ECLI:NL:TGZRAMS:2025:203 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7547

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:203
Datum uitspraak: 15-08-2025
Datum publicatie: 15-08-2025
Zaaknummer(s): A2024/7547
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster ontvangt zorg van het GGZ team van de instelling. Verweerster was onderdeel van dit team (tegen haar collega en teamlid is ook een klacht ingediend, geregistreerd onder zaaknummer A2024/7546) en de eerste contactpersoon voor klaagster. Klaagster verwijt haar dat zij heeft gelogen over de medische situatie van klaagster bij de rechtszaak om de zorgmachtiging en dat zij aandringt op het verhuizen naar een HAT-woning op het terrein van de instelling en het innemen van medicatie. Niet kan worden vastgesteld dat de verpleegkundige onwaarheden over klaagster heeft vermeld en de door klaagster gestelde onwaarheden zijn niet onderbouwd. Daarnaast is het college van oordeel dat het handelen van de verpleegkundige erop was gericht passende zorg te verlenen en verdere escalatie te voorkomen.

A2024/7547
Beslissing van 15 augustus 2025


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 15 augustus 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klaagster,

tegen

C,
verpleegkundige,
werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundige.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster ontvangt sinds november 2023 zorg van het GGZ team E van F. Verweerster was als verpleegkundige onderdeel van dit team en de eerste contactpersoon voor klaagster.

1.2 Klaagster verwijt de verpleegkundige onjuist handelen vanwege het – volgens klaagster – liegen over de situatie bij de rechter ten behoeve van een zorgmachtiging, het aandringen op het verhuizen naar een HAT-woning op het terrein van F en het aandringen op het innemen van medicatie.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Klaagster heeft ook tegen de collega en teamlid van de verpleegkundige een klacht ingediend (zaaknummer A2024/7546), maar het college zal in deze beslissing alleen de klacht tegen de verpleegkundige beoordelen.

2.2 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 20 augustus 2024;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 3 december 2024;
- het verweerschrift;
- het e-mailbericht van klaagster van 15 mei 2025, met een reactie op het verweerschrift;
- de door het college bij verweerster opgevraagde beschikking van Rechtbank D,
9 juli 2024, zaak-/rekestnr. C/09/668174 / FA RK 24-4388.

2.3 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.4 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster, geboren in 1973, is sinds november 2023 in behandeling bij F in verband met een psychische stoornis, waaronder paranoïde wanen. Het GGZ-team B verleende bemoeizorg.

3.2 Klaagster doet veel meldingen bij de politie van burenoverlast, omdat zij naar eigen zeggen door haar buren zou worden uitgescholden en haar buren bij haar zouden willen inbreken. Klaagster heeft een gedragsaanwijzing van de burgemeester van B gekregen en er loopt een uithuiszettingsprocedure vanuit de woningbouwvereniging vanwege overlast.

3.3 Op 5 januari 2024 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met 5 juli 2024. Op basis van deze zorgmachtiging is klaagster in januari 2024 opgenomen bij het G voor verdere observatie en het instellen van antipsychotische medicatie vanwege ernstig nadeel in verband met psychotische symptomen, cannabismisbruik en een dreigende uithuiszetting.

3.4 Op 5 februari 2024 is klaagster weggelopen uit de kliniek. Kort na haar vertrek nam het aantal meldingen van klaagster bij de politie weer toe.

3.5 Op 19 juni 2024 is een verlenging van de zorgmachtiging aangevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft op 9 juli 2024 een terechtzitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft de zorgmachtiging verlengd, omdat was gebleken dat passende zorg op vrijwillige basis niet mogelijk was en om die reden verplichte zorg noodzakelijk was.

3.6 De verpleegkundige heeft met klaagster verschillende trajecten van hulp besproken, waaronder langdurige intensieve zorg op het terrein van F, met het oog op doorstroom naar een HAT-woning. Daarnaast is besproken om voor klaagster een wettelijk vertegenwoordiger of mentor aan te stellen. Klaagster heeft alle initiatieven en contactmomenten afgewend.

3.7 In oktober 2024 is besloten om geen verdere verlenging van de zorgmachtiging meer aan te vragen, omdat dit door het GGZ-team niet langer als doelmatig en proportioneel werd beschouwd.


3.8 Op 20 augustus 2024 is de thans voorliggende klacht van klaagster tegen de verpleegkundige door het regionaal tuchtcollege ontvangen.

4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Klaagster richt een deel van de verwijten die zij maakt in haar klaagschrift tot een collega van de verpleegkundige. In de aanvulling op het klaagschrift maakt zij echter onderscheid tussen de betrokken zorgverleners.

4.2 Ten aanzien van de verpleegkundige gaat het college uit van de volgende klachtonderdelen. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij:
a) gelogen heeft over de medische situatie van klaagster bij de rechtszaak om de zorgmachtiging; en
b) aandringt op het verhuizen naar een HAT-woning op het terrein van F en het innemen van medicatie.

4.3 De verpleegkundige heeft het college verzocht de klacht op alle onderdelen ongegrond te verklaren.

4.4 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundige geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Klachtonderdeel a) liegen over medische situatie van klaagster tijdens de rechtszaak over de zorgmachtiging
5.2 Klaagster stelt dat de verpleegkundige heeft gelogen over het feit dat zij iets mankeert of psychisch niet in orde is. Dit gebeurde volgens klaagster in februari 2024, tijdens de rechtszaak over de zorgmachtiging.

5.3 Het college is van oordeel dat er van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is en overweegt daartoe als volgt.

5.4 Uit de beschikking van Rechtbank D van 9 juli 2024, blijkt dat eerder – op 5 januari 2024 - een zorgmachtiging is verleend voor de duur van zes maanden. Op 9 juli 2024 is die machtiging verlengd. In de beschikking van 9 juli 2024 oordeelt de rechter dat klaagster lijdt aan een psychische stoornis en dat deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in ernstige psychische schade, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat klaagster met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.


5.5 De verpleegkundige heeft in haar verweerschrift uiteengezet dat klaagster werd opgenomen op grond van een zorgmachtiging, omdat ambulante behandeling niet haalbaar bleek. Volgens de verpleegkundige kwam klaagster herhaaldelijk afspraken niet na, toonde zij zorgmijdend gedrag en ontstond er overlast in de woonomgeving. Ook dreigde een uithuiszetting. De verpleegkundige stelt dat de opname noodzakelijk was ter afwending van ernstig nadeel.

5.6 Het college stelt vast dat op grond van de stukken in het dossier, waaronder het klaagschrift en de bijbehorende bijlagen, niet kan worden vastgesteld dat de verpleegkundige onwaarheden over klaagster heeft vermeld tijdens de rechtszaak voor het verlenen van de zorgmachtiging dan wel het verlenen van de verlenging van de zorgmachtiging. De door klaagster gestelde onwaarheden zijn niet onderbouwd, waardoor het voor het college onduidelijk is waar zij haar stelling op baseert.

5.7 Volledigheidshalve oordeelt het college dat de zorgmachtiging niet via het medisch tuchtrecht kan worden aangevochten; daartegen stond voor klaagster een andere rechtsgang open.

5.8 Gelet op het voorgaande acht het college dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) aandringen op HAT-woning en medicatie-inname
5.9 Klaagster stelt dat de verpleegkundige haar heeft willen overhalen om te gaan wonen in een HAT-woning op het terrein van F. Daarnaast zou de verpleegkundige hebben aangedrongen op het innemen van medicatie. Klaagster ervaart dit aandringen als vervelend. Zij is van mening dat zij niet thuishoort op het terrein van F en wil de voorgeschreven medicatie niet gebruiken.

5.10 Het college is van oordeel dat het gestelde handelen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is en overweegt daartoe als volgt.

5.11 De verpleegkundige heeft in haar verweerschrift toegelicht dat sprake was van een lopende uithuiszettingsprocedure vanuit de woningbouwvereniging. Klaagster had tegen de uithuiszetting hoger beroep ingesteld, waardoor de beslissing werd uitgesteld. De verpleegkundige had van de advocaat vernomen dat er vanwege de vele overlastmeldingen geen alternatieven binnen de woningbouwvereniging mogelijk waren. Tegen deze achtergrond is door de verpleegkundige een traject met klaagster besproken, gericht op de aanmelding voor langdurige intensieve zorg op het terrein van F, met het oog op een mogelijke doorstroom naar een HAT-woning op datzelfde terrein.

5.12 Volgens de verpleegkundige vertoonde klaagster zowel vóór als ná haar opname bij het G zorgmijdend gedrag. Na de opname ontstonden twijfels bij de verpleegkundige over de medicatie-inname van klaagster. Aanvankelijk leek door het gebruik van Fluanxol (een antipsychoticum) de agitatie af te nemen. De verpleegkundige was ervan op de hoogte dat klaagster haar medicatie weliswaar ophaalde, maar zij betwijfelde of deze ook daadwerkelijk werd ingenomen. De verpleegkundige heeft vele malen contact gezocht met klaagster, maar het lukte niet om ambulant met klaagster in contact te komen en een behandelrelatie op te bouwen.

5.13 Gelet op het voorgaande is het college van oordeel dat het aandringen op alternatieve woonruimte en het stimuleren van medicatiegebruik moet worden beschouwd als onderdeel van bemoeizorg, uitgevoerd binnen de verleende zorgmachtiging en binnen de professionele grenzen van de verpleegkundige. Haar handelen was erop gericht passende zorg te verlenen en verdere escalatie te voorkomen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake.

Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 15 augustus 2025 door A. van Maanen, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist, G.J.T. Kooiman, I.M. Bonte en A. Petiet, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A.E. Veeren, secretaris.