ECLI:NL:TGZCTG:2026:16 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2993

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:16
Datum uitspraak: 19-01-2026
Datum publicatie: 19-01-2026
Zaaknummer(s): C2025/2993
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: .

D E  V O O R Z I T T E R  V A N  H E T  C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2993 van:

A.,
wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,

tegen

C., verpleegkundige,
werkzaam te D.,
verweerster in beide instanties.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1       Klaagster ontvangt sinds november 2023 zorg van het GGZ team B./E. van F. De verpleegkundige was onderdeel van dit team en de eerste contactpersoon voor klaagster. Klaagster verwijt de verpleegkundige onjuist handelen vanwege het – volgens klaagster – liegen over de situatie bij de rechter ten behoeve van een zorgmachtiging, het aandringen op verhuizen naar een HAT-woning op het terrein van F. en het aandringen op het innemen van medicatie.

1.2       Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is het daarmee eens. Zij is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep afwijzen.


2.         Verloop van de procedure in beroep
2.1       Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg                in Amsterdam van 15 augustus 2025 met nummer A2024/7547 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:203).

2.2       De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, en                  van het beroepschrift van 18 september 2025.

3.         De feiten

3.1       De voorzitter gaat uit van de volgende feiten.

3.2       Klaagster, geboren in 1973, is sinds november 2023 in behandeling bij F. in verband met een psychische stoornis, waaronder paranoïde wanen. Het GGZ-team B. verleende bemoeizorg.

3.3       Klaagster heeft veel meldingen bij de politie gedaan van burenoverlast, omdat zij naar eigen zeggen door haar buren zou worden uitgescholden en haar buren bij haar zouden willen inbreken. Klaagster heeft onder meer een gedragsaanwijzing van de burgemeester van B. gekregen.

3.4       Op 5 januari 2024 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met 5 juli 2024. Op basis van deze zorgmachtiging is klaagster in januari 2024 opgenomen bij het klinisch centrum acute psychiatrie voor verdere observatie en het instellen van antipsychotische medicatie vanwege ernstig nadeel in verband met psychotische symptomen, cannabismisbruik en een dreigende uithuiszetting.

3.5       Op 5 februari 2024 is klaagster weggelopen uit de kliniek. Kort na haar vertrek nam het aantal meldingen van klaagster bij de politie weer toe.

3.6       Op 19 juni 2024 is een verlenging van de zorgmachtiging aangevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft op 9 juli 2024 een terechtzitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft de zorgmachtiging verlengd, omdat was gebleken dat passende zorg op vrijwillige basis niet mogelijk was en om die reden verplichte zorg noodzakelijk was.

3.7       De verpleegkundige heeft met klaagster verschillende trajecten van hulp besproken, waaronder langdurige intensieve zorg op het terrein van F., met het oog op doorstroom naar een HAT-woning. Daarnaast is besproken om voor klaagster een wettelijk vertegenwoordiger of mentor aan te stellen. Klaagster heeft alle initiatieven en contactmomenten afgewend.

3.8       In oktober 2024 is besloten om geen verdere verlenging van de zorgmachtiging meer aan te vragen, omdat dit door het GGZ-team niet langer als doelmatig en proportioneel werd beschouwd.

4.         De beoordeling van het beroep

4.1       De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege moet net als het Regionaal Tuchtcollege beoordelen of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundige geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

4.2       Klaagster stelt dat de verpleegkundige heeft gelogen over de medische situatie van klaagster bij de rechtszaak om de zorgmachtiging, en dat de verpleegkundige ten onrechte heeft aangedrongen op het verhuizen naar een HAT-woning op het terrein van F. en op het innemen van medicatie. Volgens klaagster had de verpleegkundige direct de medicijnen moeten stopzetten toen klaagster aan haar vertelde dat zij geen ziektes heeft en dat zij lastig gevallen werd door haar buren.

4.3       De voorzitter stelt voorop dat zij begrijpt dat de situatie met betrekking tot haar buren erg belastend is voor klaagster. De voorzitter is echter net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier, waaronder het klaagschrift en de bijbehorende bijlagen, het geenszins aannemelijk is geworden dat de verpleegkundige onwaarheden over klaagster heeft vermeld tijdens de rechtszaak. Het dossier, inclusief het beroepschrift, biedt hier geen enkel aanknopingspunt voor.

De voorzitter is daarnaast van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft geoordeeld dat het aandringen op alternatieve woonruimte en het stimuleren van medicatiegebruik moet worden beschouwd als onderdeel van bemoeizorg, uitgevoerd binnen de verleende zorgmachtiging en passend binnen de professionele grenzen van de verpleegkundige. Het handelen van de verpleegkundige was erop gericht om passende zorg te verlenen en om verdere escalatie te voorkomen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake.

4.4       Dit leidt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege neemt dit oordeel en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen over.

4.5       De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is op basis van het bovenstaande van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 26 augustus 2025. Zij zal het beroep daarom afwijzen.

5.         Beslissing

De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

 wijst het beroep af.

Aldus gewezen op 8 januari 2026 en ondertekend door Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan door
E. van der Linde, secretaris.

Voorzitter

                                               Secretaris

Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.