ECLI:NL:TGZCTG:2026:149 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2656
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:149 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-05-2026 |
| Datum publicatie: | 14-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2656 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een orthopedisch chirurg over een door haar in opdracht van de rechtbank opgemaakt deskundigenrapport. Klager is het niet eens met de manier waarop dit rapport tot stand is gekomen. Hij verwijt de orthopedisch chirurg onder meer dat zij niet met de second opinion-arts in overleg is getreden en dat zij niet onpartijdig was. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2656 van:
A.,
wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C.,
orthopedisch chirurg,
werkzaam in D.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de orthopedisch chirurg,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam in Hilversum.
1. Kern van de zaak
1. Klager heeft op 18 december 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen de orthopedisch chirurg een klacht ingediend. De klacht gaat over een door de orthopedisch chirurg in opdracht van de rechtbank opgemaakt deskundigenrapport.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klager.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 22 november 2024 met nummer A2023/6735 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:249). Klager heeft op 3 juli 2025 de wraking verzocht van de beide leden-beroepsgenoten. Bij beslissing van 25 augustus 2025 met nummer C2025/2867 is dit verzoek afgewezen. Op 5 maart 2026 heeft klager een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter. Dit verzoek is bij beslissing van 25 maart 2026 met nummer C2026/3177 afgewezen. Daarna is de behandeling van de hoofdzaak voortgezet.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift, het verweerschrift in beroep en de correspondentie met klager.
2.3 De zaak is op de zitting van 6 mei 2026 behandeld. De orthopedisch chirurg is daar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. M.J. de Groot.Klager is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Centraal Tuchtcollege heeft na afloop van de mondelinge behandeling de zaak in raadkamer beoordeeld en in het openbaar mondeling uitspraak gedaan. Wat hierna volgt is een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.
3. Feiten
3.1 Klager heeft na twee operaties aan zijn voeten (in 2009 rechts en in 2013
links) klachten overgehouden. Hij heeft – onder andere – de orthopedisch chirurg die
hem destijds heeft behandeld en geopereerd (hierna: de behandelaar) aansprakelijk
gesteld voor de schade. Klager heeft de rechtbank verzocht een voorlopig deskundigenbericht
te gelasten naar het medisch handelen van de behandelaar. Klager heeft de orthopedisch
chirurg als deskundige voorgesteld.
3.2 De orthopedisch chirurg heeft in 2015 gedurende zes maanden een fellowship gevolgd bij de behandelaar. Klager was daarvan op de hoogte op het moment dat hij de orthopedisch chirurg als deskundige voordroeg. Ook de wederpartij(en) en de rechtbank waren daarmee bekend. De rechtbank heeft de orthopedisch chirurg bij beschikking van 9 september 2020 tot deskundige benoemd en haar vier vragen voorgelegd. Ook heeft de rechtbank enige procedurele formaliteiten vastgelegd, onder andere het navolgende (alle citaten zijn letterlijk overgenomen):
“Gelieve contact op te nemen met de betrokken partijen indien u dat nodig acht voor de door u te schrijven rapportage. Indien u contact opneem met één van partijen, dient u ook met de andere partij contact op te nemen.”
3.3 Op 19 november 2020 heeft klager per e-mail aan het expertisecentrum waaraan de orthopedisch chirurg verbonden is, gevraagd om haar het volgende voor te leggen:
“Nu u om uitstel heeft gevraagd van de termijn waarop u de betreffende rapportage aan de Rechtbank wordt geacht in te dienen (11 februari 2021) verzoek ik u mij te willen (doen) berichten of u het betreffende Rechtbankdossier op datum van het geplande onderzoek door u in E. wel volledig tot u zult hebben kunnen nemen. Mocht dat niet het geval zijn, dan vraag ik me af of het dan wellicht een idee is om uw onderzoek eveneens te verplaatsen naar een latere datum (…).”
3.4 Het expertisecentrum heeft klager op 23 november 2020 per e-mail het antwoord van de orthopedisch chirurg doorgegeven:
“Het aanvragen van uitstel voor een expertiserapport heeft verschillende redenen. Met name de ervaring van het bij elkaar krijgen van eventuele extra informatie (beeldvorming met name) kost vaak veel tijd. Tevens kost het maken van een gedegen rapport ook enige tijd. Om deze reden wordt er op voorhand uitstel aangevraagd.
Ik bereid mijn expertises altijd gedegen voor onafhankelijk of dit veel of weinig informatie betreft. Hier heb ik tijd voor in mijn agenda gemaakt.”
3.5 Op 26 november 2020 heeft de orthopedisch chirurg klager gesproken en onderzocht.
3.6 Op 3 december 2020 heeft klager het expertisecentrum per e-mail verzocht de orthopedisch chirurg het volgende voor te leggen:
“Afsluitend deelde u mij na uw onderzoek d.d. 26 november j.l. mee dat u wellicht, wanneer u toe zou zijn aan het opstellen van uw rapportage t.b.v. de Rechtbank, mij nog telefonisch zou willen benaderen (…) voor een eventueel door u gewenste nadere informatie en/of toelichting. Ik ging daar vanzelfsprekend mee akkoord. Het lijkt me een goed idee om sowieso nog een telefonisch overleg met elkaar te hebben, zodat eventuele nadere informatie of een toelichting, ook van mijn kant, nog met u gedeeld zal kunnen worden. Wilt u s.v.p. (doen) berichten of dat wat u betreft akkoord is?”
3.7 Het expertisecentrum heeft klager op 11 december 2020 het navolgende bericht van de orthopedisch chirurg doorgemaild:
“Dank voor uw e-mail. Ik zou nog graag de folder die u destijds over de hallux valgus heeft gekregen doorlezen. Ik bgreep dat u die nog in uw bezit heeft. Zou u die misschien ingescand naar ons kunnen opsturen via de mail.
Verder heb ik op dit moment geen vragen. Het bespreken van mijn rapportage met u, beschadigt mijn onafhankelijkheid. Dit lijkt mij dus geen goed plan. Mocht ik nog vragen hebben aan u of [naam behandelaar] dan zal ik dat aangeven.”
3.8 Het expertisecentrum heeft klager per e-mail van 21 december 2020 verzocht het handgeschreven dossier van 2009 tot 2013 op te vragen bij het ziekenhuis waar de behandelaar destijds werkte. Op 24 december 2020 heeft de orthopedisch chirurg partijen bericht dat zij het handgeschreven dossier alsnog had gevonden tussen de haar aangereikte stukken.
3.9 Op 11 februari 2021 heeft klager een beroep gedaan op het blokkeringsrecht van het hem op 28 januari 2021 toegezonden conceptrapport.
4. Het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager heeft bezwaren tegen de wijze waarop het rapport tot stand is gekomen. Hij verwijt de orthopedisch chirurg dat zij:
a) zich heeft laten leiden door de oorspronkelijke behandelaar van klager;
b) niet met de tweede behandelaar/second opinion-arts in overleg is getreden;
c) zich niet volledig heeft doen informeren;
d) niet op basis van onpartijdigheid heeft gerapporteerd;
e) lid had moeten zijn van de Nederlandse Vereniging voor Medisch Specialistische
Rapportage (NVMSR), althans klager actief had moeten melden dat zij geen lid is van
die vereniging.
Klager heeft – onder meer bij het mondeling verhoor in eerste aanleg – uitdrukkelijk
gesteld dat de klacht niet gaat over de inhoud van het rapport, maar over de opbouw
en de organisatie ervan.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hij vraagt het Centraal Tuchtcollege de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.3 De orthopedisch chirurg heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij vraagt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klager te verwerpen.
procedureel
4.4 Klager heeft in eerste aanleg een schriftelijke reactie op het verweerschrift van de orthopedisch chirurg (het ‘addendum’) opgesteld en deze tijdens het op 11 juli 2024 gehouden verhoor voorgelezen. Klager wijst er in beroep op dat in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege niet aan dit stuk wordt gerefereerd. Volgens hem is het addendum zonder toelichting door het Regionaal Tuchtcollege buiten beschouwing gelaten. Klager maakt hier bezwaar tegen.
4.5 Het addendum van klager is aan het proces-verbaal van het verhoor bij het Regionaal Tuchtcollege gehecht en maakt daarmee deel uit van het procesdossier in eerste aanleg. Het enkele feit dat dit stuk niet uitdrukkelijk in de beslissing is genoemd, laat onverlet dat het Regionaal Tuchtcollege (en in beroep ook het Centraal Tuchtcollege) van dit stuk kennis heeft genomen en dus bij zijn beslissing heeft meegenomen. Er bestaat geen verplichting om op al hetgeen van de zijde van een partij naar voren is gebracht gemotiveerd te reageren in de beslissing. Het betoog van klager faalt daarmee.
inhoudelijke beoordeling
4.6 De behandeling van de zaak in beroep geeft geen aanleiding tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen 4.1 tot en met 4.16 van de bestreden beslissing en neemt deze hier integraal over. Dit college komt net als het Regionaal Tuchtcollege tot de conclusie dat niet is gebleken dat het door de orthopedisch chirurg opgestelde (concept)rapport niet voldoet aan de eisen die volgens vaste tuchtrechtspraak aan een deskundigenrapport worden gesteld.
4.7 In aanvulling daarop overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de orthopedisch chirurg in haar rapport uitgebreid aandacht heeft besteed aan de duidelijke schriftelijke informatie van de second opinion-arts en redelijkerwijs heeft kunnen beslissen dat het niet nodig was om aan hem nog een mondelinge toelichting daarop te vragen. De orthopedisch chirurg was verder niet verplicht om klager op zijn verzoek nog een tweede keer te spreken. Het Centraal Tuchtcollege is tot slot niet gebleken dat de orthopedisch chirurg op enig moment aan klager heeft aangegeven dat zij lid was van de NVMSR of dat zij klager in die veronderstelling heeft laten verkeren. Klager betoogt in beroep dat zij dit laatste ten tijde van het opstellen van het rapport wel heeft gedaan en verwijst daarbij naar zijn e-mails van oktober 2021. Deze e-mails dateren echter van negen maanden na afronding van het rapport. Bovendien blijkt hieruit dat klager op dat moment op de hoogte was van het feit dat de orthopedisch chirurg geen lid was van de NVMSR. Er was dus geen sprake van dat de orthopedisch chirurg hem toen in de veronderstelling heeft laten verkeren dat zij lid was van deze vereniging. De orthopedisch chirurg is ook niet verplicht om aan klager te melden van welke verenigingen zij geen lid is.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van het vorenstaande net als het Regionaal Tuchtcollege tot het oordeel dat de orthopedisch chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Conclusie
4.9 Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt daarom het beroep van klager.
Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door E.J. Daalder, voorzitter,
H. de Hek en A.S. Gratama, leden-juristen, en W.J. Rijnberg en N.R.A. Baas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 6 mei 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.