ECLI:NL:TGZCTG:2026:151 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3091

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:151
Datum uitspraak: 15-07-2026
Datum publicatie: 15-07-2026
Zaaknummer(s): C2025/3091
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een internist. Klaagster is gedurende ruim een jaar in verband met een afwijkend bloedbeeld bij de internist in behandeling geweest. Het vinden van de oorzaak van het afwijkende bloedbeeld bleek een complexe zoektocht. Klaagster verwijt de internist dat zij gedurende de behandeling op een groot aantal punten onzorgvuldig heeft gehandeld. Het Regionaal Tuchtcollege acht alle klachten ongegrond, met uitzondering van klachtonderdeel b over een voorschrijffout. Aan de internist wordt geen maatregel opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen de ongegrondverklaring van de verschillende klachtonderdelen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3091 van:


A.,
wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,


tegen


C.,
Internist,
werkzaam in B.,
verweerster in beide instanties, 
hierna: de internist,
gemachtigde: mr. D., werkzaam in B..


1.    Kern van de zaak
1.1    Klaagster is gedurende ruim een jaar wegens een afwijkend bloedbeeld bij de internist in behandeling geweest. Zij heeft in het begin medicatie voorgeschreven gekregen, waarbij de internist echter een fout heeft gemaakt in het recept. Deze fout is erkend door de internist. Het vinden van de oorzaak van het afwijkende bloedbeeld bleek een complexe zoektocht. Klaagster vindt dat de internist gedurende de behandeling op een groot aantal punten onzorgvuldig heeft gehandeld. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft klachtonderdeel b over de voorschrijffout deels gegrond verklaard, bepaald dat geen maatregel wordt opgelegd en de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing om de overige klachtonderdelen ongegrond te verklaren en zal het hiertegen door klaagster ingestelde beroep verwerpen. 

2.    Verloop van de procedure
2.1     Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 14 november 2025 met nummer A2025/8191 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:267). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift en het verweerschrift.

2.3    De zaak is op de zitting van 15 juni 2026 behandeld. De internist was aanwezig en werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. D. De internist heeft haar standpunt nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. Klaagster is met bericht van verhindering niet verschenen. 

3.    Feiten
3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.

3.2    Klaagster is op 15 februari 2023 verwezen naar het E. (E.) in verband met een verlaagd aantal bloedplaatjes. Er waren volgens de huisarts geen klachten. Omdat het overige bloedbeeld normaal was, werd op dat moment door de internist gedacht aan mogelijke immuun trombocytopenie. Er is leefstijladvies gegeven en er is afgesproken dat klaagster de volgende dag op de polikliniek zou worden gezien.

3.3    Bij de eerste poliklinische afspraak op 16 februari 2023 was er sprake van een geïsoleerde trombocytopenie. Er was geen sprake van opvallende klachten. Het lichamelijk onderzoek toonde geen afwijkingen. Het overige bloedbeeld was normaal. De werkdiagnose was toen een primaire immuun trombocytopenie (ITP), zonder aanwijzingen voor een onderliggende aandoening. Er werd een behandeling ingesteld met dexamethason 1 maal daags 40 mg gedurende 4 dagen.

3.4    Klaagster meldde bijwerkingen van de dexamethason bij de huisarts. Na overleg tussen de huisarts en een collega van de internist bleek er een fout te zijn gemaakt in het recept van de dexamethason. Er was 4 maal daags 40 mg voorgeschreven in plaats van 1 maal daags 40 mg. De internist nam de dag erna contact op met klaagster om de kwestie verder te bespreken en zei daarbij ook dat zij een VIM-melding zou doen.

3.5    In de periode van begin maart tot eind april 2023 waren er tweewekelijkse controles (bloedonderzoek en contact met klaagster). De controles waren goed en afgesproken werd dat klaagster zich zou melden bij bloedingssymptomen. Bij controle op 27 juli 2023 bleek er sprake van een recidief ITP vanwege een daling van het aantal trombocyten. De hemoglobine was normaal. Ook de leukocyten waren normaal. Er waren op dat moment geen (bloedings)klachten. Na weer een spontane stijging van de trombocyten op 2 augustus 2023, was er bij een controle op 30 augustus 2023 weer sprake van een daling. Dit patroon bleef zich herhalen waarbij verandering van medicatie (het voorschrijven van Revolade/Eltrombopag) een positief effect leek te hebben. De dosering Revolade/Eltrombopag werd tijdelijk opgehoogd. Op 29 september 2023 bleek dat dit onvoldoende effect had en werd weer teruggegaan naar dexamethason. 

3.6    Half oktober 2023 was er weer een sterke daling van de trombocyten, die te maken leek te hebben met de omstandigheid dat klaagster op dat moment doxycycline bij een mogelijke pneumonie nam. Er werd op dat moment ook overwogen of er sprake kon zijn van een onderliggende aandoening als uitlokkende oorzaak van de ITP, een zogenaamde secundaire immuuntrombocytopenie. Gezien de eerdere snelle relapse werd aanvullende diagnostiek ingezet naar een eventuele onderliggende aandoening. Hieruit bleek een positieve ANA, wat kan wijzen op een onderliggende auto-immuunaandoening. De internist verwees klaagster naar de reumatoloog voor verdere analyse. Dit leverde geen aanwijzingen op voor een onderliggende auto-immuun- of systeemaandoening. 

3.7    Nadere analyse van het lab van begin december 2023 liet een bloedbeeld zien dat de internist deed denken aan LGL-leukemie, die eveneens een onderliggende oorzaak kan zijn voor een secundaire immuuntrombocytopenie. Er werd besproken verdere diagnostiek in te zetten in het F. (hierna F.), zijnde flowcytometrie op het bloed, ter bevestiging van een LGL-leukemie. Er is op dat moment door de internist geen beenmergonderzoek ingezet, omdat de diagnostiek kon plaatsvinden door middel van bloedonderzoek.

3.8    Er werd tweemaal bloed ingestuurd voor onderzoek naar het EMC omdat onduidelijk was of het materiaal wel was aangekomen. Naderhand bleek het bloed beide keren te zijn aangekomen en onderzocht. Uit beide onderzoeken (van december 2023 en januari 2024) bleek dat er geen sprake was van een LGL-leukemie.

3.9    De bloedonderzoeken in de periode vanaf februari 2024 tot eind maart 2024 lieten wederom een wisselend beeld zien, waarbij door klaagster ook werd aangegeven dat zij meer last had van hematomen, geen energie had en radeloos werd van het beloop. De internist heeft tijdens het consult van 28 maart 2024 aangegeven dat zij het beloop niet helemaal meer begreep en dat het daarom goed was dat het EMC een second opinion zou geven. 

3.10    In het bloedonderzoek naar aanleiding van het consult van 2 april 2024 zag de internist een bloedbeeld dat haar deed vermoeden dat er eventueel sprake kon zijn van leukemie of een andere beenmergaandoening. Klaagster is vervolgens opgenomen op de afdeling voor verdere diagnostiek en behandeling. Er is onder meer een beenmergpunctie verricht en er is een CT hals-thorax-abdomen gemaakt waarbij een prominent/afwijkend aspect van de cervix te zien was. Daarop is de gynaecologie in consult gevraagd voor aanvullend onderzoek door middel van een uitstrijkje/biopt, gezien ook het menstrueel bloedverlies en de mogelijkheid van een eventuele gynaecologische maligniteit. Daarnaast heeft de internist nogmaals overlegd met de reumatoloog en heeft zij ook twee specialisten van het EMC gevraagd met haar mee te denken.

3.11    Op 9 april 2024 kreeg de internist een mondelinge voorlopige uitslag van de beenmergpunctie. Die uitslagen pasten mogelijk bij een acute megakaryoblastaire leukemie. Zij besprak de uitslagen op 10 april 2024 met klaagster en haar partner en legde daarbij uit dat eventuele behandeling van dit type leukemie niet kon plaatsvinden in het E., maar wel in het G. De internist heeft voorgesteld om klaagster klinisch te laten overplaatsen, omdat dat sneller ging en klaagster dan zo snel mogelijk nadere onderzoeken en eventuele behandeling kon krijgen. De zorg voor klaagster is op 11 april 2024 overgegaan naar het G., alwaar geen acute leukemie werd vastgesteld.

4.    Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1    Volgens klaagster heeft de internist onzorgvuldig gehandeld, omdat zij:
a)    ondanks herhaalde verzoeken daartoe van klaagster, gedurende een periode van acht maanden een beenmergpunctie heeft geweigerd;
b)    bij zowel het voorschrijven van dexamethason als Revolade/Eltrombopag als Nplate/Romiplostim fouten heeft gemaakt in de hoogte van de doseringen;
c)    ten onrechte heeft aangegeven dat er sprake was van diverse soorten kanker;
d)    klaagster niet tijdig heeft geïnformeerd over de uitslagen bij haar opname in april 2024;
e)    klaagster eind november/begin december 2023 niet tijdig heeft geïnformeerd over de uitkomsten van de bloedonderzoeken, waarbij er LGL-leukemiecellen waren gevonden;
f)    de meeste contacten telefonisch heeft laten verlopen zonder klaagster in die keuze te betrekken;
g)    fraude heeft willen plegen met de zorgverzekeraar doordat zij klaagster bij overplaatsing naar het G. heeft willen laten vervoeren met de ambulance, terwijl dat niet nodig was;
h)    heeft geweigerd medicatie te geven om de bloedplaatjes van klaagster te verhogen, zodat zij naar de tandarts kon;
i)    niet tijdig heeft ingegrepen toen de klachten van klaagster in maart 2024 toenamen;
j)    klaagster ten onrechte heeft verwezen naar de reumatoloog, terwijl zij geen reuma had;
k)    in maart 2024 ten onrechte heeft gesproken over gynaecologische kanker, terwijl de definitieve uitslagen van de gynaecoloog er nog niet waren;
l)    op 26 april 2024 een brief heeft geschreven aan het UWV zonder klaagster daarover te informeren en dat zij in die brief ook informatie heeft weggelaten die wel belangrijk was;
m)    de internist verantwoordelijk houdt voor de stress die zij heeft ervaren omdat zij klaagster een aantal malen heeft geprobeerd te bellen nadat in het G. was gebleken dat er geen sprake was van acute leukemie;
n)    geen herhaalde bloedafname heeft laten doen toen bij het laboratoriumonderzoek van 2 augustus 2023 niet het exacte aantal bloedplaatjes kon worden bepaald.

4.2    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van de verschillende klachtonderdelen. Klaagster vraagt het Centraal Tuchtcollege impliciet om deze klachtonderdelen alsnog gegrond te verklaren. 

4.3    De internist heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om klaagster in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover klaagster in beroep nieuwe klachten naar voren heeft gebracht, en het beroep van klaagster voor het overige te verwerpen. 

4.4    Bij het Centraal Tuchtcollege ligt daarom in beroep de oorspronkelijke klacht in volle omvang ter beoordeling voor, met uitzondering van het klachtonderdeel b over de voorschrijffout van dexamethason dat door het Regionaal Tuchtcollege gegrond is verklaard.

Toetsingskader
4.5    De vraag die moet worden beantwoord is of de internist de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende internist. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. 

Inhoudelijke beoordeling
4.6    Het Centraal Tuchtcollege komt op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht (met uitzondering van klachtonderdeel b voor zover dat zag op de voorschrijffout van dexamethason) terecht ongegrond heeft verklaard. De behandeling van de zaak in beroep geeft geen aanleiding tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van dat college. Het Centraal Tuchtcollege neemt datgeen wat het Regionaal Tuchtcollege onder 5.2, 5.3 (met uitzondering van de eerste volzin) en 5.4 tot en met 5.14 heeft overwogen hier integraal over. De internist heeft bij haar zoektocht naar de oorzaak van het afwijkende bloedbeeld adequaat gehandeld en voldaan aan de normen van goed hulpverlenerschap. Het Centraal Tuchtcollege merkt daarbij op dat de internist bij haar verweerschrift in beroep een print van een VIM-melding heeft gevoegd, zodat vaststaat dat de internist deze indertijd heeft gedaan. Het Regionaal Tuchtcollege is daar dus ook terecht van uitgegaan. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich daarmee aan bij het oordeel van dat college dat de internist niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 

Conclusie
4.7    De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht met uitzondering van klachtonderdeel b voor zover het de voorschrijffout van dexamethason betreft terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door G. Tangenberg, voorzitter, 
B.J.M. Frederiks en T. Dompeling, leden-juristen, en E.J.F.M. de Kruijf en R.H.H. Bemelmans, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juli 2026.
Voorzitter  w.g.  Secretaris  w.g.