ECLI:NL:TGZRAMS:2025:267 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8191

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:267
Datum uitspraak: 14-11-2025
Datum publicatie: 14-11-2025
Zaaknummer(s): A2025/8191
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een internist. Klaagster is ruim een jaar bij de internist in behandeling geweest vanwege een afwijkend bloedbeeld. Zij heeft in het begin medicatie toegediend gekregen waarbij de internist een voorschrijffout heeft gemaakt. Deze fout is erkend door de internist. Klaagster vindt dat de internist gedurende de behandeling op een groot aantal punten onzorgvuldig heeft gehandeld. De klacht over de voorschrijffout is gegrond, de rest is ongegrond. Geen maatregel opgelegd omdat de internist haar verantwoordelijkheid heeft genomen en maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen.

A2025/8191
Beslissing van 14 november 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 14 november 2025 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klaagster,

tegen

C,
internist,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de internist,
gemachtigde: mr. D, werkzaam in B.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is bij de internist gedurende een periode van ruim een jaar in behandeling geweest wegens een afwijkend bloedbeeld. Zij heeft in het begin medicatie toegediend gekregen waarbij een voorschrijffout is gemaakt door de internist. Deze fout is erkend door de internist.
Het vinden van de oorzaak van het afwijkende bloedbeeld bleek een complexe zoektocht en de internist heeft geen definitieve diagnose kunnen stellen. Klaagster vindt dat de internist gedurende de behandeling op een groot aantal punten onzorgvuldig heeft gehandeld.
Het college acht alle klachten ongegrond, met uitzondering van de voorschrijffout. Omdat de internist hiervoor haar verantwoordelijkheid heeft genomen en hieruit lering heeft getrokken, wordt geen maatregel opgelegd.

1.2 Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2025;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 4 maart 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 11 juli 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de brief van klaagster van 15 september 2025, binnengekomen op 19 september 2025, met bijlagen.


2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 oktober 2025. De partijen zijn verschenen. De internist werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de gemachtigde hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster is op 15 februari 2023 verwezen naar het E in verband met een verlaagd aantal bloedplaatjes. Er waren volgens de huisarts geen klachten. Omdat het overige bloedbeeld normaal was, werd op dat moment door de internist gedacht aan mogelijke immuun trombocytopenie. Er is leefstijladvies gegeven en er is afgesproken dat klaagster de volgende dag op de polikliniek zou worden gezien.

3.2 Bij de eerste poliklinische afspraak op 16 februari 2023 is er sprake van een geïsoleerde trombocytopenie. Er is geen sprake van opvallende klachten. Het lichamelijk onderzoek toont geen afwijkingen. Het overige bloedbeeld is normaal. De werkdiagnose is dan een primaire immuun trombocytopenie (ITP), zonder aanwijzingen voor een onderliggende aandoening. Er wordt een behandeling ingesteld met Dexamethason 1 maal daags 40 mg gedurende 4 dagen.

3.3 Klaagster meldt bijwerkingen van de Dexamethason bij de huisarts. Na overleg tussen de huisarts en een collega van de internist blijkt er een fout te zijn gemaakt in het recept van de Dexamethason. Er is 4 maal daags 40 mg voorgeschreven in plaats van 1 maal daags 40 mg. De internist neemt de dag erna contact op met klaagster om de kwestie verder te bespreken en zegt daarbij ook dat zij een VIM-melding zal doen.

3.4 In de periode van begin maart tot eind april 2023 zijn er tweewekelijkse controles (bloedonderzoek en contact met klaagster). De controles zijn goed en afgesproken wordt dat klaagster zich zal melden bij bloedingssymptomen. Bij controle op 27 juli 2023 blijkt er sprake van een recidief ITP vanwege een daling van het aantal trombocyten. De hemoglobine is normaal. Ook de leukocyten zijn normaal. Er zijn op dat moment geen (bloedings)klachten. Na weer een spontane stijging van de trombocyten op 2 augustus 2023, is er bij een controle op 30 augustus 2023 weer sprake van een daling. Dit patroon blijft zich herhalen waarbij verandering van medicatie (het voorschrijven van Revolade/Eltrombopag) een positief effect lijkt te hebben. De dosering Revolade/Eltrombopag wordt tijdelijk opgehoogd. Op 29 september 2023 blijkt dat dit onvoldoende effect heeft en wordt weer teruggegaan naar Dexamethason.

3.5 Half oktober 2023 is er weer een sterke daling van de trombocyten, die te maken lijkt te hebben met de omstandigheid dat klaagster op dat moment doxycycline bij een mogelijke pneumonie neemt. Er wordt op dat moment ook overwogen of er sprake kan zijn van een onderliggende aandoening als uitlokkende oorzaak van de ITP, een zogenaamde secundaire immuuntrombocytopenie. Gezien de eerdere snelle relapse werd aanvullende diagnostiek ingezet naar een eventuele onderliggende aandoening. Hieruit bleek een positieve ANA, wat kan wijzen op een onderliggende auto-immuun aandoening. De internist verwijst klaagster naar de reumatoloog voor verdere analyse. Dit levert geen aanwijzingen op voor een onderliggende auto-immuun of systeemaandoening.

3.6 Nadere analyse van het lab van begin december 2023 laat een bloedbeeld zien dat de internist doet denken aan LGL-leukemie, die eveneens een onderliggende oorzaak kan zijn voor een secundaire immuuntrombocytopenie. Er werd besproken verdere diagnostiek in te zetten in het F, zijnde flowcytometrie op het bloed, ter bevestiging van een LGL-leukemie. Er is op dat moment door de internist geen beenmergonderzoek ingezet, omdat de diagnostiek kon plaatsvinden door middel van bloedonderzoek.

3.7 Er werd tweemaal bloed ingestuurd voor onderzoek naar het F omdat onduidelijk was of het materiaal wel was aangekomen. Naderhand blijkt het bloed beide keren te zijn aangekomen en onderzocht. Uit beide onderzoeken (van december 2023 en januari 2024) blijkt dat er geen sprake is van een LGL-leukemie.

3.8 De bloedonderzoeken in de periode vanaf februari 2024 tot eind maart 2024 laten wederom een wisselend beeld zien, waarbij door klaagster ook wordt aangegeven meer last te hebben van hematomen, geen energie te hebben en radeloos te worden van het beloop. De internist heeft tijdens het consult van 28 maart 2024 aangegeven dat zij het beloop niet helemaal meer begrijpt en dat het daarom goed is dat het F een second opinion geeft.

3.9 In het bloedonderzoek naar aanleiding van het consult van 2 april 2024 ziet de internist een bloedbeeld dat haar deed vermoeden dat er eventueel sprake kon zijn van leukemie of een andere beenmergaandoening. Klaagster is vervolgens opgenomen op de afdeling voor verdere diagnostiek en behandeling. Er is onder meer een beenmergpunctie verricht en er is een CT hals-thorax-abdomen gemaakt waarbij een prominent/afwijkend aspect van de cervix te zien was. Daarop is de gynaecologie in consult gevraagd voor aanvullend onderzoek door middel van een uitstrijkje/biopt, gezien ook het menstrueel bloedverlies en de mogelijkheid van een eventuele gynaecologische maligniteit. Daarnaast heeft de internist nogmaals overlegd met de reumatoloog en heeft zij ook twee specialisten van het F gevraagd met haar mee te denken.

3.10 Op 9 april 2024 krijgt de internist een mondelinge voorlopige uitslag van de beenmergpunctie. Die uitslagen passen mogelijk bij een acute megakaryoblastaire leukemie. Zij bespreekt de uitslagen op 10 april 2024 met klaagster en haar partner en legt daarbij uit dat eventuele behandeling van dit type leukemie niet kan plaatsvinden in het E, maar wel in het G. De internist heeft voorgesteld om klaagster klinisch te laten overplaatsen, omdat dat sneller gaat en klaagster dan zo snel mogelijk nadere onderzoeken en eventuele behandeling kon krijgen. De zorg voor klaagster is op 11 april 2024 overgegaan naar het G, alwaar geen acute leukemie werd vastgesteld.

4. De klacht en de reactie van de internist

4.1 Volgens klaagster heeft de internist onzorgvuldig gehandeld, omdat zij:
a) ondanks herhaalde verzoeken daartoe van klaagster, gedurende een periode van 8 maanden een beenmergpunctie heeft geweigerd;
b) bij zowel het voorschrijven van Dexamethason als Revolade/Eltrombopag als Nplate/Romiplostim fouten heeft gemaakt in de hoogte van de doseringen;
c) ten onrechte heeft aangegeven dat er sprake was van diverse soorten kanker;
d) klaagster niet tijdig heeft geïnformeerd over de uitslagen bij haar opname in april 2024;
e) klaagster eind november/begin december 2023 niet tijdig heeft geïnformeerd over de uitkomsten van de bloedonderzoeken, waarbij er LGL-leukemiecellen waren gevonden;
f) de meeste contacten telefonisch heeft laten verlopen zonder klaagster in die keuze te betrekken;
g) fraude heeft willen plegen met de zorgverzekeraar doordat zij klaagster bij overplaatsing naar het G heeft willen laten vervoeren met de ambulance, terwijl dat niet nodig was;
h) heeft geweigerd medicatie te geven om de bloedplaatjes van klaagster te verhogen, zodat zij naar de tandarts kon;
i) niet tijdig heeft ingegrepen toen de klachten van klaagster in maart 2024 toenamen;
j) klaagster ten onrechte heeft verwezen naar de reumatoloog, terwijl zij geen reuma had;
k) in maart 2024 ten onrechte heeft gesproken over gynaecologische kanker, terwijl de definitieve uitslagen van de gynaecoloog er nog niet waren;
l) op 26 april 2024 een brief heeft geschreven aan het UWV zonder klaagster daarover te informeren en dat zij in die brief ook informatie heeft weggelaten die wel belangrijk was;
m) verweerster verantwoordelijk houdt voor de stress die zij heeft ervaren omdat zij klaagster een aantal malen heeft geprobeerd te bellen nadat in het G was gebleken dat er geen sprake was van acute leukemie;
n) geen herhaalde bloedafname heeft laten doen toen bij het laboratoriumonderzoek van 2 augustus 2023 niet het exacte aantal bloedplaatjes kon worden bepaald.

4.2 De internist heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht, althans de tegen haar ingediende klacht als (kennelijk) ongegrond af te wijzen, althans om haar geen maatregel op te leggen

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de internist de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende internist. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.


Klachtonderdeel a) weigeren beenmergpunctie

5.2 Volgens de internist is pas op 28 maart 2024 voor het eerst gesproken over een beenmergpunctie, daarvoor niet. Dat blijkt uit haar aantekening in het medisch dossier. Voor maart 2024 bestond er geen indicatie voor een beenmergpunctie en is de punctie niet noodzakelijk voor het stellen van de diagnose ITP, noch van LGL-leukemie. In de tweede helft van maart 2024 was er een dusdanige verandering in het bloedbeeld dat een beenmergpunctie wel tot de nodige onderzoeken behoorde. Het college is van oordeel dat de internist terecht pas in een later stadium een beenmergpunctie heeft laten verrichten, toen er aanwijzingen waren voor een andere onderliggende aandoening. Daarvoor was dit onderzoek medisch gezien niet noodzakelijk. Bovendien is het een bijzonder belastend onderzoek voor de patiënt. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel b) fouten bij de dosering van medicatie
5.3 De internist heeft erkend dat zij de Dexamethason op 16 februari 2023 abusievelijk heeft voorgeschreven voor 4 maal daags 40 mg gedurende 4 dagen in plaats van de beoogde 1 maal daags 40 mg gedurende 4 dagen. Dit betekent dat het klachtonderdeel op dit punt gegrond is. Met betrekking tot de Revolade/Eltrombopag vindt klaagster dat de internist eerst nader onderzoek had moeten verrichten voordat zij deze medicatie mocht voorschrijven. Daarnaast heeft zij deze medicatie in een te hoge dosering voorgeschreven en die dosering vervolgens ook nog eens verhoogd. Volgens de internist zijn de verwijten niet terecht. Kort voor de start van deze medicatie was er al bloedonderzoek gedaan. Klaagster kreeg de standaarddosering van 50 mg. Weliswaar adviseert het Farmaceutisch Kompas voor patiënten uit H een start met 25 mg vanwege een sterker effect bij deze groep, maar dit mogelijke sterkere effect zou worden ondervangen door frequente controles af te spreken. Waar het gaat over de dosisverhoging wijst de internist erop dat dit door een collega is gedaan, maar overigens ook richtlijnconform is. Bij de Nplate/Romiplostim verwijt klaagster de internist dat zij zich niet heeft gehouden aan de waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen van het Farmaceutisch Kompas. De internist heeft er dit verband op gewezen dat in de periode dat met deze medicatie werd gestart, met regelmaat bloedonderzoek werd verricht. Extra laboratoriumonderzoek was daarmee niet nodig. Het klopt volgens de internist dat zij op 21 maart 2024 heeft besloten een extra gift Nplate voor te schrijven. Dat was noodzakelijk gelet op de bloeduitslagen en bloedingssymptomen en wordt in de praktijk gedaan onder goede monitoring, om een snelle stijging van de bloedplaatjes te krijgen. Het college kan de afwegingen van de internist volgen en is van oordeel dat sprake is geweest van adequaat medisch handelen. Het klachtonderdeel is dus voor het overige ongegrond.

Klachtonderdeel c en k) ten onrechte aangegeven dat er sprake was van diverse soorten kanker
5.4 Volgens de internist is het inderdaad zo dat tijdens het behandeltraject het tot driemaal toe zo is geweest dat er aanwijzingen waren dat er mogelijk sprake was van kanker. Allereerst blijkt er begin december 2023 dat er afwijkende lymfocyten te zien zijn. Er is toen gedacht aan LGL-leukemie, een zich rustig gedragende vorm van kanker die niet levensbedreigend is. De tweede maal dat er met klaagster is gesproken over mogelijke kanker was tijdens haar opname is april 2024. Naar aanleiding van de CT-scan was een prominent/afwijkend aspect van de cervix te zien, mogelijk passend bij een gynaecologische maligniteit. Na onderzoek bleek het te gaan om een goedaardige afwijking. De derde keer betrof de uitslag van de beenmergpunctie, waarbij de internist dacht aan acute megakaryoblastaire leukemie. Na nader onderzoek door het G bleek hiervan geen sprake te zijn. Met de internist is het college van oordeel dat begrijpelijk is dat het spreken over een mogelijke kankerdiagnose een enorme impact heeft gehad op klaagster. Maar het college ziet ook in de aantekeningen in het medisch dossier dat de internist steeds geprobeerd heeft om open en eerlijk aan te geven wat de bevindingen waren en waar de onzekerheden zaten en de vragen van klaagster voor zover zij dat kon zo goed mogelijk heeft beantwoord. De internist heeft daarmee voldaan aan de normen van goed hulpverlenerschap. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klachtonderdeel d) niet tijdig geïnformeerd over uitslagen bij opname in april 2024
5.5 Klaagster stelt bij dit klachtonderdeel dat de internist bij opname ten onrechte geen link heeft gelegd tussen de gezondheidsklachten van klaagster en het gebruik van Nplate/Romiplostim. De internist had zich bewust moeten zijn van de bijwerkingen van deze medicatie. Daarnaast verwijt zij de internist dat zij ten onrechte heeft aangegeven dat er sprake was van acute megakaryoblastaire leukemie. Zij heeft klaagster hierover pas op 10 april 2024 bericht, terwijl de uitslagen al eerder bekend waren. Daarmee heeft zij klaagster laten wachten in alle angst en twijfels. Volgens de internist zijn afwijkingen in het bloedbeeld van klaagster inderdaad beschreven als bijwerkingen van Nplate/Romiplostim. Gezien het feit dat klaagster deze middelen nog maar kort gebruikte, heeft de internist het onwaarschijnlijk geacht dat de afwijkingen in het bloedbeeld werden veroorzaakt door de medicatie en heeft zij eerst andere (ernstige) aandoeningen willen uitsluiten. Omdat de eerste resultaten van het beenmergonderzoek wezen op een eventueel acute leukemie, diende dit eerst nader onderzocht te worden.
De uitleg van de internist kan het college volgen. Van medisch onjuist handelen is geen sprake. Vervolgens bespreekt het college het verwijt over het bespreken van de uitslagen met klaagster en haar partner op 10 april 2024. Het is volgens de internist juist dat zij al eerder over de uitslagen beschikte, namelijk op 9 april 2024 in de middag. Zij heeft contact gezocht met het G over overplaatsing van klaagster. Omdat er onduidelijkheid was over de overplaatsing en de timing ervan, en gezien het tijdstip van de dag en de omstandigheid dat de internist op die dag op een andere locatie van het E werkzaam was, heeft zij besloten de volgende dag klaagster in te lichten (na haar ochtend spreekuur), waarmee dan ook duidelijker zou kunnen zijn wanneer klaagster kon worden overgeplaatst. Het college kan de
uitleg van de internist volgen en vindt dat de internist het besluit om klaagster wat later in te lichten op goede gronden heeft genomen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel e) niet tijdig informeren over uitkomsten bloedonderzoeken november/december 2023
5.6 De internist betreurt het dat klaagster langer dan gewenst in onzekerheid heeft gezeten over de uitkomsten van de analyse van het F. Haar kan daar echter geen persoonlijk verwijt van worden gemaakt. De internist heeft de ontvangst van de uitslagen gemonitord. Toen die langer op zich lieten wachten, heeft zij het F gebeld en te horen gekregen dat het materiaal niet was ontvangen. Daarop heeft de internist klaagster geadviseerd opnieuw bloed te laten prikken. Klaagster heeft dat gedaan op 9 januari 2024. Op 11 januari 2024 bleek dat de uitslag van het eerste onderzoek wel al eerder was ontvangen, door de afdeling klinische chemie. De internist wist hier niet van. Op 11 januari 2024 is de uitslag van het eerste onderzoek besproken en op 12 januari 2024 de uitslag van het tweede onderzoek, dat de internist toen had ontvangen. Naar het oordeel van het college is deze gang van zaken ongelukkig geweest, maar de internist kan hiervan geen persoonlijk verwijt worden gemaakt. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel f) de meeste contacten verliepen telefonisch
5.7 Klaagster verwijt de internist dat de meeste contacten telefonisch verliepen en dat dit is besloten zonder met klaagster te overleggen wat zij prettig vond. De internist heeft hiertegen aangevoerd dat zij begreep van klaagster dat zij ziekenhuizen haat en er zo min mogelijk wil komen. De internist heeft juist een goed hulpverlener willen zijn door klaagster zo min mogelijk met doktersbezoeken te belasten. Terugkijkend is zij van mening dat zij op sommige momenten had moeten aansturen op een fysieke poliklinische afspraak, daar waar het ging om complexe afwegingen in het behandelplan. Het college is het met de internist eens dat dit beter was geweest maar ziet hierin geen reden om de internist op dit punt een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel g) fraude door overplaatsing met ambulance
5.8 Klaagster stelt dat de internist fraude heeft willen plegen door bij overplaatsing van het E naar het G een ambulance te willen regelen. De internist heeft hiertegen ingebracht dat het gebruikelijk is dat als een opgenomen patiënt wordt overgeplaatst naar een ander ziekenhuis, er vervoer wordt geregeld. Juist vanuit het perspectief van goede (na)zorg. Het college is het hier mee eens. Kennelijk wilde klaagster met eigen vervoer gaan en was dat aan de internist niet voldoende duidelijk. Er kan in ieder geval geen fraude worden vastgesteld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel h) weigeren medicatie om de bloedplaatjes te verhogen, voor tandartsbezoek
5.9 Klaagster stelt bij dit klachtonderdeel dat zij al vanaf het begin van de behandelrelatie naar de tandarts moest maar dat niet lukte omdat zij de medicatie die zij daarvoor nodig had, niet kreeg van de internist.
De internist bestrijdt dat. Zij hoorde pas voor het eerst in januari 2024 dat klaagster naar de tandarts wilde, maar zich belet voelde door haar bloedwaarden. Op 19 maart 2024 liet klaagster weten echt graag te willen gaan omdat zij klachten had aan haar gebit. Zij had hiervoor een afspraak staan op 2 april 2024. Door de internist is aangeboden om voorafgaande aan het tandartsbezoek eventueel IVIG (een infuus met immunoglobine) te geven. Van een daadwerkelijk tandartsbezoek is het echter niet meer gekomen vanwege de verslechtering in het bloedbeeld en de opname van klaagster in het ziekenhuis op 2 april 2024. Gelet op deze uitleg van de internist, acht het college dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel i) niet tijdig ingrijpen toen de klachten in maart 2024 toenamen
5.10 Bij dit klachtonderdeel stelt klaagster dat de internist eerder had moeten overgaan tot het geven van IVIG. Zij had niet de werking van Nplate/Romiplostim mogen afwachten. De internist ziet dit anders. IVIG is een noodoplossing voor de korte termijn. Zij streefde ernaar om te werken aan een langetermijnoplossing. Ook in de richtlijn ITP wordt IVIG alleen opgenomen als rescue therapie. Het college is dit met de internist eens en vindt dat er sprake is van adequaat medisch handelen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel j) ten onrechte verwezen naar de reumatoloog
5.11 Klaagster stelt met dit klachtonderdeel aan de orde dat de internist haar ten onrechte heeft verwezen naar de reumatoloog, vanwege een positieve ANA-screen. Bij haar bestaat terugkijkend het beeld dat de internist haar heeft verwezen om te achterhalen of er sprake was van osteoporose door de Dexamethason. De internist is het hier niet mee eens. Zij heeft uitgelegd dat omdat er bij klaagster sprake was vitiligo, de ANA sterk positief was en er meermaals sprake was van een snelle relapse die tot dan toe niet kon worden verklaard, er is gekeken of er misschien een onderliggende (systeem)aandoening was. Gelet op deze uitleg acht het college het klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel k) onjuiste brief aan het UWV zonder klaagster daarover te informeren
5.12 Op 2 april 2024 is er door het UWV een brief gestuurd aan de internist met het verzoek om medische informatie. Bij dat verzoek zat een machtiging van klaagster voor het uitwisselen van gegevens. Volgens de internist is het niet gebruikelijk patiënten dan te kennen in de inhoud van de brief die aan het UWV wordt verzonden of hen daarvan een afschrift te sturen. De internist zegt in de brief naar waarheid te hebben verklaard aan het UWV door aan te geven a) waarvoor klaagster bij haar in behandeling was (immuuntrombopenie), b) welk advies zij patiënten met ernstige trombopenie geeft, c) dat er een slechte respons was op de behandeling, waardoor er twijfel is ontstaan over de oorspronkelijke diagnose en d) dat klaagster voor verder onderzoek en verdere behandeling is overgedragen aan het G. Gelet op deze uitleg kan dit klachtonderdeel naar het oordeel van het college niet slagen.

Klachtonderdeel m) stress vanwege veelvuldig bellen door de internist
5.13 De internist heeft bij dit klachtonderdeel uitgelegd dat toen zij van het G vernam dat de diagnose acute leukemie niet klopte zij meermaals heeft geprobeerd om klaagster te bellen om haar excuses aan te bieden, omdat zij klaagster onterecht angst had aangejaagd. Dit getuigt naar het oordeel van het college van goed hulpverlenerschap. Het klachtonderdeel slaagt niet.

Klachtonderdeel n) geen herhaalde bloedafname
5.14 De internist heeft over dit klachtonderdeel uitgelegd dat het exacte aantal bloedplaatjes niet kon worden vastgesteld in het laboratorium, door “klontering”. Wel kon worden vastgesteld dat het er tenminste 65 waren en dat dit binnen een veilige marge valt. Om die reden is het niet nodig om de patiënt een onnodige herhaalprik te laten ondergaan. Het college kan deze uitleg volgen en acht ook dit klachtonderdeel ongegrond.

Slotsom
5.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat afgezien van een deel van klachtonderdeel b) alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn. Voor de voorschrijffout ziet het college geen reden om een maatregel op te leggen omdat de internist voor deze fout haar verantwoordelijkheid heeft genomen, een VIM-melding heeft gedaan en maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel b deels gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- verklaart de klachten voor het overige ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door E.A. Messer, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, M.V. Huisman, H.R.H. de Geus en E.J. van Lieshout, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.