daarbij was het klaagster, gezien de mail van 11
december 2024 duidelijk dat dit consult bij de arbo-arts zou zijn en tot doel had
de aanvraag voor de second opinion verder te bespreken.
4.6 Net als het Regionaal Tuchtcollege ziet het Centraal Tuchtcollege in deze gang
van zaken geen aanleiding om te veronderstellen dat de aanvraag van de second opinion
bewust door de arbo-arts is getraineerd. De vraag of de second opinion door klaagster
op 29 februari of
6 maart 2024 is aangevraagd acht het college niet doorslaggevend voor deze beoordeling.
4.7 Evenmin is gebleken dat de arbo-arts klaagster de toegang tot de bedrijfsarts (en tevens supervisor) heeft geweigerd. Voor het Centraal Tuchtcollege is onduidelijk gebleven waarom het consult met de bedrijfsarts niet eerder dan op 3 juni 2024 plaatsvond. Wel is duidelijk dat de arbo-arts niet betrokken is geweest bij de planning van de consulten omdat dit gebeurde door E.. De arbo-arts had hier geen invloed op en het dossier bevat ook geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat zij heeft geprobeerd om de toegang tot de bedrijfsarts te blokkeren of te vertragen. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich aan bij de overwegingen 5.2 tot en met 5.4 van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze hier over.
4.8 Klaagster verwijt de arbo-arts verder dat zij de supervisorconstructie tijdens het consult op 21 februari 2024 niet kenbaar heeft gemaakt. Bovendien is niet aannemelijk dat deze supervisie heeft plaatsgevonden, aldus klaagster.
4.9 Volgens de arbo-arts legt zij in het eerste contact altijd uit dat er een supervisor betrokken is bij de beoordeling van het dossier omdat zij arbo-arts is en geen bedrijfsarts. Dat heeft zij in het geval van klaagster ook gedaan. Klaagster betwist dat dit tijdens het consult aan de orde is gekomen. Volgens haar is hier niet over gesproken en heeft zij pas uit de ontvangen rapportage afgeleid dat de arts geen bedrijfsarts maar een arbo-arts was.
4.10 Het Centraal Tuchtcollege constateert dat de lezingen van partijen over wat er gezegd is tijdens het consult van 21 februari 2024 ten aanzien van de supervisie uiteenlopen. Het Centraal Tuchtcollege kan op basis van de stukken en de mondelinge behandeling op de zitting niet vaststellen welke van de twee lezingen aannemelijk is. Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege dat klachtonderdeel in beginsel niet gegrond kan verklaren. De gegrondverklaring van de klacht kan namelijk niet gebaseerd zijn op alleen de lezing van de klagende partij. Het is niet zo dat er aan het woord van klaagster minder geloof wordt gehecht dan aan dat van de arbo-arts. Het gaat erom dat de arbo-arts pas een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van een bepaalde gedraging of een bepaald nalaten als er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel is, dat wil zeggen dat aannemelijk is dat de onzorgvuldige gedraging daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat is hier niet het geval. Het enkele feit dat supervisieconstructie niet is opgenomen in het medisch dossier acht het college daarvoor onvoldoende.
4.11 Het Centraal Tuchtcollege merkt nog wel het volgende op. Op basis van het “Standpunt delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie” dient de werknemer op een zodanige wijze over de supervisie geïnformeerd te worden dat de functie en de specifieke taak van de gesuperviseerde duidelijk zijn voor de werknemer zodat die weet wie de verantwoordelijke bedrijfsarts is. Ook moeten de gesuperviseerde en de bedrijfsarts laten weten hoe en wanneer de werknemer de verantwoordelijke bedrijfsarts kan bereiken. Hoewel het Centraal Tuchtcollege niet kan vaststellen of en zo ja wat er over de supervisie is besproken, blijkt uit de e-mailwisseling en de verklaring van de arbo-arts over wat er volgens haar tijdens het consult is besproken dat klaagster tijdens het consult van 21 februari 2025 niet op de hoogte is gesteld wie de superviserende bedrijfsarts is en hoe en wanneer zij die kon bereiken. In zoverre is de arbo-arts wel tekort geschoten. Omdat de informatieplicht een gedeelde verantwoordelijkheid van de (gesuperviseerde) arbo-arts, de arbodienst en de bedrijfsarts is, leidt deze omissie van de arbo-arts niet tot een (gedeeltelijk) gegrondverklaring van de tegen haar gerichte klacht op dit onderdeel.
4.12 De arbo-arts en de superviserend bedrijfsarts hebben op 14 april 2023 een supervisieovereenkomst en een begeleidingsdocument opgesteld waaruit volgt hoe de supervisie wordt vormgegeven. Uit de aantekeningen in dit begeleidingsdocument volgt dat er tussen de arbo-arts en de superviserend bedrijfsarts meerdere keren overleg/supervisie heeft plaatsgevonden. Dat de superviserend bedrijfsarts niet heeft ingelogd in het dossier van klaagster betekent niet zonder meer dat er geen supervisie is geweest. Hetzelfde geldt voor het afwijkende lettertype dat is gebruikt in het begeleidingsdocument ten aanzien van de contactmomenten. Het was overigens wel beter geweest als duidelijk was genoteerd wat er tijdens de overleggen was besproken en geadviseerd.
4.13 Het Centraal Tuchtcollege is dan ook van oordeel dat klachtonderdelen a), b) en c) daarom ongegrond zijn.
Klachtonderdeel d) e) en f) niet overleggen medisch dossier, onzorgvuldig onderzoek
en dossiervorming en niet handelen als redelijk handelend en bekwaam vakgenoot/bedrijfsarts
4.14 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling in beroep ten aanzien
van deze klachtonderdelen niet heeft geleid tot andere beschouwingen en beslissingen
dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Ook het Centraal Tuchtcollege is van oordeel
dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn en neemt hier over hetgeen het Regionaal
Tuchtcollege in zijn beslissing onder 5.7 tot en met 5.10 heeft overwogen.
Conclusie
4.15 De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht in al haar onderdelen
terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep daarom
verwerpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter,
L. van Dijk en T. Dompeling, leden-juristen en N. Abdoelkariem en A.H.J.M. Sterk,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 26 januari 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.